’Gemengde school minder goed voor onze leerlingen’

Een zwarte vmbo-school is niet ideaal voor de integratie, vinden wethouders in de grote steden. Het Vader Rijn College in Utrecht is zo’n school. De kinderen hier moeten er juist blij mee zijn, zegt de directeur.

Hanne Obbink

’Wat doe jij!? Wat dóe jij!?” Said is boos. Zijn klasgenote Asmae streek hem in het voorbijgaan even door het haar en daar is hij niet van gediend. „Je hoeft niet zo te schreeuwen”, zegt Asmae met een lachje.

Rosan Joolen, docent aan het Vader Rijn College in Utrecht, komt al aanlopen om het ruzietje tussen haar leerlingen in de kiem te smoren. Maar dat is niet nodig. „Ik hou er niet van als mensen aan m’n haar zitten”, moppert Said nog wat na. Maar daarna gaat hij aan het werk.

Tien minuten later. Zoubeir loopt kwaad weg. Hij is de map kwijt waarin staat wat hij van dag tot dag te doen heeft en juf Joolen neemt geen genoegen met zijn uitleg. Als hij terugkomt, spreekt de juf hem aan. „Zullen we het er even over hebben?” Nee, zegt Zoubeir. „U luistert toch niet. Ik praat niet met mensen die niet luisteren.” „Ik wil best luisteren. Kom maar naar me toe als je wat afgekoeld bent.” Zoubeir weigert. „Ik bén afgekoeld.”

Maar niet veel later bespreken Zoubeir en de juf de kwestie toch even. En daarna gaat de jongen door met waar hij mee bezig was: oefenen met het maken van zijn eigen cv.

Nog weer later zijn het opnieuw Asmae en Said die elkaar dwarszitten. De juf vraagt Asmae op te houden met kletsen met de jongen naast haar, Mohammed. „Hij leert me Arabisch, juf”, verklaart Asmae. Said neemt er met afgrijzen kennis van. „Schandalig dat Marokkaanse kinderen geen Arabisch kunnen”, zegt hij. „Dat kan niet, dat kán gewoon niet.” Asmae kijkt hem vlak aan, maar zegt niets.

Asmae, Said en de anderen zijn leerlingen van het Vader Rijn College, een vmbo-school in de Utrechtse wijk Overvecht. Het is een zwarte school, want de jongeren die hier naar school gaan, zijn voor grofweg 60 procent van Marokkaanse komaf en voor 30 procent Turks; 10 procent komt uit de rest van de wereld – waaronder Nederland.

Niet ideaal, zo’n zwarte school, is de heersende opvatting; maar in geen van de vier grote steden lukt het om deze scholen gemengd te krijgen. Van de leerlingen van het Vader Rijn hoeft dat ook niet. „Maakt mij niets uit, iedereen is hetzelfde”, zegt Redouan. Mimoun vindt het „leuk om met soortgenoten op school te zitten”. Alleen Loubna zegt: „Het is wel gezellig, maar je mist iets. Je leert hier niet veel over de Nederlandse cultuur.”

De groep van Rosan Joolen en haar collega’s bestaat uit 55 kinderen. Ze zitten in leerjaar 3 en 4, hebben gekozen voor de sector economie en volgen onderwijs op drie vmbo-niveaus: basis, kader en de gemengde leerweg.

Niet de makkelijkste leerlingen. Dat blijkt na afloop van de schooldag, als het docententeam een ’leerlingenbespreking’ houdt. Alle leerlingen met wie iets aan de hand is, worden besproken – en dat zijn er ruim twintig.

Docente Lette Janssen loopt de kinderen langs die ze op stage moet zien te krijgen. Dat is een hele klus. Eén leerling is afgewezen door de winkel waar hij moest solliciteren, omdat hij ’geen Nederlands, maar straattaal’ spreekt. Een ander kan er maar niet over uit dat een werkdag als stagiair tot vijf uur duurt. Janssen: „Twee uur per dag werken vindt hij al heel wat.”

Bij anderen zitten de problemen dieper. Een van de jongens wordt door docent Roland Melchior een ’stelselmatige leugenaar’ genoemd. Volgens andere docenten heeft hij problemen thuis – „nou ja, áls hij al thuis is”. Het vermoeden bestaat dat hij jat van medeleerlingen. „Misschien moeten we eens kijken of hij in aanraking is geweest met justitie”, oppert een docent.

Een van de meisjes is langs geweest bij bureau jeugdzorg, vertelt Rosan Joolen. Maar zij werd weggestuurd met de opdracht ’haar eigen zorgvraag te formuleren’. De andere docenten zuchten, want ze weten: dat zal haar niet lukken. „Moet jij niet met haar mee naar bureau jeugdzorg, Rosan?” vraagt een docent. „Dat vind ik ver gaan”, reageert een ander. „Waar houdt je werk als leraar op?”

We gaan ergens de mist in met onze leerlingen, verzucht Lette Janssen halverwege de bespreking. „We spreken ze voortdurend aan op ongewenst gedrag. Maar ik heb het gevoel dat we er niet doorheen komen. Je schorst iemand, je hoopt dat hij daarvan onder de indruk is, maar daar blijkt niets van.”

Strenger straffen dus? Het docententeam is het er niet over eens. „Blijven praten”, zegt de een. „Nee!” zegt een ander fel. „Niet dat eindeloze heen en weer praten!”

Onder schooltijd is er van al dat ongewenst gedrag vrij weinig te merken. In leerjaar 3 en 4 van het Vader Rijn College volgen de leerlingen de aanpak van het ’natuurlijk leren’. Dat houdt in dat ze leren aan de hand van opdrachten die aan de praktijk ontleend zijn. Het grootste deel van de dag werken ze zelfstandig aan die opdrachten. Daarnaast zijn er gewone schoolvakken; ook daaraan werken ze grotendeels zelfstandig.

De schooldag begint met de zogeheten dagopening. Alle leerlingen schrijven voor zichzelf op wat ze die dag van plan zijn. Nadat een van de docenten die dagplanning heeft goedgekeurd, kunnen ze aan het werk.

Het gros van de leerlingen kruipt snel achter een computer om mail te checken – want soms zijn daar nog nieuwe opdrachten van docenten te vinden. Veel jongens gaan daarna op zoek naar de sites waar snelle en niet te dure Volkswagens Golf te vinden zijn. Anderen, met name de vierdejaars, zoeken internet af naar de open dagen van het middelbaar beroepsonderwijs. „Heel belangrijk, roept juf Joolen hen toe. „Maar het is nóg belangrijker dat je aan je boekhouden gaat werken.” Niet veel later zijn de meeste leerlingen inderdaad aan het werk.

Voor Joolen is de schooldag al veel vroeger begonnen: ’s ochtends om zeven uur belt ze Asmae wakker. „Doe ik dat niet, dan komt ze nooit op tijd op school”, zegt ze.

„Ik ben meer bezig met opvoeden dan met mijn vak”, vervolgt Joolen, die eigenlijk docent Engels is. Ze komt van een vmbo-school buiten de stad, met traditioneel onderwijs. Het verschil met het Vader Rijn College is groot. „Mijn vorige school had ook problemen. In het dorp waar die stond, was geen coffeeshop, dus werd er op school levendig gedeald. Dát probleem hebben we hier niet.”

Welke problemen wel? Joolen somt op. „Kinderen die de samenleving waarin ze leven niet snappen. Die zich onbegrepen voelen. Van wie tegelijkertijd veel gevraagd wordt, die bijvoorbeeld veel zelf moeten regelen, omdat zij Nederlands spreken en hun ouders niet.”

Ze gaat door. „Veel leerlingen hier op school hebben recht op leerwegondersteuning en zijn dus officieel leerling met problemen. Sommigen zijn snel boos, anderen kunnen zich niet langer dan tien minuten concentreren. Lastig, ja, maar er is te weinig geld om ze allemaal in speciale klassen te zetten, dus zit er ook een aantal in deze groep. Die steek je een extra handje toe.

„Onze leerlingen leven in een heel andere wereld dan wij ons voorstellen. De jongens leven vaak op straat. Daar ben je geen held dankzij een diploma, maar dankzij wat je durft. En de meisjes zitten bijna altijd thuis. Voor hen is school een uitje.

„School is een houvast voor veel leerlingen. Wie ’s ochtends te laat op school komt, moet zich de volgende dag om acht uur melden. Als je dat niet doet, moet je ’s middags nablijven. Maar voor veel leerlingen is dat geen straf. Ze vinden het gezellig. Anders moeten ze naar huis - waar het vaak helemaal niet gezellig is.”

Maar moet een school haar allochtone leerlingen niet voorbereiden op een veelkleurige samenleving met allochtonen én autochtonen? En lukt dat op een school waar allochtone leerlingen alleen andere allochtonen tegenkomen? Kan dat niet beter op een gemengde school?

Directeur Bart Engbers van het Vader Rijn College kent de vragen. Goed onderwijs in een aantal ’ankervakken’ (taal en rekenen, maar ook democratisch burgerschap) is niet genoeg. „Onze leerlingen moeten de witte wereld leren kennen; dat kan niet in splendid isolation.”

Daarom vindt de school stages heel belangrijk. Ook worden leerlingen geregeld de buurt in gestuurd om opdrachten uit te voeren. Zo hebben Vader-Rijnleerlingen geholpen bij het organiseren van een sportdag op een basisschool; anderen hielpen bij lessen over gezond eten, door fruithapjes klaar te maken.

Het Vader Rijn biedt leerlingen zo een betere basis dan als de school gemengd zou zijn, stelt Engbers. „Onze leerlingen voelen zich nergens welkom. Thuis zitten ze in de shit, met ouders die vijf hoog in Overvecht soms eigenlijk nog in het Rifgebergte leven. En op straat worden ze vaak met de nek aangekeken. School is voor hen een veilige haven, een plek van henzelf. Dat veilige gevoel is een voorwaarde om goed te kunnen leren.

„Stel dat ze hier op school moesten mengen met de Chantals en de Johnny’s, stel je voor wat voor wrijvingen dat zou geven. Dat komt het leren echt niet ten goede. Deze kids moeten heel blij zijn dat ze op een zwarte school zitten.”

Wie het de leerlingen van Rosan Joolen en haar collega’s vraagt, hoort inderdaad vooral tevreden geluiden. Maar aan het eind van de schooldag willen de meesten toch weg, ook degenen die moeten nablijven. Meral kan écht niet blijven, ze moet werken; voor Fati geldt hetzelfde en Mehmet heeft een afspraak met zijn voogd. Maar docent Melchior geeft geen krimp.

Pembegül moet naar haar opa. „Dat kan toch later?” werpt Melchior tegen. Nee, zegt Pembegül, want ze moet voor haar opa vertalen bij de huisarts. „Ga dan maar”, krijgt ze te horen.

Ook Touche wil weg. Nablijven is in strijd met de leerplicht, stelt hij. Trouwens, hij heeft zijn straf al uitgezeten, want de laatste keer dat hij te laat was, had hij een goede reden.

„Ik maak een afspraak met je: ik blijf een half uurtje”, zegt hij op hoge toon. „Maar als blijkt dat dat niet terecht is, wil ik een vergoeding.”

„Ik vind dat je erg onbeschoft bent”, zegt Melchior. „Je gaat nu weg. Ik bel vanavond je vader wel.”

„Die werkt ’s avonds.”

„Dan bel ik hem mobiel.”

Touche loopt de klas uit. Maar net voordat hij de deur uit is, zegt jij nog: „Je hebt z’n nummer niet.”

Intussen is Pembegül terug. Die heeft haar vader gebeld; ze hoeft niet als tolk op te treden en dus wil ze wel blijven. Even later zit zij samen met een vijftal andere nablijvers rustig aan de computer te werken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden