Gemengde liefde in Zuid-Afrika: 'Zelden wordt aangenomen dat wij samen zijn’

Wilma Schavemaker (1957) en Patric Mtshaulana (1954) Beeld Hadas Itzkovitch en Anya van Lit

Het verbod op relaties tussen wit, zwart, gekleurd of Indiërs in Zuid-Afrika sneuvelde 34 jaar geleden. Maar doorsnee zijn ze nog altijd niet.

Tijdens de apartheid, 1948-1990, werden Zuid-Afrikanen ingedeeld in vier raciale groepen: wit, zwart, gekleurd en Indiërs. Tot 1985 mochten die verschillende groepen niet met elkaar trouwen. Ook onderlinge seksuele relaties waren verboden.

De wet dwong de verschillende raciale groepen gescheiden te leven. Het merendeel van de zwarte bevolking werd verbannen naar tien Bantoe-thuislanden. Die thuislanden waren bedoeld om de permanente verwijdering van de zwarte bevolking uit wit Zuid-Afrika te bewerkstelligen.

In de stedelijke gebieden werden zwarten, ­gekleurden en Indiërs verdreven van huis en haard als ze woonden in gebieden die als wit waren aangewezen. Ze werden gedwongen zich te verplaatsen naar afgescheiden townships. Vaak werden voor elk van de drie niet-witte raciale groepen aparte townships opgezet.

Fotografenduo Hadas Itzkovitch en Anya van Lit ging in Zuid-Afrika op zoek naar gemengde stellen van verschillende generaties en achtergronden. Een aantal van de stellen uit de serie vertelt hier hoe de jaren van segregatie invloed hebben gehad op alle rassen in Zuid-Afrika, en op hun liefdesrelatie in het bijzonder.

Deze foto’s en verhalen maken deel uit van het project Love Zone van Itzkovitch en Van Lit, over liefdesstellen in conflictgebieden en ­voormalige conflictgebieden. De serie toont portretten van Joods-Palestijnse stellen, katholiek-protestantse stellen in Noord-Ierland, gemengde stellen in voormalig Joegoslavië en interraciale stellen in Zuid-Afrika.

‘Discrimatie was er altijd, ook in de homogemeenschap’

Garreth Eduard Rosenberg (1970) advocaat
Leonard Tayler (1948) aannemer, gepensioneerd

Garreth Eduard Rosenberg (1970) en Leonard Tayler (1948) Beeld Hadas Itzkovitch en Anya van Lit

Garreth: “Ik ben opgegroeid op het platteland, in Vredendal. Aan de gekleurde, arme kant van de treinrails. Mijn vader was leraar, erg religieus en fervent ANC-aanhanger. Maar toen hier, als enige land in Afrika, het homohuwelijk werd geïntroduceerd, was hij furieus en keerde het ANC de rug toe.”

Len: “Ik kwam naar Zuid-Afrika in 1984 vanuit Londen, om werk te zoeken. Als nieuwkomer accepteerde ik de wetten en regels van dit land. Er werkten zwarte mensen voor mijn bedrijf, de tuinman was zwart. Ik heb mensen altijd met respect behandeld. Maar terugkijkend voel ik vaak schaamte.”

Garreth: “We ontmoetten elkaar in het jaar 2000, in een homobar in Kaapstad. Ik werkte daar als barman. Die nacht explodeerde er een bom vlakbij, voor een beroemde nachtclub. De bom was geplaatst door een anti-homo-organisatie, gelukkig raakte niemand gewond.”

Len: “Tijdens de apartheid mixten – anders dan bovengronds – zwart, wit, gekleurd en moslim zich in de homobar. Ook daar was racisme, maar er was een andere gemeenschappelijke factor die ons verbond.”

Garreth: “Discriminatie was er altijd, ook in de homogemeenschap. In een homobar in de jaren negentig wilde een groep witte Afrikaners niet dat ik hen bediende, ze eisten een witte barman.”

Garreth: “Voor mijn moeder is Len mijn goede vriend, maar ze voelt denk ik wel dat hij mijn partner is. Soms gaat hij mee naar Vredendal. Nelson Mandela institutionaliseerde anti-discriminatiewetten, ook voor seksuele geaardheid. Maar nog steeds wordt er naar ons gestaard als we samen over straat lopen. Len denkt dat ze kijken omdat hij zoveel ouder is dan ik. Volgens mij zien ze een gemengd stel! Alleen nu zijn we veel mondiger.”

‘Toen we haar familie bezochten werd ik nageroepen: Whitey!’

Tamsyn Spannenberg (1992), modern danser
Jason Barnard (1993), ­acrobaat en trainer in ZipZap Circus

Tamsyn Spannenberg (1992) and Jason Barnard (1993) Beeld Hadas Itzkovitch en Anya van Lit

Jason: “Mijn grootvader en mijn vader zijn Boeren-Afrikaners. Mijn vader groeide op in Caledon in een zeer racistische Boerengemeenschap. Toen mijn grootvader jong was, was het normaal voor witten om zich superieur te voelen. Hij geeft nu wel toe dat apartheid moreel verkeerd was, maar sommige overtuigingen zitten vastgeroest in hem. Hij gebruikt zelfs nog het k-woord (kaffer, red). Toen ik Tammy meenam naar mijn familie, vreesde ik zijn reactie het meest. Maar hij is echt heel erg op haar gesteld.”

Tammy: “Ik ben opgegroeid in Eerste Rivier, in een gemengde gemeenschap van zwarten en gekleurde mensen, moslims en Indiërs. We verloren onze moeder vrij jong en een aantal jaren geleden stierf mijn vader. Mijn broer zit in de gevangenis, hij is lid van een bende. Pas toen ik naar Kaapstad verhuisde voor mijn danstraining kwam ik in aanraking met witte mensen die ook vrienden werden.”

Jason: “Ik ben van na de apartheid, kom uit een arme buurt van Kaapstad. Mijn beste vrienden waren altijd gekleurd. Er wordt vaak gevraagd of ik zelf gekleurd ben, dat komt mede door mijn accent. Ik maakte deel uit van het ZipZap Circus als kind en keerde terug als volwassene om professioneel trainer te worden. In het circus hebben we een academie opgezet; er trainen kinderen van allerlei achtergronden, ook hiv-besmette kinderen en straatkinderen. We treden op over de hele wereld, we hebben zelfs voor president Obama opgetreden.”

Tammy: “Tijdens mijn danstraining zag ik op een dag Jason trainen voor de circustent. Hij had geen T-shirt aan, wel mooie rode shorts. Ik regelde met een vriendin dat ik hem kon ontmoeten.”

Jason: “Ik vond Tammy heel mooi, maar al snel was ik nog meer aangetrokken tot haar kordate persoonlijkheid, ze weet wat ze wil. Toen we samen Eerste Rivier bezochten, werd er naar me geschreeuwd: ‘Whitey’! Ik heb me stilgehouden. Ik wist dat de broer van Tammy aanzien genoot en hij bleek de jongen in kwestie diezelfde avond te hebben opgezocht. Hij heeft wat klappen uitgedeeld. De volgende dag kwam die jongen mij een hand geven. Ik voelde me meteen welkom bij Tammy’s familie en gelukkig heb ik haar vader nog ontmoet. Toen hij me vroeg: ‘wanneer zien we jullie weer?’, wist ik dat hij mij accepteerde.”

‘Zelden wordt aangenomen dat wij samen zijn’ 

Alfonso Peters (1989), manager bij Waves for Change in Port Elizabeth. Vertegenwoordigt Zuid-Afrika bij het WK longboard surfen.
Emma-Jane Peters (1992), manager bij Waves for Change in Port Elizabeth.

Alfonso Peters (1989) en Emma-Jane Peters (1992) Beeld Hadas Itzkovitch en Anya van Lit

Alfonso: “Ik ben geboren in Mitchells Plain en groeide op in het nog armere Manenberg, een van de meest gevaarlijke townships in Zuid-Afrika. Ik verloor mijn vader toen ik twee jaar was, mijn moeder was een zware drinker. Op tienjarige leeftijd ben ik van huis weggelopen. Ik raakte op het slechte pad; ik beroofde mensen op straat, brak auto’s open. Ik werd opgepakt en belandde bijna in een zeer beruchte gevangenis Pollsmoor. Maar ik werd gered door een sociaal werker, die me begeleidde naar een tehuis en naar school. De school bood gratis surflessen aan. Toen ik op een longboard, op mijn eerste golf naar het strand surfte, voelde ik me vrij, alle nare gevoelens spoelden weg.”

Emma: “Ik ontmoette Alf in 2012, hij was mijn surfleraar. Het surfen heeft ons samengebracht, anders hadden we elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet. Mijn jongste zusje is geadopteerd, ze is Zulu. Mensen vroegen altijd aan ons: hoort zij bij jullie? In winkels werd ze nauwlettend in de gaten gehouden. Mijn vrienden reageerden eerst geschrokken dat ik geen blonde man met blauwe ogen had. Ik krijg van gekleurde vrouwen vaak scheve blikken, het voelt alsof ik hun man heb gestolen. Alfonso krijgt van gekleurde mannen high fives, alsof een witte vriendin een prestatie op zich is.”

Alfonso: “Emma heeft echt overal een antwoord op en ze is heel grappig. Maar het belangrijkste, ze is heel mooi, van binnen en van buiten. Op een keer liepen we ’s avonds naar een geldautomaat, er stopte een auto. Iemand vroeg aan Emma of ik haar lastigviel. We zijn gewend aan blikken van mensen, maar zelden wordt aangenomen dat we samen zijn. Dat is best schokkend.”

Emma: “Toen we de eerste keer de moeder van Alfonso bezochten, was ik heel bang na alle verhalen die ik over Manenberg had gehoord. Het werd er niet beter op toen zijn moeder me heel snel het huis in duwde om me te beschermen. Maar toen kwamen vrienden en familie me begroeten.”

Alfonso: “We hebben nu een zoon van zes maanden, met krulhaar en blauwe ogen. We zorgen ervoor dat hij gelijkwaardige kansen krijgt, maar ook dat hij iedereen, ongeacht ras, zal accepteren.”

‘Sommigen zijn bang voor iets nieuws’

Yoraya Nydoo (1992) manager van een restaurant
Werner Goss-Ross (1989) grafisch ontwerper en ­kunstenaar

Werner Goss-Ross (1989) en Yoraya Nydoo (1992) Beeld Hadas Itzkovitch en Anya van Lit

Yoraya: “Mijn ­familie woont al zes generaties in Zuid-Afrika, we belandden hier als slaven uit het zuiden van India. Ik groeide op in een kleine Indiase township bij het strand. Mijn moeder was een echte activiste, die vocht tegen apartheid en voor vrouwenrechten. Er kwamen altijd mensen over de vloer van allerlei rassen.”

Werner: “Ik kom uit een Afrikaanse Boerengemeenschap in Pretoria, iedereen was wit en racistisch. Mijn ouders besloten zich aan deze gemeenschap te onttrekken, we vertrokken naar Kwazulu-Natal. Hun gedachtengoed veranderde, het racisme verdween en zij gingen anders geloven. Ik werd in mijn nieuwe woonplaats en school geconfronteerd met een andere tweedeling, die tussen Afrikaners (afstammend van Nederlandse kolonisten) en Engelsen (afstammend van Britse kolonisten). Ik was ineens de Afrikaner op school.”

Yoraya: “Ook ik had problemen om me aan te passen. Als Indiase werd ik vaak door mijn eigen gemeenschap veroordeeld omdat ik niet aan de sociale verwachtingen voldeed, omdat ik tatoeages had, met blanke mannen uitging of op een bepaalde manier sprak. Toen we verhuisden van een Indiase township naar een wit gebied, was er soms vijandigheid jegens ons, omdat we de enige mensen van kleur waren.”

Onze beide families accepteren onze relatie, ze ondersteunen ons. We krijgen soms rare blikken van vreemden, maar dat kan ons echt niets schelen. Vanwege de apartheid waren we allemaal gescheiden, ideeën over andere rassen en culturen bleven altijd koken in één pot; een gerecht dat altijd op dezelfde manier bereid werd. Sommige mensen zijn bang voor iets nieuws, iets anders, verandering kost tijd.”

‘Hoewel verontrustend, lachen we liever om die pure domheid’

Wilma Schavemaker (1957), registeraccountant
Patric Mtshaulana (1954), advocaat

Wilma Schavemaker (1957) en Patric Mtshaulana (1954) Beeld Hadas Itzkovitch en Anya van Lit

Wilma: Mijn ouders waren hardwerkende boeren. Ik stam uit een katholiek en wit milieu. We hadden thuis geen tv, ook geen boeken. Maar ik was een slim kind en op school bloeide ik op. Mijn hele wereldbeeld veranderde toen ik wiskunde ging studeren in Amsterdam. Ik raakte betrokken bij de toenmalige PSP en de anti-apartheids­beweging.”

Patric: “Ik ben opgegroeid in Transkei, een van de tien aangewezen thuislanden voor de zwarte bevolking in Zuid-Afrika. Een mooi, maar zeer arm landelijk gebied. Ik werd opgevoed door mijn moeder en mijn oma, twee speciale vrouwen die grote invloed op mij hadden. Wilma en ik zijn dus groot geworden op een enigszins vergelijkbare manier: op het land, afgezonderd van andere culturen. Aan de universiteit raakte ik betrokken bij stakingen tegen de apartheid. In die tijd kwamen politiek activisten op Robbeneiland terecht. Ik ging daarom in 1976 het land uit. Ik deed een militaire opleiding van het ANC in Angola. Daarna gaf ik politiek onderwijs op de ANC-school in Tanzania.”

Wilma: “Mijn fascinatie voor Afrika begon al op jonge leeftijd, toen de zendelingen naar school kwamen om over Afrika te praten. In 1983 ging ik via de anti-apartheidsbeweging in Nederland wiskunde geven op de ANC-school in Tanzania, waar Patric ook ­lesgaf. We hadden elkaar al eerder ontmoet in De Balie in Amsterdam. Patric toerde door Nederland met een culturele eenheid van het ANC. Pas later, in Tanzania, werden we een stel.”

Patric: “In De Balie hadden Wilma en ik een behoorlijk intens gesprek over verschillende politieke onderwerpen. Toen ze wegging, realiseerde ik me dat het de eerste keer in mijn leven was dat ik zo’n ­felle interessante discussie met een vrouw was aangegaan. Waar ik opgroeide, ontmoette ik niet veel vrouwen zoals zij. Pas later in mijn ­leven besefte ik dat Wilma veel overeenkomsten heeft met mijn moeder, die ook een zeer robuuste en openhartige vrouw was.”

Wilma: “ Toen ik Patric sprak, voelde ik me zeer aangetrokken tot hem, ik zag geen huidskleur, hij was iemand met wie ik oprecht kon praten.”

Patric: “De kwestie van ­iemand met een andere huidskleur speelde latent een rol voor mij, een innerlijke stem zei me dat ik afstand moest houden, maar de aantrekkingskracht was er. Ik ben iemand die plannen maakt voor de toekomst. Ik probeerde me voor te stellen welke impact een relatie met een witte vrouw zou hebben op mijn leven en dat van mijn familie. Ook de angst voor andere culturen was heel groot. Ik ben opgegroeid in een helemaal zwarte omgeving en heb als jongvolwassene nooit echt contact gehad met witte mensen, buiten de politieke context.”

Wilma: “We zijn getrouwd in Tanzania, waar we in ballingschap leefden. In 1985 zijn we wegens een groot meningsverschil uit het ANC-kamp gezet en zijn we naar Nederland verhuisd. Patric ontmoette mijn familie, het was de eerste keer dat een zwarte persoon voet in mijn ouderlijk huis zette, en waarschijnlijk in het dorp. Mijn vader was bang wat de buren zouden denken. Mijn moeder was meer open, en mede dankzij haar werd Patric deel van de familie, geaccepteerd door mijn beide ouders.”

Patric: “Toen ik Wilma’s vader ontmoette, een blanke man die zo hard werkte voor zijn bestaan op de boerderij, veranderde er iets in mijn begrip voor de witte medemens. In Zuid-Afrika bezitten witte boeren een boerderij, maar de zwarten doen het werk.”

Wilma: “We keerden na de vrijlating van Nelson Mandela terug naar Zuid-Afrika. We vestigden ons eerst in Pietersburg, in het noorden van het land, wat een erg wit gebied was. We werden geconfronteerd met enkele extreme ­daden van haat. We moesten oppassen dat we niet met ­opzet overreden werden door een auto als we op straat liepen, omdat we een gemengd stel waren. In de winkels werd alleen tegen mij gepraat, ze zagen Patric als mijn helper. We hebben de politie eens ­gebeld na een inbraak in ons huis. Gewapende politieagenten met drie honden kwamen binnenstormen en probeerden Patric te overmeesteren. Ze waren ervan overtuigd dat hij de ­inbreker was en niet de eigenaar van het huis. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.”

Patric: “Het is pure domheid en hoewel verontrustend, lachen we er liever om. We hebben een tweede huis gebouwd in mijn dorp dicht bij mijn familie. En we bouwen nu aan een bibliotheek waar de lokale bevolking gebruik van kan maken. Het maakt me trots en blij om een partner van een andere cultuur hier te brengen. Wilma is deel van de familie, ze noemen haar zus. Ons leven is gewijd aan verbetering van het leven van de Zuid-Afrikanen. Nu zijn we ouder, onze kinderen zijn beiden verhuisd naar Nederland. We hebben hier een plek om tot rust te komen en we hopen dat het niet meer gaat over huidskleur, maar over de mens die achter de kleur schuilgaat.”

Het project Love Zone werd mede mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van het Postcode Loterij Fonds, van Free Press Unlimited en van het Verhalenfonds van Stichting Dialoog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden