Gemeenschappelijk Europees beleid blijft lachertje

Er mag dan een Verdrag van Amsterdam tot stand zijn gekomen, het ziet er niet naar uit dat dit het gebrekkige West-Europese optreden bij problemen in het eigen werelddeel zal verbeteren. De auteur is verbonden aan het instituut Clingendael in Den Haag.

MARTIN VAN DEN HEUVEL

In november 1990, na de ineenstorting van het communisme, zegden alle Europese staatshoofden in het Handvest van Parijs toe de democratie als enige regeringsvorm in heel Europa te consolideren en te versterken. In Europa zou een nieuw tijdperk aanbreken van democratie, vrede en eenheid.

Nu kunnen al die staatshoofden onmogelijk gedacht hebben dat de democratie in Oost-Europa en op de Balkan uit de lucht zou vallen. Het lag voor de hand dat er forse inspanningen nodig waren op de weg naar Europese veiligheid en democratie. Er was een beleid nodig tussen idealisme en realiteitszin. Dat betekende het steunen van democratische krachten in Oost-Europa. Maar ook het zich geheel of bijna geheel afzijdig houden in situaties waar de kans op slagen gering was.

Voor zo'n verstandig beleid was natuurlijk voortdurend goed West-Europees overleg vereist en soms concessies als de meerderheid van WestEuropese landen een andere mening had. Meer West-Europese eensgezindheid had de relaties met de VS niet hoeven verslechteren, maar had de Europese stem in Europese aangelegenheden wel van meer gewicht gemaakt.

Bekijken we de West-Europese mogelijkheden ten aanzien van Oost-Europese problemen aan de hand van twee voorbeelden, dan constateren we nog weinig samenwerking. In Albanië was, op zijn laatst bij de parlementsverkiezingen van mei 1996, duidelijk dat president Sali Berisha en zijn Democratische Partij er merkwaardige opvattingen over democratie op nahielden. De 'democraten' wonnen toen met veel gesjoemel en intimidatie 122 van de 140 zetels. De VS weigerden deze uitslag te erkennen, maar de Europese Unie legitimeerde dit bedrog. Dat had uiteraard een slechte invloed op de Albanese politiek.

Toen de spanning begin van dit jaar met de val van de piramidenfondsen snel steeg, was Europa weer niet tot een eensgezinde politiek in staat. Men moet daarbij een aantal dingen vaststellen: Wat men ook van de Italiaanse politieke cultuur mag denken, de Italiaanse bezorgdheid over Albanië was legitiem. Dat zou voor elk Europees land gelden dat opeens een golf van tienduizenden vluchtelingen over zich heen krijgt. Het was jammer dat niet meer landen dit Europese probleem gezamenlijk wilden aanpakken. Een gezamenlijke krachtdadige Europese ingreep had uiteraard meer invloed gehad dan de huidige tweedehandse.

Daar komt nog bij dat de huidige coalitie van Zuid-Europese staten er niet in geslaagd is een goed mandaat voor haar troepen en keiharde afspraken met Berisha te bewerkstelligen. Het doel van de OVSE (Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa)-troepenmacht in Albanië kan geen andere zijn dan zo eerlijk mogelijke verkiezingen die tot de afzetting van Berisha leiden. Het is overduidelijk dat Berisha het vertrouwen van grote delen van de bevolking heeft verloren en dat Albanië met hem niet uit het moeras kan komen. Als Berisha na oneerlijke verkiezingen en een onduidelijke uitslag weigert af te treden, kunnen de OVSE-troepen Albanië het best zo snel mogelijk verlaten. Maar weer is dan sprake geweest van een gebrekkige West-Europese reactie op een probleem in het eigen werelddeel.

De Baltische landen zijn een ander voorbeeld van een zwak West-Europees optreden. Estland, Letland en Litouwen waren tussen de twee wereldoorlogen onafhankelijk, maar werden in 1940 tegen hun zin door de Sovjet-Unie ingelijfd. Sindsdien heeft een bruut proces van russificering en sovjetisering plaatsgevonden. Letland bezat in 1990 nog maar 52 procent Letten en die vormden in de zeven grootste steden van hun eigen land een minderheid.

Het was dan ook logisch dat met name Estland en Letland na 1991 niet overliepen van haast om al 'hun' Russen staatsburgerschap te geven. Zij eisten daarvoor van deze burgers enige kennis van de landstaal en landsgeschiedenis. Dat lijkt niet onredelijk, want de Russen beschouwden de Baltische gebieden vóór 1991 meestal als een van hun vele provincies waar ze met hun eigen taal en cultuur volledig uit de voeten konden.

Nu vinden de meeste Russen nog steeds dat het Balticum eigenlijk van hen is. En dan heb ik het niet alleen over een extremist als Zjirinovski met zijn uitspraak: “Wij zullen de Balten dwingen met kleine bootjes naar Zweden te vluchten.” Jeltsins medewerker Rjoerikov spreekt van “massale grove schendingen van de rechten van honderdduizenden Russen in het Balticum op een schaal vergelijkbaar met de apartheid.”

De Russische overheid wordt al furieus bij het idee dat de Baltische staten in de Navo zouden worden opgenomen. Rusland houdt trouwens vast aan de fictie dat het Balticum in 1940 vrijwillig lid van de Sovjet-Unie is geworden en heeft delen van Estland en Letland in het eigen land opgenomen.

Nu kan het Westen op twee manieren regeren op deze Russische houding tegenover het Balticum. Het kan zich van de Baltische staten afwenden omdat het helaas niet lukt ze in de Navo op te nemen. Maar het kan ook proberen er voor de Baltische staten zoveel mogelijk op andere gebieden uit te slepen. De Duitsers (Kohl, Kinkel) waren kortzichtig hard in hun afwijzing om te proberen iets positiefs in Albanië te doen. Maar zij proberen juist weer wel te voorkomen dat Europa de Baltische republieken helemaal in de steek laat. Economische en culturele aanwezigheid in het Balticum kan ook Westerse waarden bevorderen. Europa moet naar zijn mogelijkheden blijven proberen vooruitgang te boeken. Struikelen mag, liggen blijven nooit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden