Gemakkelijker kunnen we het niet maken

De protestantse predikant Jurgen van den Herik won afgelopen zaterdag in de Nieuwe Kerk te Amsterdam de wedstrijd om de Preek van het Jaar. Hieronder de integrale weergave van zijn preek.

’Lezing: Johannes 21. In het evangelie vraagt Jezus drie keer aan Petrus: „Simon, heb je mij lief?” Jezus vraagt dus niet: „Leg nou eens uit wat je van mijn verkondiging vindt. Spreekt het je ook wat aan? Wat neem je mee en wat laat je liggen, van de dingen die ik zoal heb beweerd?” Nee, drie keer vraagt Jezus: „Heb je mij lief? Hou je écht van me?” En Petrus zegt: „Ja.” Drie keer: „Ja.”

Het is een emotioneel moment. Jezus kan háást niet geloven dat Petrus van hem houdt! En Petrus merkt dat. Blijkbaar moeten die twee elkaars hart veroveren. Petrus raakt er zelfs ontroerd van: „Maar dat weet hij toch, dat ik van hem hou? Ik en de anderen, die hier ook aanwezig zijn; natúúrlijk hebben we Jezus lief, dat spreekt toch zeker vanzelf?” En toch vraagt Jezus niet één, maar drie keer aan Petrus: „Hou je van me?” Jezus heeft aan een half woord bepaald niet genoeg. Wat zou dat zijn?

Het is géén wraak of straf: ’Jij mij drie keer verloochenen? Ha, ha, mannetje, wacht maar, ik krijg jou nog wel!’ Dat kan ik me niet voorstellen trouwens, ik wíl het me niet eens voorstellen. De kerk is niet gebouwd op een wraakoefening of een strafexpeditie. Hoewel je dat soms wel zou kunnen gaan denken wanneer je de kerk bezig ziet in de wereldgeschiedenis. Nee, de kerk is gebouwd op deze intieme en emotionele relatie tussen God en mens, tussen Jezus en Petrus.

En als er na Judas ook nog eens een compleet evangelie van Petrus uit Egypte wordt gesmokkeld – tja, ik weet niet of het dan niet allemaal weer anders komt te liggen. Maar goed, dit hebben we dan toch maar weer, vanmiddag hier in de Nieuwe Kerk, in Amsterdam. Dit kan niemand ons meer afnemen!

Het is, denk ik weleens, eigenlijk allemaal emotie: de kerk. Van meet af aan. Emotie is zoiets als: geraakt zijn en daardoor bewogen worden. Jezus die – zeg maar – verwonderd is en tot drie keer toe begint: „Simon, zeg het me nou nog ‘s...” en Petrus die tot drie keer toe volhoudt: „Je wéét toch dat ik van je hou, ik en de anderen hier.”

Maar, en dat is het punt: dat weet Jezus blijkbaar níet! Althans niet vanzelfsprekend en niet zomaar één-twee-drie! Die verwondering van Jezus, dat Petrus van hem houdt, ráákt aan de verwondering van God zelf. De God van Israël, wanneer blijkt dat zijn volk hem begint lief te hebben. Daar heeft het mee te maken.

Eigenlijk is dat de verwondering die wij zouden moeten leren! Leren serieus te nemen, bedoel ik dan. Voorzover de christelijke kerk wil leven van de verwondering, zou het wellicht iets daarvan moeten zijn. Want anders blijft al het andere een kwestie van wereldbeschouwing, mensbeeld en dergelijke. Voor mijn part is het ‘goed doen’ in de wereld, allemaal niets op tegen, integendeel. Burgermansfatsoen, en gelukkig vaak méér dan dat. Maar van God nog altijd los, althans, niet vanzelfsprékend aan Hem vást, laat ik het zo maar zeggen. Niet vanzelfsprekend. En dan wordt de kerk te snel een podium voor onze eigen kunsten, liturgische kunsten, organisatorische acrobatiek, inclusief een financiële salto mortale!

Maar de gemeente van Jezus Christus is gebouwd op een emotionele toenadering tussen Jezus en Petrus. Hartstocht is het. Passie. Het is iets wat de wereld tegenwoordig keihard ‘soft’ noemt. Maar zó en via deze hartstocht wordt Simon tot Petrus, ‘rots’!

En ná de liefdesverklaring, als directe consequentie daarvan, volgt dan steeds een praktische opdracht: „Hoed mijn lammeren.” „Weid mijn schapen.” Telkens anders geformuleerd. Geen herhaling van zetten. Het is dus niet zo dat de wijze van hoeden en de intensiteit daarvan de bedoelde liefde teweeg zouden moeten brengen; nee, het is juist omgekeerd: deze líefde is vruchtbaar (!) en brengt het pastoraat en het diaconaat teweeg. Vanuit deze liefde ontstaat dus een heilzame verhouding tot de anderen.

Goed, maar nu kom ik terug op mijn eerdere vraag, en daar wil ik het nu graag de rest van de tijd die ik nog heb – althans hier in uw midden – over hebben. Waarom vindt Jezus dat nodig om zo nadrukkelijk te horen dat Petrus van hem houdt? Geen wraakoefening dus, geen straf, maar blijkbaar ook niet vragen naar de bekende weg. Dat zou vreemd zijn, als Jezus naar de bekende weg begint te vragen.

Om dat te begrijpen moeten we voortdurend in de gaten houden dat dit geen gemakkelijke liefde is. Geen doktersroman. Het ging namelijk tot nu toe niet van een leien dakje. Goede Vrijdag ligt bij allebei nog veel te vers in het geheugen en dat brengt nu iets ongemakkelijks met zich mee. Maar dat hoort er blijkbaar bij in het evangelie. En het is een ongemakkelijkheid waar Jezus zich álles bij kan voorstellen. Hij wel!

Maar wij, wij leven echter in een cultuur waarin we zo weinig mogelijk last willen hebben. Zo min mogelijk ongemak. We vinden zelfs de belofte van Jezus dat zijn juk zacht is en zijn last licht al niet zo aantrekkelijk meer. In plaats van een lichte last hebben we bij voorkeur helemaal nérgens last van. Belastingvrij!

Het ongemakkelijke van het evangelie wordt dan ook, in de hedendaagse opvattingen over Jezus, wel eens weggemasseerd met de theologische massage-olie van een modern, optimistisch, mensbeeld. En ik zie, eerlijk gezegd, – maar dat moet maar liever een beetje onder ons blijven, zou dat wel lukken, denkt u? – óók de evangelische beweging, die mij lief is hoor, want daar is veel verlangen naar de passie en de hartstocht waar ik het met u over heb, maar ik zie dat wel vaak dezelfde kant opgaan in een keuze voor vlotte eenvoud en gemakkelijke toegankelijkheid. Dus: gráág de liefde, maar liefst onbekommerd. Veel blijdschap, en liever geen verdriet. Bergtoppen, maar zonder dalen. Verzoening, en geen offer. Liever zingen van de bruiloft dan nadenken over de buitenste duisternis, terwijl Jezus toch, lieve mensen, zijn hart vasthoudt en hoopt en bidt dat niet uiteindelijk toch nog vijf van de tien maagden...

Sommigen willen in de kerk – en is dat niet kenmerkend? – liever geen preek meer. Een enkeling zelfs niet voor een wedstrijd. En inderdaad zit in het woord ‘preek’ in onze taal ook altijd iets van: last, klacht en ongemak. ‘Hij stak een preek tegen me af’ is niet hetzelfde als ‘hij sloeg zijn arm om mijn schouder’. Hoewel dat laatste wel goed zou zijn, wanneer dat vervolgens óók gebeurt!

Wij leven toch in een cultuur, zeg nou eerlijk, die bij de tweede vraag van Jezus al zou hebben geroepen: „Nou moet u ophouden met dat vragen. Het moet geen gunst worden!” Maar Jezus hield niet op. Hij wil aan een half woord van ons niet genoeg hebben. Dat is misschien wat ongemakkelijk maar tegelijk ook een zegen! Want zo worden we voluit serieus genomen. U wordt voor vol aangezien! U en de anderen, die naast u zitten, en voor u, en achter u, in deze Nieuwe Kerk, in Mokum!

Jezus denkt nooit: ‘Het zal wel zus of zo zitten.’ Hij wil het heel graag van u weten, van u horen. Om mee te beginnen. Telkens opnieuw.

Wat u te bieden hebt en waarvan u zelf misschien wel eens denkt: ‘Doet dat er wel werkelijk toe?’ Juist dát klinkt hem als muziek in de oren. Want stille liefde is in dit verband niet je-dat! Niets liever dan: úw genegenheid. Niet uw meningen of opvattingen óver hem. Niet wat er soms in uw hoofd rondspookt maar dat waar uw hart sneller van gaat kloppen: uw uitgesproken liefde. Telkens opnieuw. Om mee te beginnen.

Amen.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden