'Gelukkig Nieuwjaar en val dood'

“Toen ik hier kwam wonen”, zegt een inwoner, “zeiden ze dat het hier de rimboe was.” Het viel reuze mee. Natuurlijk, er werd wel gevochten. De ene straat tegen de andere, het ene dorp tegen het andere. Maar er was ook gezelligheid, saamhorigheid. “Als je hier ziek werd, en dat was ik nogal eens, dan zei de buurvrouw: Zal ik de aardappels voor je schillen?”

Regisseur René Roelofs kreeg een Gouden Kalf voor zijn documentaire 'Kerstmis in Floradorp', die vanavond bij de NPS wordt uitgezonden. Floradorp, een wijk in Amsterdam-Noord, is in de jaren twintig gebouwd voor de asociale gezinnen die moesten verhuizen uit volkswijken die werden afgebroken. In de nieuwe dorpen moesten ze worden opgevoed tot betere mensen. Na tienen mochten ze niet meer de poort uit en een woningopzichter hield in de gaten of het bij de gezinnen thuis niet te veel een zootje werd.

Inmiddels zij de opzichters verdwenen, maar wonen de oude bewoners, hun kinderen en kleinkinderen nog steeds in Floradorp. De gevechten tussen de verschillende dorpen zijn ook gestopt. Maar kerstmis, een traditie in Floradorp, wordt nog altijd groots gevierd. Alle ramen worden versierd met linten, spuitsneeuw, plastic kerstmannen en rendieren.

“Dit raam is wel heel bijzonder”, zegt een stel dat langs de straten trekt met een lijstje. Zij zijn de jury voor de jaarlijkse kerstramenwedstrijd. Maar achter de rijkdom van de ramen, waaraan sommige bewoners jaarlijks honderden guldens uitgeven, gaat nog altijd een wereld van armoede en ellende schuil.

Voor de camera leggen de bewoners uit wat Floradorp voor hen betekent. “Wat is asociaal?”, vraagt een man die uit de oude wijk Kattenburg naar Floradorp werd verplaatst. “Dat zijn niet alleen moordenaars en dieven. Daar bedoelden ze ook armen mee. Maar asocialen zijn voor mij mensen die zich niets aantrekken van de wet of hun omgeving. Dat is iets anders.”

De bewoners van Floradorp komen aan het woord zonder naam of titel. Ze praten over hun leven. Eerst alsof het een heel gewoon leven is, maar later blijkt dat ze stuk voor stuk veel ellende hebben meegemaakt. “Ik heb twee kinderen dood”, zegt een oudere vrouw later in de uitzending. Eerst is ze nog vrolijk, alleen een beetje raar. “Jezus is mijn grootste schat”, zegt ze dan. “Ik ben verliefd op hem. Dat mag je heus wel weten hoor, daar schaam ik me niet voor. Dat mag iedereen weten. Hij geeft me liefde, troost.”

Een man op de bank in een woonkamer achter een kerstraam vertelt: “Ik was voorman bij een onderaannemer. Ik draaide twee diensten per dag. Anders kon ik mijn gezin niet onderhouden. Ik had acht kinderen. Van dat werk heb ik nou de mankementen. Met dat been komt het nooit meer goed. Het is altijd moe, als ik 's ochtends uit bed kom en als ik 's avonds naar bed ga. Als ik niet oplet gaat het slepen.”

Een platinablond geverfde vrouw in een andere woonkamer zegt: “Ik woon hier al twintig jaar. Dit is mijn man, en dat is mijn danspartner. Ik wilde hem eerst helemaal niet. Hij vroeg op dansles steeds of ik bij hem kwam zitten, daar moest ik miks van hebben. Maar later wist ik dat hij al prijzen had gewonnen. Toen is hij mijn danspartner geworden. Daar hebben we veel plezier van gehad, veel gedanst.”

Maar het dansen is verleden tijd. “Vorig jaar kreeg ik een knobbeltje op mijn schouder. Ik moest geopereerd worden. Ik kon een heel jaar niet dansen. Nu ben ik veertien kilo aangekomen en pas ik niet meer in mijn jurken.”

Een man met een baard: “Ik heb overal gewerkt. Soms had ik twee bazen op een dag. Nergens bleef ik lang. Op het laatst werkte ik bij de gemeente. Daar kreeg ik ruzie met mijn baas. Ben ik ontslagen. Ik denk wel eens: Had ik mijn mond maar gehouden.”

“Mijn vrouw werd ziek. Ze hadden haar opgenomen, ze zeiden eerst dat het drank was. Later bleek ze iets aan haar hormonen te hebben. Toen ging ze naar Santpoort. Daar heb ik haar uitgehaald. Medicijnen weggegooid, alles. Eerst kwam het Riagg nog wel eens langs om te vragen hoe het ging, maar die zie je nu ook niet meer. Zolang ze gezond is, gaat het goed vind ik. Geen medicijnen meer. Maar ze is wel wat verwarrend. Je kunt haar iets vragen en dan geeft ze antwoord, maar even later weet ze het al niet meer.”

Een jong meisje zit bij haar moeder op de bank. Op haar schoot zit een jongen van een jaar of vijf. “Ik had drie jaar verkering met een Turk. Maar toen heeft hij mij beschuldigd, en heeft mijn moeder hem de deur uitgezet. Later zei mijn zus dat ik zo dik werd. Mijn moeder ging zich zorgen maken. We gingen naar de dokter. Ze is acht maanden zwanger, zei die. Toen heeft mijn vader het kamertje maar uitgeruimd. Ik heb tegen mijn zoon gezegd: Als er een auto aankomt en er zit een Turk in, moet je nooit meegaan. Dat weet 'ie.”

De dochter heeft steun van haar moeder. Dat geldt niet voor iedereen. De man met de baard zegt: “Iedereen verstuurt kerstkaarten. Gelukkig Nieuwjaar en zo, maar even later zien ze je niet meer. Ik heb nu ook kerstkaarten. Daar staat op 'Gelukkig Nieuwjaar en val dood'. Wie zich aangesproken voelt kan dat in zijn zak steken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden