Gelukkig is onze republiek met haar erfelijk staatshoofd

Laten we nuchter zijn: een discussie over 'monarchie' of 'republiek' komt neer op de vraag wat het ambt van staatshoofd in Nederland inhoudt. Historische en mythische suggesties rond het 'koningschap' kunnen leiden tot sterke emoties ten gunste daarvan (zoals bij Oranjeverenigingen) en even sterke emoties contra (zie René Zwaap in het Media-katern van 31 januari). Belangrijker is de vraag welke taak een staatshoofd heeft binnen een parlementaire democratie als de onze.

Die taak is wezenlijk, maar inhoudelijk bescheiden. De handtekening van het staatshoofd onder staatsstukken garandeert dat deze op de constitutioneel juiste manier tot stand zijn gekomen. Naast deze formeel-politieke rol is er een maatschappelijk-politieke. De innerlijke samenhang van Nederland als staatsgemeenschap hangt van vele factoren af. Een daarvan is de ervaring van een minimum aan nationale identiteit. Zonder deze identiteit hebben de nationale staatsinstellingen onvoldoende ondergrond in de bevolking. Tot dat minimum aan nationaal bewustzijn dragen bij: gemeenschappelijke taal, geschiedenis, cultuur, gewoonten, media, popmuziek en oranje hemden bij sportwedstrijden, enzovoort. En ook het ambt van staatshoofd, dat wordt geacht boven partijtwisten en andere tegenstellingen te staan, de eenheid van het land te symboliseren en deze uit te dragen. Wanneer je er van jongs af aan voor wordt opgevoed dan heeft dat voordelen.

Wij zijn al lang een republiek: een land waar het uitoefenen van gezag is gegrondvest op de wil van de burgers. Een monarchie is een land waar het gezag wordt ontleend aan privileges van bepaalde klassen, of personen om dat gezag uit te oefenen, gebaseerd op historische rechtsaanspraken of feitelijke, soms door geweld gevestigde, machtsuitoefening. Wij zijn al vanaf 1568, het begin van de opstand tegen Filips II van Spanje, een republiek. Dat uit zich in het staatsbestel, maar is ook te merken aan de maatschappelijke verhoudingen, de zelfbewustheid van de burgers en hun betrokkenheid bij de openbare zaak.

In de vorige eeuw zijn we heel even een monarchie geworden, tussen 1814 en 1848. Op de puinhopen van de Franse bezetting (1795-1814) werd, samen met het huidige België, door de toenmalige grootmachten het Koninkrijk der Nederlanden geschapen met de zoon van onze laatste stadhouder als koning (Willem I). Deze hield er monarchale opvattingen op na. In 1848 was heel Europa in de greep van liberaal-democratische hervormingen. Thorbecke en de zijnen maakten er gebruik van om de overmacht van het parlement te vestigen tegenover Willem II. In de vorige eeuw bleven onder Willem III nog monarchische restanten aanwezig. Maar sinds de tijd van regentes Emma (1890) en koningin Wilhelmina (1898), en zeker na de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917, spreken wij onverkort van Nederland als parlementaire democratie. Bij ons is het laatste woord, het politieke oppergezag, aan de Staten-Generaal (met name aan de Tweede Kamer) en aan niemand anders. Ons staatshoofd 'regeert' dus alleen in de formele zin van het woord. In feite regeert de ministerraad, met het vertrouwen van een Kamermeerderheid en medewerking van de Kamers voor begrotingen en wetten. Alles wat het staatshoofd politiek doet behoeft instemming van het kabinet. Daar zit niks monarchaals in.

Dat sluit niet uit dat het staatshoofd invloed kan hebben. Zijn persoonlijk optreden bij openbare gelegenheden is toonaangevend en spraakmakend. Blijk van belangstelling voor specifieke zaken betekent steun daaraan. Maar ook binnen de regering (van kabinet en staatshoofd) is er invloed, tijdens gesprekken met leden van het kabinet. Een staatshoofd is goed op de hoogte, zit er meestal langer dan de ministers, kan dus goede raad geven. Maar het blijft raad. De ministers beslissen. Zíj zijn verantwoording schuldig aan het parlement.

Heeft ons staatshoofd nóoit politieke macht? Soms heel even, tijdens het formeren van een kabinet. Dan kan het staatshoofd beslissingen moeten nemen met politiek gevolg. Het staatshoofd doet dat na zorgvuldig alle fracties in de Tweede Kamer te hebben gehoord. Beslist een meerderheid daaruit dat er die en die coalitie moet komen met die en die minister-president, dan heeft het staatshoofd dat slechts te aanvaarden. Maar wij hebben nu eenmaal (in 1918) gekozen voor een evenredig kiesstelsel voor de Tweede Kamer dat een veelheid van partijen en dus verscheidene coalities mogelijk maakt. De fracties in de Tweede Kamer moeten daarom onderhandelen. Wij hadden ook een kiesstelsel kunnen invoeren waarbij de kiezers zelf een meerderheid aanwijzen, of een kabinetsformateur/premier kiezen. Maar zonder zo'n kiesstelsel moet het staatshoofd soms een beslissing helpen nemen als de Tweede Kamer er bij een formatie niet zelf uit weet te komen. Dat is dus ons eigen schuld.

Het staatshoofd wijst de (in)formateur natuurlijk zo aan dat de kans op een meerderheid in de Tweede Kamer optimaal is. Dus veel ruimte heeft zij of hij niet. Ook deze bescheiden politieke rol van ons erfelijke staatshoofd maakt ons dus nog niet een monarchie. Trouwens, onze Duitse buren hebben een president, gekozen door de volksvertegenwoordiging. Zijn rol als staatshoofd wijkt niet sterk af van die van de onze. Ook hij heeft geen politieke verantwoordelijkheden, al heeft hij iets meer bevoegdheden. Het Duitse staatshoofd zit daar echter bij gratie van de wil van de parlementsmeerderheid en van diens politieke leider, bondskanselier Kohl. Hij is een partijman, al probeert hij dat, eenmaal in zijn ambt, zo weinig mogelijk meer te zijn. Als hij zijn bescheiden bevoegdheden uitoefent kijkt de oppositie met nog groter wantrouwen toe dan bij ons wordt gekeken naar het staatshoofd bij de formatie.

De rol van staatshoofd is bij ons dus wezenlijk en toch bescheiden. Omdat die wezenlijk is moeten wij ervoor zorgen dat die bekwaam wordt vervuld. Omdat die bescheiden is zijn snorkende beweringen over democratische verantwoording niet terzake. Zelfs voor die bescheiden rol zijn de ministers ten volle aan het parlement verantwoording verschuldigd - soms bij de formatie achteraf. In 1939 is inderdaad het vijfde kabinet-Colijn naar huis gestuurd door de Tweede Kamer omdat deze het resultaat van de formatie afkeurde. Willen wij die incidentele politieke rol van ons staatshoofd niet, dan helpt het ons weinig om voortaan ons staatshoofd te kiezen. De gekozen president staat voor hetzelfde probleem, terwijl hij minder bovenpartijdig zal zijn dan het erfelijke staatshoofd. Wij moeten dan zorgen dat de Kamer, of de kiezer, uitmaakt wie er formateur wordt.

Ik heb met opzet almaar het weinig opwindende 'staatshoofd' gebruikt. Zakelijke discussie moet mogelijk zijn over een bij erfopvolging aangewezen staatshoofd, of die haar werk goed doet en of zij politieke invloed mag hebben. Die discussie moet worden verlost van de historische en emotionele beladenheid van het begrip 'Koningin, bij gratie Gods'. Als ik dan stel dat ons huidige staatshoofd inderdaad haar werk uitstekend verricht en dat het aan tekortschieten van de Tweede Kamer ligt wanneer het staatshoofd bij formaties soms een knoop moet doorhakken, dan heb ik de discussie uit de sfeer van de mythe gehaald. Mochten wij met zijn allen ooit tot de conclusie komen dat ons staatshoofd haar of zijn werk niet naar behoren verricht, dan moet er zeker een zakelijke politieke discussie plaatsvinden over handhaving van het erfelijk koningschap. Op dit moment, met alleen als aanleiding de zestigste verjaardag van de Koningin, slaat die discussie nergens op. Dat is te meer waar als die gevoerd wordt met niet meer toereikende en geladen begrippen als 'monarchie' en 'republiek'. Want een monarchie zijn we al lang niet meer.

Van de argumenten die Co Welgraven (Podium, 31 januari) in zijn bijdrage aandraagt voor 'de republiek' verdient er één nog bespreking. Kun je iemand een zo zwaar ambt opleggen? Daarover debatteerde de Tweede Kamer toevallig op 13 januari, naar aanleiding van een verder onbelangrijke wijziging van de Grondwet over de voogdij over de minderjarige koning. De vraag was: moet degene op wie dit ambt afkomt niet kunnen zeggen: laat dit aan mij voorbijgaan? Dat laat de Grondwet niet toe, althans niet vooraf. Wel kan de troonopvolger, eenmaal koning(in) geworden, afstand doen. Dus van een onontkoombaar noodlot is geen sprake. Dat zou ook te gek zijn. Minister Dijkstal zei in dat debat met enig recht: laat de kwestie van de troonopvolging geen open kwestie zijn die afhankelijk is van twijfels waarvan wellicht ooit een troonopvolger zou doen blijken. Want dan zijn er groepen in de samenleving te vinden die hun best zullen doen om hem de lust te benemen. Bovendien, ook hier geldt dat dit bezwaar voorshands van theoretische aard is.

Je kunt er bij ons dus rustig republikeinse gevoelens op na houden. Dat is niet in tegenspraak met het feit dat je er - om redenen van de traditie en vanwege de kwaliteit van de geleverde prestaties - geen moeite mee hebt dat ons niet-politieke staatshoofd langs de weg van erfopvolging wordt aangewezen. Gelukkig is zo'n land.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden