Geluk was een dag aan een vijver

Rutger Kopland, een van Nederlands meest gelezen dichters, overleed vorig jaar. De praterige, persoonlijke toon waarmee hij het menselijk bestaan ontrafelde, maakte hem erg geliefd. Deel 9 van de mooiste poëzie geselecteerd door Trouw.

Een wandeling in het bos, een zomeravond op een bankje in de tuin, het kiezen van een ansichtkaart, kleine gebeurtenissen kunnen bij Rutger Kopland (1934-2012) aanleiding zijn voor een gedicht. Zulke alledaagse momenten geven je vaak het gevoel zoiets al eerder te hebben meegemaakt, gezien, gevoeld. En dat inspireert deze dichter. In een kort dagboek (opgenomen in zijn 'Verzamelde gedichten') beschrijft Kopland nauwgezet de totstandkoming van een gedicht waarvan de eerste regel zich aandiende in de Drentse bossen. "Ik was daar nog nooit geweest, maar herkende het voortdurend. Dat gevoel dat iets nieuws en tegelijk vertrouwds geeft, dat gevoel is mijn poëtische motor."

Het begon halverwege de jaren zestig, toen Rutger Kopland, een paar gedichten aan criticus Aad Nuis liet lezen. Nuis was enthousiast en nam er meteen een paar op in het literaire tijdschrift Tirade. Toch was dichten voor Kopland aanvankelijk vooral een nevenactiviteit: als Rudi van den Hoofdakker, hoogleraar psychiatrie, was hij verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij onder meer onderzoek deed naar depressie.

Ver lagen de wetenschap en de poëzie niet uiteen. Een van de stellingen in zijn dissertatie luidde zelfs: "Er is geen wezenlijk verschil tussen wetenschappelijk onderzoek en het onderzoek dat wordt verricht door de dichter bij het maken van een gedicht." Kopland groeide uit tot een van de geliefdste en meest gelezen dichters van Nederland. Zijn werk werd bekroond met vele prijzen, waaronder in 1988 de P.C. Hooftprijs, en tien jaar de VSB Poëzieprijs voor zijn bundel 'Tot het ons loslaat'.

De jury van die laatste prijs typeerde Koplands gedichten als 'voorlopige verkenningen'. Zijn poëzie is een steeds herhaalde poging iets van de veelheid van het menselijk bestaan te ontrafelen, zonder overigens op een antwoord uit te zijn, want: 'Wie wat vindt heeft slecht gezocht.'

Kopland onderzoekt via welk spoor een geur terugvoert naar vroeger, hoe onze observaties verbonden zijn met gebeurtenissen in het verleden. Om collega-dichter Gerrit Krol te citeren: 'Niet te beschrijven/ wat een geur doet in je neus/ en in het weke van je hersenen,/ een bloem,/ strandlucht.' Koplands poëzie is een steeds herhaalde poging juist daar woorden aan te geven, een poging geluk, verlies en weemoed opnieuw op te roepen. 'Woorden vinden voor wat er niet was voor die woorden er waren.'

Met zijn typerende parlandostijl, zijn kalme, praterige, persoonlijke toon betrekt Kopland de lezer al snel bij zijn gedichten. Maar hij weet altijd boven het particuliere uit te stijgen. Neem het gedicht 'Johnson Brothers Ltd' dat een herinnering beschrijft aan vroeger, aan de tijd 'toen mijn vader nog groot was'. Het is een dubbelzinnig gedicht, dat vader zowel op een haast goddelijk voetstuk plaatst als hem tot gewone sterfelijke proporties terugbrengt. Weemoed, verdriet om een verloren tijd wordt min of meer onschadelijk gemaakt door een zekere ironie, die overigens in het latere werk van Kopland nauwelijks te vinden is:

Kijkend in het porseleinen fonteintje uit

de dertiger jaren met de twee lullige leeuwen:

Johnson Brothers Ltd, hoog in het dood-

stille huis het droevige sloffen van moeder,

jezus christus vader, komen de tranen

om nu en om toen, vloeien ze samen

(...)

Dat Koplands poëzie vaak als weemoedig wordt getypeerd, komt ook doordat zijn gedichten iets oproepen wat hijzelf zo omschreef: "Iedereen treft in mijn poëzie het verloren paradijs aan, het verlangen daarnaar." In 'Onder de appelboom', een van zijn vroegste gedichten, wordt zo'n alledaagse, paradijselijke situatie geschetst. Er gebeurt niet veel in deze idylle, die in vele varianten in het oeuvre te vinden is: een man gaat in de tuin onder een boom zitten en mijmert wat. Iemand komt naast hem zitten. Maar enscenering is niet waar het om gaat, wel om wat die oproept en hoe daarbij alle zintuigen worden beroerd. Het gezichtsvermogen: 'een blauwer wordend licht hing/ in de appelboom', de reukzin: 'de dingen/ van de dag verdwenen voor de geur/ van hooi', en het gehoor: 'en later hoorde ik de vleugels/ van ganzen in de hemel'.

Opvallend hier, en in het hele oeuvre, is de grote verbondenheid met de natuur. Met het Groningse land, de Drentsche Aa, de bossen, de tuin. En met de dieren, 'het vee', de vogels, de hond. De dichter wandelt graag, of zit op één plek en kijkt naar het uitzicht: 'Want dit kijken is wachten en niet weten/ waarop ik wacht.' Koplands werk is doortrokken van het besef dat natuur slechts aan de buitenkant te begrijpen is; dat bomen, de rivier en het gras geen bewustzijn of ziel hebben en dat dát hun wezen uitmaakt: de wereld is onverschillig, de mens spiegelt zijn eigen bewustzijn aan wat hem omringt, wat even ontluisterend als troostrijk kan zijn.

Geluk was een dag aan een vijver

in gras met bomen

tot in de hemel omkringd

ik was er het kind van god en

mijn grootvader - beiden stierven

geluk is gevaarlijk

(...)

"Ik wil laten zien dat dichten een manier van omgaan met de werkelijkheid is en niet een manier van vastleggen of afsluiten van de werkelijkheid", vertelde Kopland in een interview. Dat proces, dat zoeken, dringt zich in de loop van de tijd op de voorgrond in zijn poëzie. Een persoonlijke houding maakt daarbij plaats voor een objectievere, met hooguit voorlopige uitkomsten:

Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom

wat wij vinden niet is

wat wij zoeken?

Laten we de tijd gaan

waarheen hij wil,

en zien dan hoe weiden hun vee vinden,

wouden hun wild, luchten hun vogels,

uitzichten onze ogen

en ach, hoe eenvoud zijn raadsel vindt.

Zo andersom is alles, misschien.

Ik zal dit uitleggen.

Koplands late poëzie is vooral een poging om over de grens te kijken, naar de tijd dat wij er niet meer zijn. De gedichten zijn steeds vaker oefeningen in afwezigheid, waarvoor de dichter almaar minder woorden nodig heeft. De taal wordt kaler en verstilder. Weemoed maakt plaats voor berusting.

Onze gesprekken werden langzaam

onze vragen beantwoordden we met kijken

naar de langzame wereld om ons heen

Die langzame, verre blik zou een uitzicht op een hiernamaals kunnen zijn, een plek die wij niet kennen en die dichterbij komt naarmate de dood nadert. De dichter gelooft niet in een god. Wel in poëzie, en dus krijgt het hiernamaals in de reeks 'Aan het grensland' in taal gestalte.

Je kijkt over het land de ontelbaarste keer

in je leven naar waar het ophoudt

je zegt tegen ons dit is het grensland

het laatst van de aarde hier om ons heen

je zou willen weten wat voorbij daar is

voorbij het steeds maar weer zichtbare zelfde

je zoekt in de schimmige einder iets als

een gezicht maar van wat of van waar

je denkt aan je jeugd aan 1 Korintiërs 13

nu kijken we nog in een wazige spiegel

maar straks staan we oog in oog

Het einde is open. Een laatste punt is er niet, zoals zijn hele, raadselachtig heldere oeuvre een illustratie is van de regel in 'De laatste bevindingen': 'Wij zoeken nog koortsachtig naar formules.'

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden