Geluk is iets anders dan nut

Wat maakt het leven zinvol, hebben filosofen zich door de eeuwen afgevraagd. Even prangend is de vraag naar de zin van het leven als zodanig. Twee boeken schetsen de zoektocht naar de antwoorden.

Peter Venmans: Over de zin van nut, Een filosofisch essay. Atlas, Amsterdam. ISBN 9789045006307; 303 blz. euro 22,90

Terry Eagleton: De zin van het leven. Atlas, Amsterdam. ISBN 9789045004600; 175 blz. euro 19,90

Volgens Schopenhauer, altijd goed voor een zwartgallige uitspraak, is het leven een onderneming die niet rendeert. Maar dan pak je het volgens de filosofen die in Venmans’ ’Over de zin van nut’ aan bod komen toch niet goed aan. Want die filosofen dachten dat je je moest richten op nuttige handelingen die zinvol zijn omdat ze ons gelukkig maken.

De grondlegger van die gedachte was de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832). Volgens Bentham wordt het menselijk gedrag bepaald door onze behoefte pijn te vermijden en plezier te vermeerderen. Bij Bentham is er weinig onderscheid tussen geluk en nut; het gaat hem om de maximalisering van ons geluk en alles wat daaraan bijdraagt is nuttig. Het principe dat hem beroemd heeft gemaakt is dat van ’het grootste geluk voor het grootste aantal mensen’.

Bentham staat erom bekend dat hij zijn utilitarisme (nuttigheidsdenken) nogal ver doordreef. Zijn denken was calculerend: met de minst mogelijke middelen de hoogst mogelijke resultaten bereiken. Hij heeft allerlei maatschappelijke projecten opgesteld waarin mensen worden aangezet zo efficiënt mogelijk te handelen, gericht op het bereiken van maximaal resultaat.

Venmans maakt duidelijk dat Bentham een denkfout beging toen hij geluk en nut met elkaar gelijkstelde. Bentham is te veel een boekhouder die van het leven een rekening van winst en verlies heeft gemaakt. Er is meer dan het nuttige alleen dat ons gelukkig maakt. Je leven langs een liniaal leggen en je bij alles wat je doet afvragen of dat wel nuttig is, maakt misschien wel ongelukkig.

Voor veel mensen, vooral filosofen, is Benthams utilisme banaal en oppervlakkig. Venmans heeft dan ook meer waardering voor John Stuart Mill (1806-1873) die Benthams opvatting van nut en geluk heeft genuanceerd en uitgebreid. Ook Mill was utilitarist maar hij verving berekening door deliberatie; het geluk is dan niet meer de uitkomst van een rekensom maar het resultaat van beredeneerde inschatting. En terwijl er bij Bentham in naam van het nut mag worden gemanipuleerd en gedirigeerd, is bij Mill vrijheid een belangrijke voorwaarde voor geluk.

Bovendien gaat het bij Mill, anders dan bij Bentham, niet alleen om de bevrediging van behoeften die ons gelukkig maakt, maar ook om de ontplooiing van onze veelzijdigheid. Mill maakte het nuttigheidsdenken menselijker en warmer en volgens Venmans daarmee ook tot een vandaag nog volwaardige manier van denken over de samenleving.

Het Engelse utilitarisme heeft zijn opvolger gekregen in het Amerikaanse pragmatisme. Amerikaanse pragmatisten wilden schoon schip maken met de oude Europese filosofie. Die was volgens hen blijven steken in bespiegelingen over de werkelijkheid en haarkloverijen over de waarheid. Filosofen als Hegel hadden het over het ’Absolute’ en de ’Geest’, waar geen zinnig mens nog een touw aan kon vastknopen en wat volgens William James (1842-1910), een van de grondleggers van het pragmatisme, een hallucinerend effect had. Filosofie moest praktisch worden, nadenken over de middelen waarmee je met vallen en opstaan een gelukkiger wereld kunt maken: denken is doen. Pragmatisten pleiten voor een geëngageerde filosofie.

John Dewey (1859-1952), misschien wel de meest bewonderde pragmatist, heeft dat waargemaakt. Hij schreef voor kranten over actuele onderwerpen, stichtte een school in Chicago, was actief in lerarenbonden, en pleitte voor democratie aan de basis. Dewey zou enthousiast zijn geweest over het ’studiehuis’, vanwege het pragmatische karakter ervan. En als dat in de praktijk niet werkt dan ontwikkelen we een ander en beter instrument. Pragmatisten zoeken altijd naar betere gereedschappen om de samenleving mee in te richten. Filosofie zelf is zo’n stuk gereedschap; ideeën zijn instrumenten en omdat de samenleving verandert, moet je telkens weer nieuw gereedschap uitvinden.

Pragmatisten zijn optimisten; het kan altijd weer beter. Richard Rorty (1931-2007), de bekendste volgeling van Dewey, heeft ooit een aantal artikelen gebundeld onder de titel ’Philosophy and Social Hope’. Op de omslag zie je een stuk woestijn met een bord dat een bepaald perceel aangeeft, dat in ontwikkeling zal worden genomen. Dat nog onbepaalde landschap staat voor de openheid van Amerika. Pragmatisten zijn pioniers die van de samenleving een experiment maken en gaandeweg wordt het mooier en beter. Venmans is wel zo kritisch dat hij deze Amerikaanse droom contrasteert met de soms schrille werkelijkheid.

Als nut zo zijn zin heeft dan zou je toch wel eens willen weten wat de zin van een nuttig leven is. Venmans schrijft over zinvolheid binnen ons leven. De Britse literatuurwetenschapper Eagleton schrijft over de zin van het leven als zodanig. Dat is andere koek want dat gaat over het Zijn als zodanig. Het boek van Venmans is nuttig omdat het een goed geschreven inleiding is in het utilitarisme en pragmatisme, waar overigens weinig essayistisch aan zit, anders dan de ondertitel suggereert. Eagleton is juist veel essayistischer in zijn vragen en benaderingen van de levensvraag. Moet ook wel, want het zou nogal pretentieus zijn om dat eens klip en klaar uit de doeken te doen. Eigenlijk, erkent hij, is het nogal onbescheiden een boek te schrijven over de zin van het leven. Ooit viel zijn oog ooit op de titel van een proefschrift: ’Enkele aspecten van het vaginale stelsel van de vlo.’ Vast erg nuttig. En bescheiden. Maar niet aan Eagleton besteed.

Dus toch maar de zin van het leven. Daar komt Eagleton ook niet uit, maar hij heeft er wel vaak interessante opmerkingen over. Hij vraag zich bijvoorbeeld af of, als het leven een zin heeft, wij wel gelukkig zouden zijn als we daar achter zouden komen. En als God nu toch bestaat, maakt dat het leven er niet zinvoller, d.w.z. verklaarbaarder op, want als God met het leven een doel heeft dan weet hij dat goed te verbergen.

Oplossingen biedt Eagleton niet echt. Maar hij stelt wel goeie vragen. Misschien moeten we eens in de leer gaan bij de Chinezen. Volgens de Chinese auteur en vertaler Lin Yu Tang (1895-1976) heb je pas geleerd hoe je moet leven als je een volmaakt nutteloze middag door kunt brengen op een volmaakt nutteloze manier. Dat is nog niet zo eenvoudig maar een beetje mijmeren over de zin van het leven (en van het nut) komt daar misschien wel bij in de buurt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden