Gelovige weeskinderen / Tornen aan het goddelijk bevel

De islam zou volgens menigeen even pluriform zijn als het christendom of het jodendom. Een wijdverbreid misverstand, zegt moslima Nahed Selim. Natuurlijk, er bestaan liberale moslims. Maar dat betekent nog niet dat er ook een liberale islam bestaat.

’Zonder een intellectuele revolutie binnen de islam hebben democratie in het Midden-Oosten en de integratie van moslims in het Westen geen enkele kans van slagen.”

Dat zegt dr. Khaled Abou el Fadl, prominent islamitisch jurist en advocaat, hoogleraar aan de Universiteit van Californië.

En wat moet die intellectuele revolutie binnen de islam inhouden? Volgens deze progressieve hervormer begint die met de erkenning dat er ontelbare manieren zijn waarop de islam geïnterpreteerd en beleefd kan worden.

Dat klinkt misschien vreemd. Velen gaan er immers vanuit dat die pluriformiteit binnen elke godsdienst een vanzelfsprekendheid is. Dat daar geen intellectuele revolutie voor nodig is. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de woorden van burgemeester Job Cohen. In een interview met De Pers van 27 december zei hij: „Ik weet helemaal niet veel van dat geloof. En ’dé islam’, dat weet ik wel, die bestaat niet. Wat ik ervan weet is dat er, bij wijze van spreken net zoals in het christendom en in het jodendom, een wijd palet is van heel liberaal tot buitengewoon conservatief en behoudend en in de islam op dit moment ook nog extremistisch.”

Het is een wijdverbreid misverstand: omdat er in het christendom en het jodendom vele erkende stromingen en interpretaties bestaan, geldt dat noodzakelijkerwijs ook voor de islam. De meeste moslims moeten in staat zijn hun heilige teksten te relativeren, omdat de meeste christenen en joden dat ook kunnen. Kennelijk willen mensen dat heel graag op voorhand geloven – zonder dat bewezen is dat voor de Koran hetzelfde geldt als voor andere heilige boeken. Of dat moslims op dezelfde manier geloven als andere gelovigen.

„Maar moslims zullen, als je ze daar rechtstreeks naar vraagt, geen afstand nemen van het Boek, en ook niet van de confronterende passages”, schreven üzkan Gölpinar en Ocker van Munster een paar weken geleden in Letter & Geest. Daar hebben ze gelijk in. En dit komt doordat moslims geloven zoals de islam hun leert te geloven. En die manier staat ver af van het christelijke of het joodse geloofssysteem.

De officiële islam gaat uit van de goddelijke afkomst van de Koran. Het Boek werd door Allah hoogstpersoonlijk, via een engel, aan de profeet Mohammed geopenbaard. De volledige Koran is zodoende het werk van God, het zijn Zijn eigen woorden, eeuwig en onfeilbaar. Zolang deze aanname niet is uitgedaagd, blijft elk koranwoord voor elke moslim, waar dan ook, letterlijke geldigheid houden.

Het belangrijkste verschil met de Bijbel ligt, voor zover ik weet, in de kwestie van het auteurschap.

De joodse Schrift is een collectief werk dat is ontstaan na een eeuwenlang proces, waaraan velen hebben bijgedragen. Op zeker moment bereikte de Joodse gemeenschap overeenstemming over wat tot de Bijbel behoorde en wat niet. Ongetwijfeld gingen daaraan vele discussies vooraf.

De evangeliën zijn verslagen van Jezus’ woorden en handelingen die door zijn volgelingen zijn opgetekend in een soort biografisch kader. Eigenlijk vormen de vier evangeliën een soort christelijke Hadith (overleveringen van de woorden en handelingen van Mohammed).

Dit alles maakt de pretentie dat de Bijbel Gods persoonlijke openbaring is minder sterk. De ruimte om de bijbelteksten te lezen in een historische context is groter. En de weg naar relativering van de teksten via de logica is korter.

Waarom gaan Job Cohen en anderen er dan vanuit dat wat in het christendom en jodendom aan stromingen bestaan, ook in de islam te vinden is?

Het nogal simplistische antwoord lezen we in hetzelfde interview. „Door de mensen die je spreekt”, zegt Cohen. „Praat met iemand als Ahmed Aboutaleb en je krijgt een heel liberaal verhaal waar ongelofelijk veel kenmerken in zitten die je ook kent uit het christendom en het jodendom. En praat met een aantal andere broeders en zusters, die het dan ook hebben over broeders en zusters, en dan komen daar van die volzinnen uit, rechtstreeks uit oude boeken.”

Volgens de logica van Cohen móét er wel een liberale islam bestaan aangezien er liberale moslims bestaan.

Maar is het gedrag van verlichte moslims hun eigen verdienste of die van de islam? Volgens mij is het eerste het geval. Het zou pas de verdienste van de islam zijn als er een duidelijke, erkende liberale stroming binnen de islam bestond, met eigen moskeeën, een eigen naam die haar van de andere onderscheidt, met een eigen theologie die is vastgelegd en voor iedereen toegankelijk is, met eigen imams en geestelijken, en met een wezenlijke aanhang onder de gelovigen.

Maar de bronnen van de islam, de Koran en de overleveringen, gelden voor alle stromingen van de islam in een zeer letterlijke vorm. Alleen een paar kleine afsplitsingen zoals de soefi’s, de alevieten, de Ahmadiyya en de korannieten trekken dat enigszins in twijfel. Maar hun aanhang is marginaal en ze worden door de meeste geestelijken niet eens als moslims erkend.

Een moskee, kortom, uit welke richting dan ook, is per definitie orthodox en hanteert de letterlijke interpretatie.

Onder geestelijken en imams tref je weinig hervormers aan. De progressieve moslims die wel bestaan, zijn vooral te vinden onder intellectuelen, filosofen en schrijvers die zich, uit een gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid, bezighouden met een nieuwe interpretatie van de islam. De vraag is evenwel hoeveel deze intelligentsia in de melk te brokkelen heeft – zeker omdat ze vaak bestreden, verketterd en zelfs bedreigd wordt. En dat vooral door geestelijken en imams die hun grip op de gelovigen niet willen verliezen.

Het bestaan van verlichte of liberale moslims is dus geen bewijs voor het bestaan van een verlichte of liberale islam. Dat moet daarom ook niet als excuus worden gebruikt om ruim baan te geven aan de stichting en de financiering van allerlei islamitische organisaties.

De huidige Nederlandse regering heeft de neiging om kritiekloos alle ruimte te bieden aan de islam. Ze faciliteert en subsidieert organisaties, in de hoop dat daaruit een verlichte, liberale islam zal ontstaan. Wat mij betreft komt dit voort uit ongegrond optimisme, om niet te zeggen uit wanbeleid. In werkelijkheid worden hervormers keer op keer geweerd uit moskeeën en islamitische organisaties. Zij zijn niet populair en moeten vaak zo veel water bij de wijn doen dat er niets meer van de wijn overblijft. De vaak autocratische orthodoxen blijven over. En kunnen zo, dankzij overheidsgeld, in het zadel blijven zitten.

Met een geloof dat geweld en intimidatie niet schuwt is hervorming slechts mogelijk op individuele basis, liefst zo ver mogelijk van de georganiseerde vorm.

Verlichte moslims zijn juist verlicht geworden doordat ze zich voldoende hebben kunnen distantiëren van de islam zoals die gepredikt wordt in moskeeën, boeken en op internet. Dat is hun waarschijnlijk gelukt omdat ze het voorrecht smaakten in een milieu op te groeien dat niet zo gedomineerd werd door de islam. Ze zijn het product van individualisering, van ontkerkelijking. Het zijn gelovige weeskinderen zonder moskee, sterke individuen die voldoende verzet hebben kunnen plegen tegen de groepsgeest en zich hebben ontworsteld aan de sociale controle.

Hervormers kunnen koranteksten of geloofsopvattingen niet openlijk en rechtstreeks bekritiseren. Willen ze niet uit de gratie vallen dan moeten ze vaak op eieren lopen om gevrijwaard te blijven van bedreiging en uitsluiting. Altijd heerst de angst voor beschuldiging van afvalligheid en blasfemie – zo niet hier, dan in het land van herkomst. Altijd is er het gevaar voor de eventuele familieleden die daar nog wonen.

Iemand die zegt dat de Koran niet volledig en helemaal het letterlijke woord van God is, telt bovendien niet mee en kan daarom geen enkel gezag uitoefenen.

Een goed voorbeeld van de omslachtigheid en de voorzichtigheid die hervormers aan de dag moeten leggen, vormt de rechtszaak tegen Taha Hoessein, een prominent Egyptisch schrijver en docent aan de universiteit van Caïro. Hij werd in 1921 voor de rechter gedaagd vanwege godslastering en belediging van de islam. Dat deze zaak uit de jaren twintig van de vorige eeuw stamt, maakt hem niet minder actueel. In feite is het klimaat rond de vrijheid van meningsuiting nu in veel delen van de wereld slechter dan destijds.

Waar ging het over? De islam plaatst de profeet Mohammed in een rij van profeten als Mozes, David, Isaak en Job, die direct afstammen van Abraham. Ook zou de Kaüba, waarheen moslims elk jaar een bedevaart ondernemen, gebouwd zijn door Abraham in eigen persoon, toen hij zijn zoon Ismaël in de woestijn achterliet, samen met zijn moeder Hagar. Van deze zoon stammen de Arabieren af, ze zijn als het ware neven van de Joden. In zijn boek ’De voorislamitische poëzie’ besprak Taha Hoessein de historiciteit van deze en andere beweringen uit de Koran. Want er kleven natuurlijk wat problemen aan deze theorie. Als de Arabieren allemaal van Ismaël afstammen, hoe komt het dan dat ze geen Hebreeuws spreken en waar komt de Arabische taal vandaan?

Taha Hoessein onderzocht de bronnen van de Arabische taal, door de voorislamitische poëzie uit het noorden en zuiden van Saoedi-Arabië met elkaar te vergelijken. Hij schreef onder meer dat het feit dat de Bijbel en de Koran beide vertellen over Abraham en Ismaël nog niet betekent dat ze historisch werkelijk hebben bestaan. Volgens hem ging het hier om een mythe die Mohammed nodig vond om zijn geloofwaardigheid als profeet te vergroten tegenover de bestaande Joodse en christelijke gemeenschappen. Zodoende kon er een gezamenlijk front gevormd worden tegen de ’heidenen’.

Deze verklaring kwam Taha Hoessein op de beschuldiging te staan dat hij de Koran en de profeet Mohammed van leugens betichtte. De schrijver werd aangeklaagd, ook voor afvalligheid, onder meer door de gezaghebbende universiteit Al-Azhar. In een lang artikel in de krant benadrukte hij zijn geloof in de islam en verontschuldigde hij zich min of meer voor wat hij had geschreven. De rechtszaak nam zes jaar in beslag. Uiteindelijk werd Taha Hoessein onschuldig bevonden aan doelbewuste belediging van de islam en van de gevoelens van moslims. In het vonnis stond dat hij de beledigende zinsneden gebruikte in het kader van zijn onderzoek en dat hij die blijkbaar nodig vond om zijn bedoeling duidelijk te maken. In die context moesten ze gezien worden. Maar de rechtbank tikte hem ook op de vingers: Taha Hoessein had zich op een donkere weg begeven, was onvoorzichtig geweest, en moest voortaan oppassen.

Uit deze zaak blijkt hoe moeilijk het is om kritiek te uiten op islamitische opvattingen, zelfs in het kader van een onderzoek naar de bronnen van de Arabische taal, in een islamitisch land waar de vrijheid van geloof en meningsuiting officieel bij de wet wordt gegarandeerd.

De afgelopen jaren heeft menig hervormer geprobeerd de algemene waarden van de islam – zoals gerechtigheid, solidariteit met de armen en gelijkwaardigheid – te benadrukken zonder de geldigheid van andere koranteksten die daarmee in strijd zijn aan te tasten. Het woord ’slaan’ in soera 4:34 wordt dan bijvoorbeeld verklaard als ’weggaan’ of ’de kamer verlaten’. Eigenlijk is dat een vorm van struisvogelpolitiek, om de letterlijke tekst maar niet te hoeven afkraken en intact te laten.

Een andere methode die de hervormers hanteren is het bagatelliseren van de negatieve invloed van bepaalde teksten, zoals die over de vrijbrief om seks te hebben met vrouwelijke slavinnen. Dan wordt gezegd dat het hier gaat om in die tijd geaccepteerd gedrag. Het vreemde is dat de Koran deze bestaande gewoonten onaangeroerd liet, terwijl andere, even geaccepteerde gewoonten, zoals het drinken van alcohol, beslist moesten veranderen.

Bij christenen en joden hebben nieuwe interpretaties van de Bijbel geleid tot de vorming van een nieuwe ethiek en tot het diskwalificeren van dubieuze ideeën. Bij veel moslimhervormers leiden nieuwe interpretaties alleen tot het relativeren van teksten, zonder ze openlijk te diskwalificeren of er afstand van te nemen. Laat staan dat ze de waarde van de tekst als een goddelijk bevel aantasten.

Bij de eerder genoemde hervormer en voorstander van vrouwenrechten Khaled Abou el Fadl – volgens sommigen de belangrijkste islamitische denker en intellectueel van deze tijd – is dat goed te zien. Hij behandelt bijvoorbeeld het gebod aan vrouwen om volstrekt gehoorzaam te zijn aan hun man, zoals ultraorthodoxe wahabieten dat eisen. El Fadl ziet dat als een soort afgoderij, onverenigbaar met het idee van de eenheid van God. „Zo maakt men minigodjes van de mannen.” Dat klopt. Maar El Fadl gaat voorbij aan het feit dat die gehoorzaamheid aan de man géén uitvinding is van de wahabieten, maar stevig verankerd zit in de Koran en de Hadieth.

El Fadl is voorstander van integratie. Volgens hem staat de islam die niet in de weg en bieden de islamitische theologie en jurisprudentie juist een grote mate van flexibiliteit aan moslimminderheden in het Westen. Zij kunnen toe met een minimalistische vorm van de sharia. Alleen bidden, vasten en liefdadigheid vindt hij voldoende. Zo kun je een authentieke moslim zijn en je tegelijkertijd Nederlander, Brit of Duitser voelen.

Ik kan mijn scepsis niet onderdrukken als ik dit lees. Waarom zou je termen als sharia en jurisprudentie blijven gebruiken? Het is alsof El Fadl de politieke islam niet kan loslaten. Net als Tariq Ramadan neemt hij niet principieel afstand van de volledige sharia, inclusief lijfstraffen, familie- en erfrecht. Ook Ramadan wil slechts spreken van een ’moratorium’ op lijfstraffen – totdat de tijd blijkbaar rijp is voor de toepassing van de volledige sharia.

Een andere hedendaagse hervormer neemt een eerlijker houding aan. De Syriër Mohammed Shahroer (1938) doceert bouwkunde aan de Universiteit van Damascus. Hij heeft drie boeken over de islam geschreven. Vooral ’Het Boek en de Koran’ uit 1990 heeft geweldig veel reacties opgeroepen. Er verschenen minstens dertien boeken die dit boek scherp aanvielen. Zijn werk is in de meeste Arabische landen verboden, maar wordt onder de toonbank veel verkocht.

Een mooi citaat van hem luidt:

„Het is makkelijker om een tunnel onder de zee te bouwen dan om mensen het Boek van God met hun eigen ogen te leren lezen. Al honderden jaren zijn ze gewend om het met geleende ogen te lezen.”

Shahroer gelooft in de noodzaak van een fundamentele herwaardering van alle religieuze principes. Hij zegt dat elke moslim weet dat zelfmoord verboden is in de islam. Toch halen terroristen en djihadisten waterdichte argumenten uit het islamitisch recht die hun aanslagen legitimeren. Volgens Shahroer is dat de reden dat nog geen enkele bekende geestelijke, imam of moefti openlijk en direct het moslimterrorisme heeft afgekeurd – zelfs niet als ze zichzelf gematigd noemen. Hij gelooft ook niet dat ze daartoe in staat zijn, omdat de bronnen die onderwezen worden in Egypte, Saoedi-Arabië of Pakistan, dezelfde bronnen zijn die gebruikt worden door Bin Laden of Al Zawahiri.

Maar moslims moeten kiezen wat ze wel of niet gebruiken. De vraag of een nieuw curriculum voor theologische studies de oplossing zou kunnen bieden, beantwoordt Shahroer sceptisch. „Wie moet dat curriculum dan vervaardigen?”

Een gematigde islamitische beweging zal volgens hem machteloos staan tegenover de macht van de geestelijken. Hij gelooft meer in een seculiere beweging, gebaseerd op het verstand en geleid door de rede. Volgens hem zijn er ook velen die zo’n beweging willen.

Maar tot nu toe durft niemand de juridische fundamenten van ons geloof, de pijlers waarop ook het terrorisme is gebaseerd, ter discussie te stellen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden