Geloven moet je gewoon doen

Stephan Sanders ging een beetje proefgeloven. 'Ik neem het woord God in de mond, om te zien of ik het kan uitspreken zonder te giechelen', zei hij onlangs in Trouw. Op deze plek doet hij verslag van zijn vorderingen.

De man in de supermarkt, die ken ik, lang en oppervlakkig. Gelegenheidspraatje. Ja, alles goed. Hij: "En, ben jij al geweest?" Het duurt drie seconden voordat ik het begrijp. Ik ken de man van de sportschool, ik zeg: "Nou, ik denk niet dat ik ga, vandaag". Waarna verwarring aan zijn kant. "Doe je dat zó?" Want hij neemt niet iedere keer weer de beslissing - 'vandaag wel/niet naar de gym' - hij heeft een dagelijkse routine opgebouwd, en het bezoek aan de sportschool is een van de ankers in zijn bestaan, zoals opstaan 7.00 uur, ontbijt en 20.00 uur NOS Journaal. Dat riekt naar sleur, maar ik citeer nu even de Belgische filosoof Ignaas Devisch, die tegen NRC Handelsblad zei: 'Er zijn mensen die koken saai vinden. Ik kijk ernaar uit. (...) De routine ervan maakt deel uit van mijn leven. Het is de dagorde die mij gelukkig maakt.'

Ook ik ben bezig een routine te ontwikkelen, voorzichtig, want kennelijk ben ik bang dat de godsdienstwaanzin toeslaat. Sinds kort ga ik wekelijks naar de kerk. In de Goede Week zat ik er drie keer. Dit klinkt als de tevreden sporter die zichzelf heeft overtroffen en zijn grenzen heeft verlegd. Maar het kost mij betrekkelijk weinig moeite om naar de kerk te gaan, zoals ik ook niet iedere ochtend twijfel of ik mijn tanden zal poetsen. Ook daar kan je een existentieel drama van maken, als je flink je best doet.

Lang heb ik dit motto gekoesterd, van Sartre of een andere, existentialistische filosoof: 'Elke ochtend moet ik weer kiezen tussen mijn tandenborstel en mijn revolver'. Leven of zelfmoord, als de grote, individuele keuze die 'de bewuste mens' zich dient te stellen nog voordat hij zich de ogen uitwrijft. Ik vond het mooi, dat Hooglied van de Autonomie, onbarmhartig was het, en nog waar ook. De meeste mensen doen de dingen uit gewoonte, maar ik nam elk moment de cruciale beslissing, ikzelf beschikte me een slag in de rondte. Nu denk ik: wat een hysterie, wat een zelfoverschatting ook. Wat te doen met de vrachtauto die ongezien van rechts komt? En onderwerp ik mij iedere dag opnieuw aan het kruisverhoor of de geliefde naast me in bed ook deze ochtend weer de waarachtige Liefde is?

Wat ik allang weet van sporten en schrijven, namelijk dat je het vooral moet doen, waarna zin en betekenis als vanzelf volgen, wilde er bij mij niet in wanneer het om geloven ging. Ik wilde best aannemen dat er mensen waren die zichzelf religieus noemden, alla. Maar waar hadden ze die kerk in Godsnaam voor nodig, dat geloven was toch een puur geestelijke aangelegenheid die ze konden beleven waar en wanneer ze maar wilden? Quod non, want geestelijke acrobatiek is niet de automatische vervanging van lichamelijke oefening of fysieke actie.

Vluchtklaar

Ik vind mijzelf dus terug in de kerk, op Palmzondag, en ik heb niet getalmd, ik ben vanzelfsprekend op mijn fiets gesprongen, als had ik een afspraak met de tandarts. Ik heb inmiddels ook een plek gevonden, tweede rij van achter, de Engelssprekende, zwarte vrouw zit weer naast me. Ik begin de andere gekleurde gezichten om me heen te herkennen; de man met het boodschappenkarretje, die vlak voor aanvang komt aansnellen. Het lijkt of ie al die tijd in dubio is: blijven of niet. Hij is vluchtklaar.

Spontaan heeft zich in dit achterste deel de zwarte, gekleurde en Spaanstalige gemeenschap gevestigd, wij zijn de Achterblijvers, alsof we ons nog elk moment kunnen bedenken.

Tot mijn tiende ging ik naar de kerk, met mijn vader die in functie kwam, als schooldirecteur - na zijn pensioen eindigde het kerkbezoek abrupt - en mijn moeder die representatief ging en mijn zusje die moest zingen en ikzelf die fluit speelde op een geschikt verstild moment.

Ik heb tot die tijd altijd pontificaal voorin gezeten, ook vanwege logistieke redenen. Ik herinner me dat de hele kerk jou had gezien als je ging zitten. Mijn hernieuwde kerkgang is het bescheiden tegendeel daarvan. Valse bescheidenheid? Zo'n blik van achteren geeft een ander perspectief. Je kunt de handelingen op het altaar minder goed volgen. Maar zelf ben je ook minder goed zichtbaar.

En terwijl ik bezig ben de orthopraxis te oefenen door hier zonder veel geaarzel anoniem aanwezig te zijn, word ik toch persoonlijk getroffen door iemand die de voorbedes zegt: een man die ik vaag, grijs van achterop zie. Maar ik hoor zijn stem, en die ken ik. Ik weet dat hij het is, want ik herken nu ook de gestalte vooraan. Hij weet niet dat ik er ben, want ik ben de achterblijver. De man bidt voor de mensen 'die staan op de drempel van het geloof'. Ik eigen me zijn woorden onbescheiden toe.

En dan moet Pasen nog volgen, de dag dat 'Christus is opgestaan uit de dood'. Ja, maak het even. Het belangrijkste liturgische feest van het kerkjaar.

'Op de derde dag Verrezen...' Dit moet een metafoor zijn. Symbolische betekenis. '...en de dood heeft overwonnen...' Letterlijk, lichamelijk? Onmogelijk.

De grote opgave: het christelijk geloof niet alleen te denken als idee of beeldspraak, maar als het verhaal van een concreet lichaam.

Stephan Sanders

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden