Geloven in Haarlem / Lange traditie van goed doen in stilte

De vijf confessies die het al in de Gouden Eeuw met elkaar moesten zien te rooien, zijn nog altijd aanwezig in de Haarlemse binnenstad. Samuel de Lange wandelt deze zomer door de Spaarnestad, 'staalkaart van Nederlandse gezindten' Deel 4: de doopsgezinden.

Ze zijn nooit met velen geweest, de doopsgezinden. Nu zitten ze op zondag met zo'n zestig man, vrouw vooral, in de kerk. In de zestiende eeuw was hun beweging te veeleisend en radicaal om grote menigten te trekken. Dat verleden, schommelend tussen gewapende opstand en pacifisme, verbaast de hedendaagse waarnemer die de gemoedelijke sfeer onder de doopsgezinde kerkgangers op zich in laat werken.

Het is moeilijk voor te stellen dat deze gegoede klasse naar den gelove verwant is aan de stokebranden die in 1534 met geweld een dopers socialisme in Münster stichtten, en in dezelfde eeuw het Amsterdamse stadhuis bestormden om de stad op de wederkomst van Christus voor te bereiden. Toen de dopers onder bedreiging hun eschatologische neigingen hadden afgelegd, kropen zij zo in hun schulp dat zij de naam 'de stillen in den lande' kregen. Alleen onderling bakkeleiden zij zozeer over de leefregels, dat de stedelijke autoriteiten in de Vermaning, zoals de doperse kerken nog altijd heten, soms een muur moesten optrekken om de partijen te scheiden.

In de Gouden Eeuw werd Haarlem de 'menniste hemel' genoemd: een paradijs voor de mennonieten, zoals de doopsgezinden ook wel heten naar hun leidsman Menno Simonsz (1496-1561). Aan de bloedige vervolging van de dopers heeft Haarlem slechts een tiental martelaars hoeven bijdragen. In het stenen doolhof aan de Franckestraat waarin de kerk is opgenomen, zijn hun namen te vinden boven de fraaie vertrekken waar de doopsgezinden samenkomen. Behalve de bewogen geschiedenis -de doopsgezinden zijn hier in 1683 met een schuilkerk begonnen- is aan de uitgebreidheid van de vestiging ook de welvarendheid van de gemeente af te lezen.

Vanouds telde de doopsgezinde gemeente bemiddelde aanhangers onder haar leden, zoals de filantroop Pieter Teyler (1702-1778), stichter van het beroemde museum aan het Spaarne. Buiten is op een bord te lezen 'Vereenigde Doopsgezinde Gemeente van Haarlem'. Dat vereenigd slaat niet op het stelsel van gangen, zalen en plaatsjes waaruit de vestiging bestaat, maar op het samengaan in de achttiende eeuw van de verschillende richtingen waarin de doopsgezinden uiteen waren gevallen.

Sterker dan de andere reformatorische kerken benadrukten de dopers de zelfstandigheid van de gemeente. Hun afkeer van een centraal leergezag en bestuur was groot. Daarom hadden zij eeuwenlang te rekenen met afscheidingen. Op landelijk niveau bestaat een Doopsgezinde Sociëteit, en een opleiding voor predikanten, maar aan die instellingen wordt een beperkte autoriteit toegekend. In 1981 waren de doopsgezinden nog met zijn 1980 in de stad vertegenwoordigd, een dik procent van de kerkelijke Haarlemmers. Inmiddels is dat aantal teruggelopen tot 570, veelal oudere, gelovigen.

Doopsgezinden waren behalve om hun nadruk op de volwassenendoop, ook bekend om hun wereldmijding. Lange tijd weigerden ze wapens te dragen, enig overheidsambt te bekleden, en een eed af te leggen. Elders in de wereld, bijvoorbeeld onder de Amerikaanse Amish, houden dopersen zich nog geheel of gedeeltelijk aan die gebruiken, maar in Nederland is de houding van de doopsgezinden allerminst wereldvreemd. Ze getuigen ook graag van goede smaak, bijvoorbeeld met tentoonstellingen en concerten.

Het is volgens Herman Heijn, een van de drie doopsgezinde predikanten, ook juist de bedoeling om 'de lijn naar de stad te openen'. Als eerste kenmerk van de gemeente noemt hij het maatschappelijk gezicht. De doopsgezinden doen goed, en niet zuinig ook. Dat strekte vroeger al verder dan het diaconale werk waar elke gemeente een taak in vond. De doopsgezinden lieten mensen van buiten in hun goede gaven delen, en een van de vijf doopsgezinde hofjes, het Teylershof, stond ook open voor bejaarden van andere overtuiging.

Toen in maart dit jaar de Koningkerk van de gereformeerden afbrandde, ging voor een paar weken de opbrengst van de collecte naar de koster van die kerk, die zijn huis in de brand verloren had. Fondsen is het woord achter de goede werken van de doopsgezinden: projecten in de stad, maar ook ontwikkelingswerk in Afrika.

In de negentiende eeuw zetten de Nederlandse overheden dankzij de Franse Revolutie zoetjesaan een moderne staat op poten, en begonnen ze zich systematisch met de armenzorg te bemoeien. Daarvoor hadden zij inzicht nodig in wat van kerkelijke zijde werd ondernomen. De doopsgezinden verzetten zich krachtig tegen een gedwongen opening van zaken. De ondersteuning beschouwde de gemeente als een christelijke verplichting, waar de staat zich niet in te mengen had. Van die goede werken in stilte neemt de gemeente maar node afscheid, geeft de dominee toe.

De geheimzinnigheid over het doopsgezind kapitaal deed in 1997 het Haarlems Dagblad op onderzoek uitgaan. 'De verboden stad' luidde de kop boven het artikel van Kees van der Linden (22 februari). Dat sloeg niet alleen op het labyrint aan de Franckestraat, maar ook op het overige onroerend goed dat de gemeente in de binnenstad bezit. De baten van beleggingen vinden hun weg naar bijvoorbeeld het 'predikfonds', dat de gages van de eigen predikanten betaalt, maar zo nodig ook broedergemeenten in nood ondersteunt. Voor de materiële hulp aan armen, zieken, en bejaarden zijn weer andere potjes, vaak uit een ver verleden dat nog geen rekening hield met de interventies van de welvaartsstaat. Daaruit kan ook een maatschappelijk werkster bekostigd worden.

De kerkelijke gemeente, die met haar bekommering om de nood binnen- en buitenshuis een zuil mocht heten in het Haarlemse stedelijk leven, heeft enige moeite de bescheidener rol te aanvaarden die uit de opkomst van de verzorgingsstaat, en de terugloop van het ledental voortvloeide. De ouderen bewaren nog een warme herinnering aan de zorg uit eigen kring waarop de doopsgezinden konden rekenen. Het nieuwe diaconale elan dat de predikant verstaat onder het herstel van de lijnen met de stad, moet groter zijn dan de koestering van eigen mensen. Medeleven heeft het onder de dopers wel eens eerder moeten opnemen tegen zelfgenoegzaamheid.

Toch, een buitenstaander mag zich verwonderen over de combinatie van vrijzinnigheid en bijbelvastheid, van conservatisme en engagement, en van degelijkheid en culturele zending die de doopsgezinden uitdragen, de doopsgezinden doen niet moeilijk over de dilemma's. Ze voelen zich eerder 'paars' dan confessioneel, en onder doopsgezinden lijkt oecumene een iets andere betekenis te hebben dan in de meeste kerken.

Hoewel doopsgezinden en remonstranten wel eens samen een liturgie vieren, is dat niet de opmaat naar een vrijzinnige variant van de Samen-op-wegkerken. Samenwerking is er voor goede doelen, met remonstranten, met evangelische jongeren die een honk zoeken, met andere mensen van goeden wil. Die praktische zin lijken de doopsgezinden aan een omgangsoecumene te ontlenen die in Haarlem een lange traditie heeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden