Gelooide indrukken, gekarnde gedachtes

Hoe ontstaat een boek? In deze maandelijkse interviewserie vertellen schrijvers hoe zij werken, schuren en morrelen aan hun manuscript. In aflevering 18: Cees Nooteboom (72). Hij is P.C. Hooftprijswinnaar in Nederland, sterauteur in Duitsland en al meer dan 50 jaar in 'constante beweging'. Zijn reisverhalen schrijft hij 'on the road', van Tokyo naar Kaapstad. Reizen is géén vlucht, zo benadrukt de schrijver: ,,Ik ben voortdurend bij mij.“

Hij had dolgraag een kat gewild, zegt Cees Nooteboom: ,,Maar dat kan dus niet als je reist.“ Nog altijd verplaatst de beroemde schrijver zich in rap tempo over de aardbol: hij is net terug van een promotietournee door Europa en vliegt over twee dagen door naar Japan. Na Azië volgt Afrika: begin januari stapt Nooteboom op een schip dat hem van Mauritius naar Kaapstad voert.

Zo'n nomadenleven leidt de schrijver nu al meer dan vijftig jaar: vertrektijden en jetlags bepalen zijn bioritme, zijn toilettas staat in telkens nieuwe hotelkamers, talloos zijn de ontmoetingen onderweg.

Die weg is zijn noodlot, zijn roeping en zijn verleiding, zo beschreef Nooteboom al eens in een gedicht: ,,Ik ben de weg / Ik sta als een pijl / gericht op de verte, / maar in de verte / ben ik / weg. / Als je me volgt, / hierheen daarheen hierheen / moet je er komen, / hoe dan ook. / Weg is weg.“

Zijn weg is óók veranderd, in de loop der jaren. Eerst was Nooteboom de romantische jonge zwerver die 'Philip en de anderen' (1955) schreef, later de avontuurlijke journalist, nog weer later 'de reisschrijver van Avenue'. Maar nu is hij vooral de internationaal gevierde auteur Cees Nooteboom, die op uitnodiging van uitgevers, ambassadeurs en fans van Tokio tot Innsbruck reist. En die 'on the road' nog altijd mooie, contemplatieve verhalen schrijft over verre plekken, kunst, de onmetelijke tijd, herinneringen en vergetelheid.

Natuurlijk heeft zijn levensstijl ook nadelen, zegt de schrijver in zijn deftige, met kunst en boeken gevulde huis in hartje Amsterdam, waar hij nu een korte tussenstop maakt: ,,Je kunt geen huisdieren hebben, geen kinderen, geen verslaving aan routines. Vrienden vaak zien, dat moet je jezelf ook ontnemen.“

Maar daar staat wel iets tegenover, aldus Nooteboom, die van de intuïtieve reislust uit zijn jeugd al lang een volwassen levensfilosofie heeft gemaakt. Hij gaat die niet meer uitleggen, hij is de geijkte journalistenvragen beu: 'Waarom reist u?' En: 'Is dat een vlucht?' ,,Het antwoord staat in 'Nootebooms hotel', leest u dat maar eens na.“

Daarin vat hij zijn reisfilosofie samen in één lange zin: ,,Wie voortdurend reist is altijd ergens anders, dat geldt voor jezelf, en dus altijd afwezig, dat geldt voor de anderen, de vrienden; want voor jezelf ben je weliswaar 'ergens anders', dus daarmee ook ergens niet, maar je bent ook ergens voortdurend en altijd wel, namelijk bij jezelf.“

En iets verderop beschrijft hij de essentie van het reizen zo: ,,Het is een voortdurende transactie met anderen waarbij je tegelijkertijd alleen bent. Daarin zit ook de paradox: je reist alleen in een wereld die door anderen beheerd wordt.“

Gek is dat, zegt de schrijver: ,,Mensen voelen zich altijd uitgedaagd door het feit dat ik in constante beweging bent. Maar ik draai het om: ik ben constant bij mij, zonder dat ik lastig word gevallen door de anekdotiek van de routine in één samenleving. Ik hoef niet, als ik straks in Japan zit of daarna op Madagaskar, elke dag over Balkenende en Verdonk na te denken.“

Afstand scherpt zijn blik, beweging kleurt zijn romans en natuurlijk ook zijn reisverhalen. Die laatste term bevalt Nooteboom overigens maar matig, misschien omdat de reisliteratuur in Nederland lange tijd als 'minder serieus' werd beschouwd. Hij noemt ze liever 'essays', zijn beschouwingen over de kunst van het reizen en al die exotische en nabije plekken die hij zich in de loop der jaren als schrijver heeft toegeëigend.

Eén van die plekken is Japan, het onderwerp van één van de twee boeken waaraan Nooteboom momenteel werkt. Boek-in-wording één gaat over dichtersgraven over de hele wereld, in boek twee zal de schrijver verslag doen van zijn Saigoku-pelgrimstocht langs 33 tempels rondom de Japanse stad Kyoto. Foto's voor beide boeken maakt zijn vrouw Simone Sassen, die al vele jaren met hem meereist.

Nee, zegt Nooteboom, Japans spreekt of leest hij niet. Dat maakt die 33-tempeltocht ook tot zo'n bijzondere ervaring: ,,Het vinden van een tempel is vaak moeilijk. Je staat middenin een bos en probeert de Japanse tempeltekens uit de gids te vergelijken met de geschreven tekens onderweg, die vaak in hout gekorven zijn. Een klein nuanceverschil in één van die tekens kan je de verkeerde kant opsturen.“

Dat hij de taal niet spreekt, versterkt het isolement van de reiziger, zegt Nooteboom: ,,Ik spreek wel Spaans, als ik in Spanje op een terras zit met een Spaanse krant voor mijn neus, dan hoor ik er eventueel bij, dan ben ik onzichtbaar. Maar in Japan blijf ik zichtbaar als de Ander.“

In zijn rol van de Ander, de buitenstaander en de toeschouwer bezocht Nooteboom de 33 tempels rond Kyoto de afgelopen jaren al twee keer. Nu gaat hij er enkele opnieuw bekijken, om daarna zijn reisnotities - hij maakt er vele tientallen per dag- te verwerken tot een lang verhaal.

Dat zijn aantekeningen soms al jaren oud zijn, is voor Nooteboom geen bezwaar. Integendeel: ,,Die reisnotities horen bij het werk om een stad of land bij je naar binnen te zuigen. Maar later zie je beter wat echt van belang is.“ Hij laat zijn reisindrukken graag 'looien', hij wil zijn gedachtes laten 'karnen', ze ook combineren met al die literatuur en filosofie in zijn hoofd. Want de wereld is nu eenmaal 'één nooit ophoudende referentie', zo schrijft hij in zijn novelle 'Het volgende verhaal' (1991). Een Japanse tempelrite kan hem zo terugvoeren naar zijn katholieke jeugd.

Is dat karnproces eenmaal voltooid, dan gaat hij tikken op typemachine of computer, in zijn Amsterdamse huis, in een buitenlandse hotelkamer of in het appartement van vrienden. Mooie zinnen komen er dan op papier, zoals deze (over de ruïnes van Persepolis in Iran, in 'Het geluid van Zijn naam', 2005): ,,Toeristen fotograferen hun eigen verdwijnbare vlees tussen de versteende tijd, twee mannen van de restauratiedienst zijn bezig met steenhouwen, en door de droge, zinderende middaglucht gaat het geluid dat hier drieduizend jaar geleden ook al klonk: ijzer op steen.“

Vaak komt de eerste versie van een verhaal terecht in een reisblad of (buitenlandse) krant, de tweede belandt later in een boek. Zo werkt Nooteboom al zijn hele leven: ,,Ik heb altijd door media heen geschreven naar boeken.“ En zo heeft hij ook altijd zijn reizen gefinancierd: door zijn verhalen te verkopen, door privé-excursies vast te knopen aan buitenlandse lezingen en andere representatieve verplichtingen.

Maar soms komt profreiziger Nooteboom wel degelijk tot stilstand, al is het tijdelijk, voor een paar maanden. Dat gebeurt bijvoorbeeld als hij voelt dat er een roman móet komen: ,,Mijn innerlijke toestand is dan zo hoog opgelopen, dat ik wel tijd vrij moet maken.“ Dan gaat hij een periode prikken, reizen schrappen en een adres zoeken waarop hij een tijd kan blijven. Vaak is dat zijn eigen 'isoleerplek' in Spanje, waar hij bij voorkeur de zomer doorbrengt.

,,Het is niet zo dat ik fictie hoger aansla dan mijn andere werk“, zegt Nooteboom, ,,Alhoewel“ Het schrijven van romans vergt wel een andere, hogere concentratie: ,,Dat is pas een écht schrijfproces.“ Dan sluit hij zich op, dan schrijft hij elke dag minimaal 500 woorden en maakt hij 's middags lange wandelingen, om alvast vooruit te denken.

Hij beschreef dit 'premediteren' in zijn Berlijnse roman 'Allerzielen' (1998), die in Duitsland zo'n groot succes was. Daarin beoefent de filmer Arthur Daane de kunst van het 'lopend denken': ,,De gedachten, maar dat woord was al te groot voor het vage, diffuse gemijmer, waarbij onbestemde beelden en flarden van zinnen elkaar opvolgden, kon hij achteraf nooit in een of andere concrete vorm reproduceren, het meest leek het geheel nog op een surrealistisch schilderij dat hij ooit gezien had, en waarvan hij de titel vergeten was.“

Kijk, zegt Nooteboom, in een kleine werkkamer, trap op trap af in zijn eeuwenoude Amsterdamse huis: ,,Dit zijn mijn romans.“ Hij toont een stapel grote, gelinieerde cahiers, waarin hij in een minuscuul, regelmatig handschrift, haast zonder doorhalingen, 'Rituelen' (1980) heeft geschreven, en ook zijn jongste roman 'Paradijs verloren' (2004).

Waarom hij zijn romans met de hand schrijft, en zijn reisverhalen typt? ,,Dat weet ik niet, misschien om in mijn hoofd een verschil te maken.“ Moeilijker vindt hij het schrijven van een roman niet: ,,Ik denk helemaal niet in dat soort termen, je moet een plek vinden en je moet tijd vinden.“ Is hem dat gelukt, dan gaat hij zitten, en dan komt er ook iets, regel voor regel, zonder vooropgezet plan.

Maar nu wenken de Japanse tempels, de dichtersgraven en de kust van Kaapstad, nu lokt de constante beweging, nu staat zijn pijl gericht op de verte. Zijn schrijfambities zijn voorlopig beperkt tot de reisessays waarmee hij in zijn eentje het Nederlandse reisgenre inhoud en diepte gaf.

De fictie moet gewoon nog even wachten, Nootebooms 'innerlijke toestand' duidt nog niet op hoge nood. Hij moet er overigens niet aan denken om de ene roman na de andere te produceren, zegt de schrijver, die van 1963 ('De ridder is gestorven') tot 1980 ('Rituelen') zelfs helemaal geen fictie schreef: ,,Dat zou ten koste van een soort intensiteit gaan. Ik wil altijd schrijven, maar ik wil niet altijd iets verzinnen.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden