Geloofsgenot

Waarom is een nuchtere gedachtewisseling over Lucebert en het religieuze onmogelijk? Uitgever Jan Oegema beschrijft de twist tussen de Rekkelijken en Preciezen. 'Laat ik me beperken tot een inhoudelijk voorbeeld: de ruimte van het volledig leven. Die beroemde frase scheidt de bewonderaars in twee onverzoenlijke kampen. Voor het ene betekent zij vrijheid, anarchie, poëzie, kunst, jazz, vrouwen, jonge jenever, liften naar Parijs, kortom: teugelloze levensdrang. Remco Campert zei ooit dat je in het begin van de jaren vijftig maar met de voet op de grond hoefde te stampen en je had al een feest. Die prachtige tijd, vol armoe en avontuur, kijk, daar had je Luceberts volle, bruisende leven.

In het begin van de jaren vijftig zat Lucebert in de redactie van het literaire blad Braak. Op een dag vroeg Rudy Kousbroek, een van zijn mederedacteuren, of hij hem wilde vergezellen naar de drukker. De kopij voor het nieuwe nummer was klaar, maar Kousbroek zag er tegenop haar af te leveren. Hij kreeg het Spaans benauwd van de wederhelft van de drukker, een gezette, roodharige dame die lid was van een sekte en bij het minste of geringste hel en verdoemenis preekte. Lucebert wilde zijn vriend best een plezier doen, in geloofszaken had hij immers enige ervaring, niet voor niets had hij negen maanden in een nonnenklooster gelogeerd.

Eenmaal gearriveerd verdween Kousbroek geruisloos met de drukker naar de werkplaats, zodat diens vrouw alle tijd had om zich over Lucebert te ontfermen. De roodharige rook lont. Lucebert zat nog niet of ze stak van wal. O ik zie het, u dwaalt alleen door dit verschrikkelijke armageddon en u ziet niet het lam op de berg zion. Lucebert schoof zenuwachtig heen en weer op zijn stoel. Van schrik begon hij te praten.

U gelooft dat ik in god geloof en misschien is dat wel een beetje waar. Ik schrijf gedichten moet u weten, en ik weet nooit precies hoe ik die dingen maak, waarvandaan ze allemaal komen. Ja, soms, hoor ik zelfs een stem die vreemde dingen zegt die ik zelf nooit had kunnen bedenken en dan vraag ik me af: is het wel mijn stem, hij klinkt zo vreemd, zo anders, net of hij komt van uit een hol vat of een lege kruik en dan denk ik...

Zie je nu wel, onderbrak de drukkersvrouw hem triomfantelijk en vervolgde haar kruisverhoor met hete teksten over donderslagen en bliksemen en scharlaken beesten.

Zie je nu wel, dacht ik iets minder triomfantelijk, toen ik dit fragment jaren terug voor het eerst las. Ik wreef m'n ogen uit. Waarom had het zo lang geduurd voor het me onder ogen kwam? En waarom moest uitgerekend deze helleveeg de aanbrengster zijn?

Dat Lucebert een beetje in God was, soms, af en toe, dat wist ik, ik kon het aanwijzen in zijn poëzie, in cryptische passages waarvan de ontcijfering heel wat laveerkunst vergde. Voor Lucebert was God een moeilijk ding, als het aan hem had gelegen had hij de Naam liever uit zijn dictionaires geschrapt; maar de machinaties met zijn brein lieten hem niet altijd de keus. Je moet maar zo denken, zei hij eens tegen een interviewer van een progressief katholiek weekblad, Lucebert schrijft een mystieke poëzie, zonder God. Dat was niet de hele waarheid, de drukkersvrouw voelde dat haarfijn aan. Als er één precair thema is in zijn leven en werk, één thema dat zijn bewonderaars tot op de dag van vandaag verdeeld houdt, dan is het wel zijn plaats in het religieuze spectrum. Wat een mirakel dus dat Lucebert één keer de vrijheid heeft gevoeld om uit te leggen hoe het ongeveer zat en het woord God liet vallen zonder zich te verstoppen of te polemiseren.

Luceberts coming out (want zo mag je het noemen) komt uit een relaas dat hij in 1967 op papier zette en publiceerde in Maatstaf. Het is een onbekend stuk dat pas vorig jaar een breder publiek vond dankzij de opname in Kalm aan kinderen, er komt nog wat bij. Bekend en onbekend proza (De Prom).

Luchebert

Schrijven over Lucebert en het religieuze ligt nog altijd gevoelig. Al ruim vijfentwintig jaar woedt er een typisch Nederlands debat over de vraag aan welke kant van de streep hij staat. Welbeschouwd is het een twist tussen Rekkelijken en Preciezen. De Preciezen kunnen slecht verdragen dat hij überhaupt met religie in verband wordt gebracht en zien in hem een heroïsch woordvoerder van hun eigen heidendom. De Rekkelijken zijn even gevoelig voor die heroïek, maar signaleren tegelijkertijd bij Lucebert een religieuze houding die ze lastig kunnen definiëren, ofschoon ze haar op een bepaalde manier wel herkennen. Zodra dat doorschemert in hun beschouwingen, staat er altijd wel een Precieze op om schande te roepen en met een passend citaat de vermeende aanval te pareren. Naar de eis der journalistiek moet ik nu met namen en feiten komen, maar dat doe ik niet. Daarvoor is het debat te voorspelbaar, de argumentatie te pover, de toon te agressief.

Laat ik me beperken tot een inhoudelijk voorbeeld: de ruimte van het volledig leven. Die beroemde frase scheidt de bewonderaars in twee onverzoenlijke kampen. Voor het ene betekent zij vrijheid, anarchie, poëzie, kunst, jazz, vrouwen, jonge jenever, liften naar Parijs, kortom: teugelloze levensdrang. Remco Campert zei ooit dat je in het begin van de jaren vijftig maar met de voet op de grond hoefde te stampen en je had al een feest. Die prachtige tijd, vol armoe en avontuur, kijk, daar had je Luceberts volle, bruisende leven.

Het andere kamp begint juist daar te twijfelen. Is dat volle leven hetzelfde als het volledig leven? Is het niet waarschijnlijker dat Lucebert daarmee zinspeelde op de lege volheid van boeddhisten en mystici? Op Rilkes Weltinnenraum wellicht? In dat geval heeft Lucebert precies het tegendeel bedoeld van wat de goegemeente al meer dan een halve eeuw in zijn formule projecteert. In dat geval wordt er in het volledig leven niet geswingd, gecobraad en gevreeën. Als je al met hem meelift, dan naar oorden van stilte, zuiverheid, sereniteit, onwereldse extase.

Waarom is een nuchtere gedachtewisseling hierover onmogelijk? Omdat ieder gesprek over Lucebert in het teken staat van ideologie en beeldvorming. Lucebert is een van de belangrijkste iconen van de moderne tijd, we koesteren hem als was hij onze eigenste Che Guevara. We eren hem als de man die na de oorlog als eerste de strijd aanbond met de conservatieve vaderen van dit land. Lucebert is Luchebert, voor iedereen, voor de Rekkelijken niet minder dan voor de Preciezen. Maar de laatsten hebben reden tot waakzaamheid, zij hebben daadwerkelijk iets te verliezen. Mocht namelijk blijken dat Lucebert toch op een bepaalde manier in God zou zijn, dan wankelt hun icoon. Voor hen staat die gedachte gelijk aan heiligschennis. Hetgeen de Rekkelijken een brede grijns ontlokt, want het ontgaat hun niet dat de seculiere elite zo haar eigen vroomheid creëert. En vlucht in verdringing, zodra de feiten klare taal spreken. Toen in 1999 aan het licht kwam dat Lucebert zich in 1947 had laten dopen, bleef het muisstil in de gelederen der Preciezen. Ook met het crypto-katholieke temperament van zijn historische debuutbundel konden ze geen kant op.

Lucebert was zich het conflict in de achterban bewust. Columnisten, critici en geleerden, hij zag ze om de buit vechten en deed er meestentijds het zwijgen toe. Hij voelde zich onbegrepen, na zijn stormachtige entree in de literatuur werd het hem steeds duidelijker dat hij familie was van tweeslachtige eenzaten als Hölderlin en Roland Holst, dichters die net als hij in het halverwege leven, beurtelings aangetrokken door de lucht en de afgrond. Dat schept verwarring, leidt tot interpretatiewoede en kemphanerij.

Zelf liet Lucebert graag in het midden aan welke kant van de streep hij stond. Hij vertoefde in zijn eigen ruimten, liever dan op het platte vlak van ideeën en ideologieën. Voor alles was hij een zwever, iemand die aldoor moet schakelen tussen de wervelingen van het volledig en die van het onvolledige leven. Van beide levens kent hij de bekoringen en verschrikkingen, waardoor hij van gedicht tot gedicht wisselt van perspectief en hij, van een afstandje bezien, onophoudelijk bezig is posities en visies te relativeren en te herroepen. Dat is wat Paul Rodenko bedoelde toen hij zei dat Luceberts poëzie geen stand-punt kent.

Religieus, niet godsdienstig

Zweven - dat is een specialiteit van soloreligieuzen, een groep die sterk vertegenwoordigd is bij de Rekkelijken in de Lucebertclub. Soloreligieuzen hebben net als Luceberts andere bewonderaars sterk de neiging zich met de meester te vereenzelvigen, hem als een voorloper en geestverwant te zien. Is dat terecht? Lucebert neemt in zijn poëzie heel veel en vaak zeer uiteenlopende standpunten in, aan sententies en rake oneliners geen gebrek, zo ook op levensbeschouwelijk vlak, waar hij als een kameleon alle kleuren aanneemt die je maar bedenken kunt. Zijn gedichten zijn psychogrammen, neerslagen van een aldoor wisselend gemoed, ze vormen een laboratorium voor permanente bewustzijnsverkenning. Lucebert zoekt taal voor zijn ervaringen, dat in de eerste plaats. Pas wanneer hij die ervaringen gaat duiden en interpreteren, hetzij binnen, hetzij buiten zijn poëzie, wanneer hij daar begrippen en posities bij zoekt, pas dan vertoont hij wel eens trekken van de soloreligieus, deze geboren weifelaar met zijn huiver voor geïnstitutionaliseerde, meer of minder dogmatische, groepsgebonden religie.

Er bestaat één interview waarin Lucebert zich uitspreekt op een manier die elke soloreligieus onmiddellijk zal herkennen. Dat is een interview met Willem Roggeman uit 1985. Deze Vlaamse schrijver stelt Lucebert een aantal directe vragen over het religieuze karakter van zijn poëzie. Je bent niet gelovig, zegt hij, sterker nog, je hebt regelmatig de kerk en zijn gezagdragers gehekeld. Toch noem je ergens je gedichten een storm van driftig bidden. Hoe kan dat nou? Voor zijn doen reageert Lucebert dan ongewoon uitvoerig. En met gebruikmaking van een onderscheid dat soloreligieuzen zeer dierbaar is - het onderscheid tussen godsdienstig en religieus, een gelukkige eigenaardigheid van de Nederlandse taal.

Lucebert: Ik ben misschien niet godsdienstig, maar misschien niet helemaal a-religieus. Ik ben niet verstoken van deze nood, van deze mogelijkheden in de menselijke geest om te vluchten in metafysische illusies. In het dagelijks leven ben ik iemand die agnostisch denkt. En ik hou helemaal niet van absolutismen en daarom ben ik ook tegen de daarop steunende godsdiensten als het jodendom, het mohammedanisme en het christendom. Dat zijn zeer agressieve godsdiensten. [...] Maar nogmaals, zeker als dichter voel ik dat er dwaze noties in ons rondspoken. Ik kan best begrijpen hoe de mens ooit tot al die projecties is gekomen. [] Het religieuze is een psychologisch gegeven. Maar de objectieve waarheid daarvan is iets heel anders, want daar is niets zinnigs over te zeggen, tenzij men daarover gaat dichten zoals Dante deed, waarbij mij wel opvalt dat zijn Hel heel wat interessanter is dan zijn Hemel.

Even daarna confronteert de interviewer hem met het fenomeen mystiek. Is dat een zinnig referentiekader voor zijn gedichten? Lucebert opnieuw:

Ja, ik ben me daar zeer bewust van geweest. Ik heb reeds als kleine jongen ervaringen gehad, visioenen is een te dik woord, maar toch dingen beleefd die voor mij heel ingrijpend zijn geweest. Het waren ervaringen die misschien wel fysiologisch te verklaren zijn, doordat ik ondervoed was of een vreemd werkende klier had of noem maar op. Maar voor mij als dichter is het gewoon de psychische ervaring die belangrijk is, alleen daarmee kan ik iets doen.

Echte spoken

Net als ieder ander aanschouwen solo-religieuzen met verbazing de exotische taferelen in Luceberts hemel-hel. Desondanks denken ze te begrijpen hoe Lucebert op een achternamiddag over zijn luchtverkeer filosofeert. Hij beschouwt zich niet als een gelovige, wel misschien als een religieus mens, zij het dan een die Max Stirner en Sigmund Freud in de kast heeft staan en snapt dat ons innerlijk spoken fabriceert die het vervolgens een objectief bestaan toeschrijft. Want sommige van die spoken lijken bedrieglijk echt, hebben zo'n dwingende realiteit dat het van onvolwassenheid zou getuigen om hun werkingskracht te ontkennen. Ze zijn echter dan echt, hun hand voelt drie maal groter dan die van de interviewer die afscheid neemt, hun grijns is ontstellender dan die van een dictator, hun liefde smaakt zo veel zoeter dan die van de teerst beminde.

Althans, zo gaat het toe in het hoofd van Lucebert, afgaande op zijn gedichten en zijn beeldend werk. Hier en daar beschrijft hij zijn brein als een toestel dat hem met daverend geweld voorbij de stratosfeer schiet en hem in een andere wereld brengt. Er verspringt iets in zijn hoofd, en in een oogwenk zijn ze er weer: gezichten, tronies, gedrochtelijke wezens, stralende mannen, laaiende vleugels. Die horrorfilm wordt elke dag opnieuw gestart, een sciencefiction-soap met variaties volgens vaste patronen en een hoofdpersoon die beurtelings acteur, dramaturg en toeschouwer is. Lucebert is die film en hij is het niet, hij ziet toe hoe er een lieflijk en liederlijk spel wordt gespeeld - met hem. Wat zich in hem voltrekt heeft niets met theologie en religieuze standpuntbepaling te maken, het is je reinste psychomachia, die alleen in tweede instantie, wanneer het dichten begint en de gebeurtenissen in het mottige vlindernetje van de taal gevangen moeten worden, wel eens een bepaalde duiding krijgt.

Dan, bij het dichten, wanneer hij weer langzaam greep krijgt op zijn bewustzijn, wil het wel eens voorkomen dat zijn pen toe glijdt naar het woord God. Behalve in enkele heel vroege prozastukken heeft hij dat woord altijd zonder hoofdletter geschreven en na zijn snelle afscheid van zijn privé-katholicisme bij voorkeur opgedeeld in de meervoudsvorm goden. Theologische speculatie evolueerde al snel naar mythologische vertelling, hoewel die nogal eens een theologische bijklank behield, ook dankzij passages waarin de christelijke God wordt afgeserveerd als inblinde grootvader en alles besturende aaseter.

Lucebert heeft God nooit helemaal vaarwel kunnen zeggen. Vreemd is dat allerminst. Een mens die blootstaat aan verschillende vormen van paranormaal geweld, die moet vechten met engelen en draken, wegglijdt in levitaties en visioenen, verblindende lichten en Dali-achtige droombeelden, die bevangen raakt door hevige aandoeningen van liefde en vreugde - zo iemand kan niet altijd weerstand bieden aan zekere dwaze noties. Eigenlijk was het een wonder geweest wanneer de gedachte aan God na zijn katholieke periode nooit meer bij hem was opgekomen.

Een sensatie is echter iets anders dan een overtuiging. Het echte wonder van Lucebert is dat hij in staat was alles te laten gebeuren, alle spasmen van zijn brein zonder oordeel te volgen, zonder daaruit deze of gene zekerheid te peuren. De enige zekerheid die hij had was zijn talent voor taal en beeld, een talent dat hem ervoor heeft behoed niet zonderling, krankzinnig of blijvend depressief te worden. Dankzij de kunst kon Lucebert het uithouden te midden van de dagelijkse violaties - dat is de betekenis van het Hölderlin-motto dat hij een van zijn bundels meegaf: nah ist / und schwer zu fassen der gott / wo aber die gefahr ist, wüchst das rettende auch.

Redding vond hij in zijn gedichten, in zijn tekeningen en schilderijen, speelplaatsen waar hij elke inval mocht volgen zonder zich enige beperking op te leggen en zonder zich te bekommeren om aangeleerde eisen van logica en esthetica. Het bizarre spiegelpaleis in zijn hoofd vertelde hem dat er alle reden was die eisen te saboteren. Hij vond een taal die als water om de rotsen vloeide, waarmee hij de bodem onder begrippen en concepten losweekte - wat hem er overigens niet van weerhield om zelf zo nu en dan een nieuw concept te lanceren. Elke danser houdt zich wel eens aan de barre vast.

God, met of zonder hoofdletter, in enkel- of meervoud, is voor Lucebert ook zo'n houvast, zij het hooguit een tijdelijk. Hij laat het schieten zoals hij elke overtuiging of gedachte laat schieten, vooral wanneer die metafysische bestendigheid pretenderen. In Luceberts poëzie is waarheid van korte duur, ze heeft korte beentjes, net als de leugen in het bekende Duitse spreekwoord. Dat geldt ook voor zijn geloofsgenot, een even ironische als gemeende term gebezigd in een van de ruimtevaartgedichten uit de bundel amulet: geloofsgenot is maar een vinger lang in vuur en vlam. De mens is van nature geneigd zijn indrukken te verabsoluteren, het vluchtige vast te houden, de hele hand te grijpen zodra één vinger naar hem wijst. Zo niet Lucebert. Hij laat het moment het moment.

Aardse mystiek

Hoe denken de Preciezen over Luceberts vuur en vlam? Daar hebben ze een zinnig concept voor gevonden: aardse mystiek. Daarmee bedoelen zij vooral dat Luceberts luchtverkeer op geen enkele manier christelijk of theologisch geduid mag worden. Dat is een goed uitgangspunt - en tegelijk een misleidend. Want in één moeite door proberen ze met diezelfde term Lucebert in te rekenen als een hartstochtelijke realist, als iemand die hoe dan ook de aarde trouw blijft, die nooit de sprong van hier naar daar zal maken.

Lucebert is een realist - maar dan vooral op het gebied van het mystieke of paranormale. ik zing de aarde aarde / de aarde met haar carnivale uiterweide, heet het in een bekend gedicht uit de bundel triangel in de jungle. Carnivale is een nieuwbakken adjectief, samengesteld uit het Latijnse carnus, vlees, en vale, vaarwel. Lucebert bezingt hier het buitengaatse bijfiliaal van de aarde, waar hij gewoonlijk wordt heen gelokt door zijn sirene, zijn vrouwelijke leidsengel. Zij is die hij aan het einde van het gedicht laat verschijnen in de verzen het kreitsende het oorverdovende licht / oorverdovende licht in uw vleugels.

Is dit aardse mystiek? Luceberts aarde is een andere aarde: zij bestaat niet buiten hem, zij bestaat alleen binnen hem. Zij is droom, visioen, fantoom, schrikbeeld. Zodra zijn leidsengel zich aandient, zodra hij weer die ene stem hoort die vreemde dingen zegt, veranderen huis en haard in een waterval, een maalstroom of een lichtorkaan - en de arme dichter zit er middenin. De werkelijkheid vernevelt en verwijdert zich van het geteisterde netvlies met de snelheid van lichtjaren. Of om dit moment van vervoering anders te beschrijven: de aarde splijt open, ze verzwelgt al het bekende en confronteert de dichter met fenomenen die niet te bevatten en amper te verdragen zijn.

Wanneer dat gebeurt, wanneer de werkelijkheid haar andere zijde toont, vallen het heilige en het demonische samen. De Mexicaanse dichter en essayist Octavio Paz heeft dat beeldend verwoord in een essay waarvan menige passage geadstrueerd zouden kunnen worden met citaten van Lucebert . De ervaring van het heilige, noteert Paz in De boog en de lier, is een afstotende ervaring. Of juister: een onttrekkende. Het is een naar buiten werpen van het innerlijke en geheime, een tonen van de ingewanden. Het demonische, zeggen alle mythen ons, komt voort uit het centrum van de aarde. Tegelijkertijd impliceert elke verschijning een breken van de tijd of van de ruimte: de aarde opent zich, de tijd verwijdt zich; door de opening of wond zien we de andere kant van het zijn.

Als Lucebert een realist is, dan een realist van het heilige, opgevat in de mythische betekenis die Paz eraan geeft. En een ongelooflijk knappe realist, een die met grote precisie en vindingrijkheid verslag doet van zijn ervaringen. Een goed voorbeeld daarvan is fantoom, een gedicht waarin de aarde breekt en de dichter uit haar ingewand de lichtbon der liefde omhoog ziet komen. Ternauwernood houdt hij stand, deze liefde is van een intensiteit waarop het menselijk gemoed niet is berekend en kent een veranderlijkheid die de dichter doet beven. Hoogzomer verandert in herfst verandert in winter, het is alsof de dichter in een ogenblik alle extremen doorleeft waaraan het pure licht van de pure liefde hem blootstelt: verwondering, begeerte, verdriet, doodsverlangen, heimwee, leegte, verlatenheid. De liefde is betoverend én gruwelijk, de dichter verdraagt haar (die ook hem kan zijn) niet en verdraagt haar toch, zij (hij) is amper bevattelijk want amper menselijk: 'een schim - een vijand - een schuiflende grijns.

Stichter en vernietiger

Laat fantoom op je inwerken, probeer te begrijpen wat er in dit gedicht gebeurt, en je realiseert je dat Lucebert buiten elke burgerlijke beleving van religie staat. Hier, in het middenste midden van zijn poëzie, is hij noch atheïst, noch agnost, noch soloreligieus. Al die dingen is hij pas wanneer hij aan het einde van zijn werkdag onderuitzakt en de verlegen verwelkomde interviewer een borreltje inschenkt.

Soloreligieus? Een gedicht als fantoom is religieus in geen enkele gebruikelijke zin. Het is een gedicht waarin de religie begint en eindigt, waarin ze aankomt en voorbij gaat. De Duitse dichter Novalis zegt ergens: Wanneer het hart zichzelf voelt en, los van elk afzonderlijk en reëel voorwerp, zijn eigen ideële onderwerp wordt, dan wordt de religie geboren. In fantoom en menig ander gedicht zien we inderdaad de religie geboren worden, maar meer nog, we zien haar tegelijk ten onder gaan, omdat Lucebert weigert zijn ervaringen geweld aan te doen en te interpreteren binnen enig conceptueel kader. Op zijn beste momenten interpreteert Lucebert niet, hij registreert, met als gevolg dat de ervaring blijft wat zij is: particulier, eenmalig, voorbijgaand want ongrijpbaar.

Dit is een van de dingen die me blijft fascineren in Lucebert: dat hij bron en zegel van religie is. De anekdote wil dat hij in de oorlog met staf en een lange mantel door Amsterdam schreed en omstanders hem nariepen: Hé, daar heb je Mozes! Die Mozes is hij altijd gebleven, een oudtestamentische don quichot, een edele gedrevene in paardenpak die op afgelegen plaatsen met God spreekt. Maar diezelfde Mozes is ook nietzscheaan en dadaïst, hij is op en top modern, tot in iedere vezel doordrongen van de illusies en leugens voortkomend uit projectiedrift, waarheidsmanie en wil tot macht. Lucebert heeft de mediamieke en verbale gaven van een godsdienststichter en de luciditeit en strengheid van een godsdienstvernietiger. Dat verklaart zijn nog immer indrukwekkende postuur én de wisselende appreciaties bij zijn lezers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden