Geloof in vrede werd moeheid

Zes jaar na de verschijning van zijn boek ’De bevrijdende bruid’, net vertaald in het Nederlands, is de Israëlische schrijver A. B. Yehoshua pessimistisch over de kansen op vrede in zijn land.

Inez Polak

’De bevrijdende bruid’ heet het boek van de Israëlische schrijver A. B. Yehoshua dat net in het Nederlands is vertaald. Toen het in Israël uitkwam, merkte een recensent op dat, als de Israëliërs ooit uit het Midden-Oosten verdwijnen en alleen deze roman overblijft, het boek een volledig en getrouw beeld geeft over hoe de Israëliërs leefden en zelfs hoe er vriendschap kon ontstaan tussen Israëliërs en Palestijnen.

Het boek leest als een film, beeldend tot in de kleinste details, over het huwelijksleven van de oriëntalist Jochanan Rivlin en zijn vrouw, de rechter; over zijn obsessieve zoektochten als onderzoeker en als vader; over het gekonkel tussen professoren; over het leven van de Israëlische Arabieren in twee werelden.

Een film?

„Nee”, sputtert Yehoshua tegen. „Dit kan alleen een televisieserie worden. Het is te vol voor een film. Ik had tevoren niet gedacht dat het zo’n dik boek zou worden.”

„Het was me duidelijk dat ik twee parallelle wegen wilde bewandelen: Rivlin, die vastgelopen is met zijn onderzoek naar de jaren veertig in Algerije, omdat hij niet voorbij kan gaan aan wat zich daar in de jaren negentig heeft afgespeeld, die enorme eruptie van geweld. Hij zoekt de voortekenen. En tegelijkertijd probeert hij uit te vinden waarom het huwelijk van zijn zoon op de klippen is gelopen. Ik wist dat die twee speurtochten samen moesten vallen, dat hij het antwoord voor zijn persoonlijke probleem zou vinden via zijn onderzoek, via zijn ontmoeting met de Arabieren.”

De sleutel is in handen van de twee Arabieren die in beide werelden leven, de Joods-Israëlische en Arabisch-Israëlische, die soms beter dan de Joden zelf de Joods-Israëlische samenleving doorgronden.

„Al in het eerste hoofdstuk gaan Rivlin en zijn vrouw naar een huwelijk in een Arabisch dorp. Zijn vrouw vraagt waarom, want Rivlin heeft een probleem met bruiloften vanwege het mislukte huwelijk van zijn zoon. En dan zegt hij: ’Hen benijd ik niet’. Alsof ze niet gewone mensen zijn, maar een aparte categorie vormen. Alsof we, net zoals we een sociaal probleem en een religieus probleem, ook een Arabisch probleem hebben.”

Het hele boek is er op uit te bewijzen dat ze geen aparte categorie vormen, maar dat wat wij ’het Arabische probleem’ noemen, het fundament vormt voor al onze andere problemen.

„De nette, discrete Fuad weet wat er gebeurd is met het huwelijk van de zoon, maar zwijgt. Tegelijkertijd heb je Rashid, ook een Israëlische Arabier, die Rivlin meevoert naar de Palestijnse gebieden. Hij is de grote grensoverschrijder, die weet waar hij tegen het grenshek moet trappen om de doorgang te forceren. Via zijn vrijheid geeft hij ook die rechtlijnige, conformistische Fuad een klap van de vrijheid. En die leidt Rivlin naar de ontknoping.”

Waarom is dat verband tussen het persoonlijke en het ideologische voor u zo vanzelfsprekend?

„Mijn basis is het gezin, de familie, de persoonlijke relaties, de psychologie. Maar de grotere context begeleidt me altijd. Ik wil daar geen scheiding tussen aanbrengen. Mijn opgave is de verbanden te leggen. Het boek is geschreven in een optimistische periode, eind jaren negentig, toen we dachten dat het Palestijnse probleem opgelost zou worden. Oké, er was de moord op Rabin, er waren aanslagen, maar het gevoel bestond dat die wederzijdse erkenning een feit was.”

„In 1998 was voor mij de grote vraag: waar lopen de grenzen? Wat zijn de grenzen tussen de man en zijn vrouw, tussen vader en zoon, tussen professor en studente, tussen Joden en Arabieren in Israël, tussen Israëliërs en Palestijnen? Dat is voor mij het meest wezenlijke vraagstuk, ook persoonlijk. In mijn ogen stelt ware intimiteit in het huwelijk altijd de vraag van de grenzen. Het huwelijksleven houdt mij bezig.”

En u bent getrouwd met een psychoanalytica.

„Ja, 24 uur per dag therapie, zonder gelegenheid tot al te veel regressie.”

In het boek stelt Chagiet, de vrouw van Rivlin, de grenzen.

„Chagiet is rechter. En een rechter moet grenzen stellen. Een historicus heeft geen grenzen, omdat er altijd nog meer valt te onderzoeken. Hij wil de hele tijd meer begrijpen, terwijl zij zegt: ik weet misschien niet de hele waarheid, maar wat ik weet is genoeg. Hun gevecht breekt uit, niet vanwege wat hij heeft gedaan, maar omdat hij het voor haar verborgen heeft gehouden. Daarmee schendt hij hun vriendschap, hun intimiteit. Ik wil het huwelijksleven tonen vanuit hechte vriendschap – misschien omdat het mijn persoonlijke ervaring is.”

In uw boek verwijten de oriëntalisten elkaar dat de ander eigenlijk niets begrijpt van de Arabieren. Dat is in Israël misschien wel het meest gehoorde argument in de politieke discussies.

„Ik geloof dat het begrijpen van de Arabieren niet langer een vraag is die alleen Israël bezighoudt, maar de hele wereld. Wat willen ze, wat beweegt hen, wat is die constante frustratie van ze? Wat is dat zwichten voor het fundamentalisme? Wij vormen misschien het brandende front, maar het is een vraag die van wezenlijk belang is voor de toekomst van de wereld.”

Wat is uw antwoord?

„Ik pretendeer niet dat ik het antwoord weet. Ik denk dat de Arabieren de oprichting van Israël door het Westen opvatten als een klap, een wond. Die moeten we behandelen. In het boek zegt een oude oriëntalist: ’Ga naar hun culturele bronnen, naar hun poëzie, hun fantasieën’. Juist omdat de Arabieren zo verbonden zijn met hun taal en geen democratie hebben waarin mensen vrij kunnen praten, juist daarom kunnen hun volksvertellingen onthullen wat hen bezighoudt. Dat is een uitdaging voor de hele wereld.”

U, of Rivlin, zoekt steeds naar voortekenen die een latere situatie kunnen verklaren. Welke voortekenen bespeurt u nu voor wat Israël te wachten staat?

„Ik denk dat in het interne Israëlisch-Palestijnse conflict vandaag de dag geen mogelijkheid bestaat een modus vivendi te vinden. Vanwege de Palestijnse chaos en omdat elke Israëlische regering als de dood is om de nederzettingen aan te pakken, denk ik niet dat beide partijen tot een werkbare oplossing kunnen komen.”

„De enige uitweg is het zaakje terug te geven aan de Arabische Liga. Indertijd, toen Israël ontstond, hebben zij zich als patroon van de Palestijnse zaak opgeworpen. Laat ze dan nu maar, ook voor hun bestwil, proberen een regeling te vinden in het kader van vrede tussen Israël en de Arabische wereld. Dat hebben ze overigens al voorgesteld. Ook zij hebben er belang bij, vanwege de dreiging van het fundamentalisme, het probleem op te lossen.”

In uw boek beschrijft u een voor haar omgeving onmogelijke vrouw die alle grenzen overschrijdt, Tehilla, de ex-schoonzus van Rivlins zoon. Is zij een metafoor voor Israël?

„Ze is een demonische vrouw, die ik heb ontleend aan een van de verhalen van de schrijver Agnon. Maar als je me vraagt over de vergelijking, ik had me nooit kunnen voorstellen dat Israël zou verworden tot een land met zoveel geweld en corruptie. Die eruptie van driften , met een minister van financiën die geld steelt van mensen die naar Polen naar de kampen reizen – het is een onvoorstelbare grenzeloosheid. Tegelijkertijd is er die culturele bloei, op alle gebieden, literatuur, cinema, theater. Deels komt dat voort uit een decadentie. Vaak is het een slecht teken voor de samenleving als de cultuur zo opbloeit.”

„Ook in Europa waren de jaren voor de oorlog de periode van grootste culturele bloei. We hebben hier een krachtige hightech-industrie en tegelijkertijd armoe, een enorme sociale kloof, en de bezetting. Die Tehilla was zo’n corrupt, agressief wezen, zo zelfverzekerd, die misschien, als ik achteraf naar haar kijk, in mijn onderbewustzijn symboliseerde wat ons te wachten stond. Vergeet niet dat ik dit boek heb geschreven in een periode toen er nog hoop was.”

Ik zeg altijd dat Israël een paradijs is voor journalisten. Maar misschien is het wel een paradijs voor schrijvers?

„Een onuitputtelijke bron die nooit teleurstelt. Maar ik ben bereid al die boeiende onderwerpen zo op te geven en te leven als een Noor. Ik denk ook dat we er moe van zijn. Eens was er die opwinding, het geloof in de vrede. Wat ik nu voel is een moeheid, een gevoel van déjà vu. En die moeheid is het gevaarlijkst. Want de fundamentalisten aan beide kanten raken niet vermoeid. Daarom moeten we ons probleem aan de wereld overdragen. Ik smeek ze in Europa: ’Help ons, doe er iets aan’.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden