Geliefd maar ook omstreden

De bekendste politiedienst van de wereld, de FBI, bestaat vandaag honderd jaar. J. Edgar Hoover maakte de FBI groot, maar gaf de dienst ook een hardnekkig imago van schimmigheid.

’You’re off this case.’ Het moment dat een special agent van de FBI op een plaats delict zijn badge toont en een lokaal politie-inspecteurtje uit wandelen stuurt, markeert menig begin van een Hollywoodfilm vol intriges, leugens en machogedrag. De FBI heeft zelf niet weinig aan dat imago bijgedragen, maar onaantastbaar is het bureau al lang niet meer.

Vele Amerikaanse staten zaten er helemaal niet om te springen, een recherchegroep annex binnenlandse veiligheidsdienst met de hele Verenigde Staten als werkgebied. Maar de strijd tegen ’interstatelijke’ criminaliteit werd al sinds het einde van de negentiende eeuw steeds vaker verloren. Sinds het hoogste gerechtshof in 1887 had geoordeeld dat de controle op de handel tussen staten een zaak was van de federale overheid, bestonden er federale opsporingsambtenaren.

Maar die leefden een marginaal bestaan, vooral toen het Congres ook nog eens besloot dat het ministerie van financiën geen ambtenaren aan de dienst mocht uitlenen. Ze mochten geen arrestaties uitvoeren en slechts in nauw omschreven gevallen wapens dragen.

Maar de noodzaak van een krachtdadige federale opsporingsdienst bleef groeien. Op 27 juli 1908, onder president Theodore Roosevelt, werd het Bureau of Investigation (BOI) opgericht, de voorloper van de FBI met een eigen staf en special agents. Ze begonnen wat aarzelend, met het vervolgen van vrouwenhandel en prostitutie, en zouden pas vleugels krijgen in 1924, toen J. (John) Edgar Hoover de baas werd en de dienst optilde tot een even alomtegenwoordig als omstreden apparaat.

Dat had alles met Hoover zelf te maken. De man die de FBI leidde tot zijn dood in 1972 drukte een zwaar stempel op de dienst. Tijdens zijn leven profileerde hij zich overtuigend als redder van de natie. Als boevenvanger en communistenjager rees zijn ster hoger dan vele van de acht presidenten waaronder hij diende. Na zijn grootse staatsbegrafenis kregen talloze straten en scholen zijn naam, en ook het FBI-hoofdkwartier in Washington DC is naar hem genoemd. Elke volwassen Amerikaan heeft vroeger op school geleerd dat Hoover een voorbeeld was voor heel het land. Als hij zei dat bepaalde criminaliteit niet bestond, dan wás dat zo. Als hij meer geld wilde van het Congres, dan kréég hij dat. President Richard Nixon had hem nog willen ontslaan – een jaar voordat FBI-agent Mark Felt als ’Deep Throat’ diens val inluidde met het Watergate-schandaal – maar hij deed het niet omdat het ontslag van de mateloos populaire Hoover ongetwijfeld ook tot zijn aftreden zou hebben geleid.

De latere onthullingen over het leven en werk van Hoover vielen dan ook bij vele Amerikanen in slechte aarde. De kern is dat Hoover zijn persoonlijke stokpaardjes pontificaal verhief tot de agenda van de FBI. Zo was hij een uitgesproken racist, die zwarte activisten als Martin Luther King en Malcolm X zoveel mogelijk het leven zuur maakte.

Met hun gewelddadige dood heeft hij vrijwel zeker niets te maken, maar hij ging wel ver. Hij liet afluistermicrofoons aanbrengen tot onder hun hoofdkussens, zorgde ervoor dat ze constant werden geschaduwd en probeerde de pers geregeld te interesseren voor schandaalverhalen over hun vermeende seksuele escapades. Dat laatste lukte overigens bijna nooit: de kranten wilden altijd de bron van het nieuws vermelden; dat was nu juist niet de bedoeling.

Seksuele uitspattingen van politici interesseerden Hoover hevig, waarbij de door hem tot in het diepste van zijn ziel gehate familie Kennedy doelwit nummer één was. Even fanatiek was zijn hekel aan homo’s. Special agents die werden betrapt, kregen onmiddellijk ontslag, maar na Hoovers dood kwam zijn homohaat in een nieuw daglicht te staan met onthullingen over zijn relatie met zijn hondstrouwe assistent Clyde Tolson en het feit dat hij privé graag in een jurk liep. Naar verluidt chanteerde de maffia hem met foto’s van zijn seksuele leven, wat ertoe leidde dat hij deze misdadigers grotendeels met rust liet. Inderdaad was het opvallend dat Hoover op zeker moment vierhonderd communistenjagers en slechts vier maffia-onderzoekers in dienst had.

Nochtans was het J. Edgar Hoover die aan het einde van de jaren twintig de untouchable, dus onkreukbare Eliot Ness naar Chicago had gestuurd om Al Capone op te jagen. In de jaren dertig werkte de FBI hard aan zijn eigen mythologisering door zware misdadigers te vangen of te doden en ze daarbij ronkende tussennamen als ’Baby Face’ Nelson, Alvin ’Creepy’ Karpis en George ’Machine Gun’ Kelly te geven. Bij het Amerikaanse publiek bleef hangen dat de misdaad enorm steeg maar dat de FBI het land redde, wat bij het leed van de economische recessie een welkome boodschap was. De FBI kreeg ook als eerste vat op de blanke racistische Ku Klux Klan, die daardoor flink aan invloed verloor.

Vanaf 1940 organiseerde de FBI mede de heksenjacht tegen spionnen en buitenlandse saboteurs. Nazi’s, natuurlijk, maar vooral communisten, die Hoover vaak op de hielen zat zonder daar zijn aartsrivalen van de CIA over in te lichten – bijvoorbeeld toen hij een tunnel liet graven onder de Russische ambassade. Een zware klap voor de FBI was de ontdekking dat FBI-agent Robert Hanssen twintig jaar lang voor de Russen had gespioneerd. Pas in mei 2002 kreeg hij daarvoor levenslang.

’Trouw, moed en eerlijkheid’ is het motto van de FBI, maar nog altijd draagt ze sterk het beeld van een dienst die zich bedenkelijke handelingen permitteert en die vergoelijkt met het hogere belang van de natie. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 zijn de bevoegdheden sterk verruimd. Zo kan de FBI personen al op grond van relatief geringe aanwijzingen als verdacht aanmerken, en dus de hele trukendoos van de opsporing op ze loslaten. Geen opsporingsdienst in de wereld luistert zo veel telefoongesprekken af en ook inkijkoperaties – inbreken in een huis en afluisterapparatuur plaatsen – zijn dagelijkse kost. Maar hoe actief de FBI ook is, er is één belangrijk verschil met vroeger: de verantwoording achteraf.

De dienst heeft pijnlijk ondervonden dat hij niet meer vrijuit gaat als hij zijn hand overspeelt en dat de FBI hard wordt afgerekend op missers. Bij de 51 dagen durende, totaal mislukte belegering van de sekte van de godsdienstwaanzinnige David Koresh in 1993 in Waco (Texas), waarbij hij en 75 sekteleden, inclusief 21 kinderen, omkwamen door traangas en brand, stond de FBI voor het oog van de hele wereld voor schut. Zware kritiek was er ook na de 168 levens eisende bomaanslag door Timothy McVeigh in Oklahoma City in 1995.

Het grootste echec was zonder twijfel de aanslagen in New York en Washington die de FBI waarschijnlijk had kunnen voorkomen als de informatie beter was bekeken en was gedeeld met andere politiediensten. Louis Freeh, die tot in de zomer vóór de aanslagen directeur was van de FBI, oogstte hoon en spot toen hij na de aanslagen in een senaatscommissie meldde dat de FBI toch maar mooi had ontdekt dat aanslagen met vliegtuigen mogelijk zijn. Maar hij was degene die al veel eerder om 1900 mensen extra had gevraagd om terrorisme te kunnen bestrijden; hij had er welgeteld 72 gekregen.

Het grootste verwijt dat de FBI treft, is dat de dienst nog altijd te veel in zichzelf gekeerd is, en dus te weinig informatie deelt met andere politiediensten en de CIA. Ook zou de dienst nog te vaak misbruik maken van de mogelijkheden om in privégegevens en staatsgeheimen te neuzen. In de hen diep ingeprente overtuiging dat ze elke dag hun land dienen, blijven de special agents de grenzen van de wet opzoeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden