Gelegen op de grond voor Gods oog

Op het gymnasium moest ik in de Franse les wel eens een gedicht voordragen. Mijn vader koos dat dan voor mij uit. Op een dag werden het drie kwatrijnen uit een lang vers van de katholieke dichter Charles Péguy (1873-1914), 'Eva', over het heil en lot van de mens. De regels die mijn vader had uitgezocht zongen de lof van het veld van eer: 'Gelukkig zij die zijn gestorven in de grote slagen,

Gelukkig die gestorven zijn op een laatste plaats, hoog

Temidden van alle spul voor het grote begraven.'

En zo ging het nog vele regels verder met de gesneuvelden roemen. Daar liggen ze dan, de gelukkigen, op een foto die in juni in de kranten verscheen. Twintig soldaten in een ondiep graf. Keurige skeletten, op de nummers 16 en 17 na, van links af. Van hen rest alleen nog een onderbeen, en de kistjes. Ze lijken een dans uit te voeren, de rijen gesloten.

Twintig soldaten van het Royal Lincolnshire Regiment, gesneuveld bij het voorjaarsoffensief in Noord-Frankrijk in 1917. Hun vrienden hadden nog juist de tijd om de lichamen de armen ineen te haken voor het naamloos graf dicht ging. Het is 84 jaar vergeten geweest, maar nu BMW in de buurt van Arras een fabriek wil neerzetten, zijn ze bij graafwerk aan het daglicht gekomen. Straks worden ze bijgezet temidden van de tienduizenden andere Engelse jongens op de kerkhoven in Frankrijk.

De foto wekt een sterk medelijden: kameraadschap in het uur van de dood. Bedoelde Péguy dat met 'gelukkig'? Op 5 september 1914 was hijzelf gevallen door een Duitse kogel. Twintig kilometer boven Parijs ligt hij, ook in zo'n graf met lotgenoten.

Toen ik mij in de jaren zestig van de geschiedenis bewust werd, was de Eerste Wereldoorlog al even ver weg als nu. De inspanningen die regeringen zich getroost hadden voor 'nooit meer oorlog', legden in de crisis en het nationalisme van de jaren dertig het loodje. Daarna versperde de Tweede Wereldoorlog met zijn moordpartijen op burgers het zicht op de grote soldatenslachting, behalve dan in Frankrijk, waar op dorpspleinen de versteende infanteristen de herinnering levendig hielden enzo het uitzicht op de collaboratie in WO II benamen.

Mij begon pas een lichtje te dagen over de verschrikkingen van de loopgraven toen ik in 1965 met mijn vader naar een musical ging, 'O, What a Lovely War!' Op het toneel Johnny Kraaykamp met een pispot op zijn hoofd achter een zandzakje. Nederlands grootste komiek kon aan de strekking niks veranderen: Engelse jongens gingen vrolijk de Teutoonse furie verslaan, maar al gauw liep de oorlog vast in stellingen vol modder en lijken.

Politici en legerleiding zaten in de rats om hun gezichtsverlies, en offerden de levens van honderdduizenden in aanval en tegenaanval. Speculanten verrijkten zich aan de tekorten thuis en aan het front. Om voldoende kanonnenvoer in te zetten moest van een vrijwilligersleger op de dienstplicht worden overgegaan. Tegen gemor en verzet van het voetvolk trad een bevoorrechte officierskaste hard op. Pas vorig jaar deed premier Jospin een goed woordje voor de soldaten die tegen de slachting in opstand waren gekomen, en vervolgens standrechtelijk waren gefusilleerd.

In 1986 stond ik voor het knekelhuis van Douaumont, op het slagveld van Verdun. Het boompje dat Helmuth Kohl en François Mitterand er hadden geplant was nog piepklein. Hand in hand hadden de kanselier en de president er gestaan, op een 11de november, de dag van de wapenstilstand, om de Duits-Franse verzoening te bezegelen. Door ruitjes in het souterrain waren de botten en schedels zichtbaar van de soldaten die tijdens de beschietingen in de modder geploegd waren, en later opgedolven en verzameld.

'Gelukkig voor Gods oog'? Hier leek God de legers tussen de tanden te hebben genomen, vermalen en weer uitgespogen. Dat is een lelijke beschuldiging, want het is allemaal mensenwerk. Maar bij vernietiging op zulke schaal ontkomt ook een goddeloze niet aan het visioen van een onzichtbare hand die de mensen tegen elkaar opzet, als waren het tinnen soldaatjes.

Een andere Franse schrijver, Jean Giono, zag de rekruten gedwee naar het front gaan, als schapen achter de herder ('De grote kudde', 1931). Nadat God zich eindelijk verveeld van de massamoord had afgewend, kwamen de mensen weer tot zichzelf en richtten, beschaamd, gedenktekenen op. Bij het gebeente van hun doden zwoeren zij plechtig: nooit weer!

Tevergeefs, zoals bekend. Wat die vloeken of beden aan het adres van God verwoorden, is de indruk dat oorlog buiten de wil van de soldaten omgaat. En doorgaat, want wapenstilstand duurt altijd maar kort.

Zo staan we als Hamlet (IV, 4) aan de kant, ,,terwijl ik tot mijn schande zie hoe twintigduizend man, voor een illusie en de geur van roem, de dood in gaan en naar hun graf marcheren als naar een bed. Voor een lapje grond zo klein dat ze elkaar eerder zullen vertrappelen dan vermoorden met een zwaard! Het is er aanschuiven tot in de dood! Er zal niet eens voldoende slijk zijn om hun lijken te bedekken! Ah! Voortaan denk ik aan bloed, aan bloed, alleen aan bloed.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden