Review

Geldzucht, tolerantie en straatrumoer

Amsterdam stond in 1597 op de drempel van haar Gouden Eeuw. Gabri van Tussenbroek gidst de lezer met aanstekelijk enthousiasme door het dagelijks leven van een ontwakende metropool.

De meeste vissersdorpjes blijven gewoon vissersdorpjes. Heel soms loopt het anders, en groeit een vissersdorpje zomaar uit tot het centrum van de wereldhandel.

Hoe dat precies komt? Je kunt er allemaal economische en geografische verklaringen op loslaten, maar dat blijkt toch vaak wijsheid achteraf. Gabri van Tussenbroek citeert de Amerikaanse fysioloog Jared Diamond, en concludeert dat Amsterdam in 1597 eigenlijk al aan diens criteria voldeed om weg te zakken in de vaart der volkeren: afwezigheid van bouwhout, problemen met een slappe bodem, problemen met waterbeheer, te veel mensen op een te kleine oppervlakte, voedselproblemen, brandgevaar. Inderdaad woedden er in dat jaar twee grote branden, die, als de wind net even anders had gestaan, de hele stad in de as hadden kunnen leggen.

Amsterdam was toen natuurlijk allang geen vissersdorpje meer. Maar de stad was ook nog niet uitgegroeid tot het economische en culturele brandpunt dat het een paar decennia later zou worden. De grachtengordel was nog niet aangelegd, het middeleeuwse stadscentrum barstte haast uit zijn voegen. Vondel was pas negen jaar oud, Constantijn Huygens leerde net lopen, Johan Blaeu lag nog in de luiers.

Zonder de pretentie te hebben dat hij wél precies de vinger kan leggen op het hoe en het waarom van het groeien van steden, wijst bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek dat jaar, 1597, aan als een cruciaal punt in de ontwikkeling van Amsterdam. Het was het jaar dat prins Maurits de laatste Spanjaarden uit de noordelijke Nederlanden verdreef en de jonge Republiek een aaneengesloten grondgebied verwierf.

Bovendien was het in 1597 dat Amsterdam de wijde wereld leerde kennen. Niet langer waren de kooplieden van de stad tevreden met de kleine marges die ze konden verdienen op de waren die door de Portugezen uit Azië werden aangevoerd. Ze besloten zelf een route te zoeken die de eigen schepen naar Indië zou leiden.

In 1597 kwamen twee expedities terug in Amsterdam. Eerst die van Cornelis de Houtman, die er in geslaagd was om via de Kaap naar Indië te varen. Dat er geen ’noordelijke doorgang’ naar Indië bestond, daarvan konden de overgebleven leden van de expeditie van Willem Barentsz getuigen, die in de herfst terugkwamen in Amsterdam, na een overwintering vol ontberingen op Nova Zembla.

De reisverslagen van beide expedities werden uitgegeven bij Cornelis Claesz, de grootste boekhandelaar van de stad. Claesz is de hoofdpersoon in de reconstructie die Van Tussenbroek maakte van het dagelijks leven in Amsterdam in 1597. Via Claesz kan hij zijn licht laten schijnen op het strategische belang van informatie in die tijd. Claesz gaf veel reisverslagen uit, en werken over kustnavigatie. Maar de uitgever draaide evenmin zijn hand om voor een boekje met voorspellingen door een waarzegger.

Soms wordt Claesz er een beetje met de haren bij gesleept, want de belangstelling van Van Tussenbroek kent nauwelijks grenzen. Vol aanstekelijk enthousiasme gidst hij de lezer langs de vele markten en pleinen van de stad. Hij vertelt over de bewoners van de eerste tuchthuizen. Hij neemt een kijkje aan de kade, en schetst hoe de Amsterdamse en Haarlemse veerschippers hun vetes uitvochten – ook toen was er dus al een soort taxioorlog in de hoofdstad.

Het resultaat is een duizelingwekkende stadswandeling, die losjes de chronologie van de gebeurtenissen van dat jaar volgt, van januari tot december. Van Tussenbroek schrijft het met veel inbeeldingskracht op. Januari begon zacht. „Het milde weer kwam de Amsterdammers goed uit. In herbergen werden plannen gesmeed voor nieuwe ondernemingen en bij het licht van olielampjes en onder het genot van slappe wijn, veel bier en gepekeld vlees maakten handelaren afspraken over te bevrachten schepen. Notaris Jan Fransz Bruyningh schreef zijn eerste bevrachtingscontracten van het jaar uit. Iedereen rook geld.”

De objectieve economische en geografische factoren die ertoe bijdroegen dat Amsterdam een eeuw lang de wereldhandel zou domineren, daar kunnen we nog even over doordiscussiëren. Maar wie die groei wil begrijpen moet evenzeer een gevoel hebben voor de sfeer die destijds binnen de muren van de stad hing: de ongebreidelde geldzucht, de angst voor natuurgeweld, de ontluikende tolerantie, het straatrumoer. Dat sfeerbeeld weet Van Tussenbroek erg mooi op te roepen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden