Geld stroomde binnen bij het illegale Trouw

Het illegale Trouw was een omvangrijke en wijdvertakte organisatie die zichzelf geheel kon bedruipen. De sympathie voor het verzetsblad was groot. ’Als we geld vroegen, dan kregen we het wel.’

December 1944. De verspreidersorganisatie van het illegale blad Trouw vergadert op een geheime plaats in Friesland. Aan de orde zijn de financiën. Friesland zit er warmpjes bij, maar de redactie en centrale verspreidersorganisatie kunnen wel wat ondersteuning gebruiken. „Wij zenden 10.000 gulden naar Amsterdam. Onze reserve blijft onaangesproken. De toestand is zeer gezond. Het salaris van de koeriersters wordt geregeld. Ook dat van de luisterposten van de Trouw-bulletins’’, vermeldt het verslag van de vergadering.

Het illegale Trouw, opgericht op 30 januari 1943, was tijdens de Tweede Wereldoorlog een krant in vol bedrijf. Hoofdredacteur Sieuwert Bruins Slot was er trots op dat hij nooit een cent hoefde aan te nemen van de Nederlandse regering in ballingschap. ’Laat ik u zeggen, dat het Trouw financieel nooit zo goed is gegaan als juist in de oorlog. Het geld stroomde binnen. De mensen vonden het heerlijk om te lezen’, aldus Bruins Slot in een vraaggesprek ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Trouw.

Lezers van Trouw betaalden – als ze dat konden – grif voor het blad. „Mensen waren vrijgevig, hoor’’, zegt Henk Toby, Trouw-verspreider in Wormerveer. „Ik had mensen die tien of vijftien nummers wilden hebben. Dan zei ik: ’Joh, we moeten wel geld hebben’ en werd er geld bij elkaar gezameld. Dan kreeg je soms een paar honderd gulden tegelijk uitgekeerd.’’

Het maken van een illegaal blad was geen liefdewerk, oud papier. Honderden mensen zetten zich belangeloos in om Trouw te drukken en verspreiden, maar voor inkt, papier en stencilmachines moest wel worden betaald. Koerierster ’Jopie’ (schuilnaam van Hannie Sierink): „Ik kreeg ook wel geld voor het krantje, onder anderen van de bakker. Dat geld gaf ik door aan Rens, mijn contactpersoon bij de stencilpost ’’.

’Jopie’ werd er in Gouda op uitgestuurd om stencilpapier te gaan halen, zogenaamd voor het Van Iterson-ziekenhuis. ’Verzoeke beleefd met brenger dezes eenige pakken stencilpapier mede te geven voor het ziekenhuis. Indien het niet anders kan ook tegen zwarte prijzen. Acht pakken is voldoende’, aldus een briefje van de ’administrateur’.

Trouw-medewerkers hadden zelf weinig inkomsten. Veel mannen zaten ondergedoken om aan tewerkstelling in Duitsland (de Arbeitseinsatz) te ontkomen. De meisjes die als koerierster voor de Trouw-organisatie werkten, waren te jong om zelf geld te verdienen. Dus werd er een beroep gedaan op lezers, kerkelijke gemeenten, scholen en bedrijven om met geld en vooral in natura bij te springen. Op de eerste etage van een school in Haarlem had hoofdverspreider Piet Tjeerdsma vijf tot zeven ’jongens’ ondergebracht die er radioberichten voor de Trouw-bulletins opvingen, de kopij uittypten en op een Rotoprint-machine afdrukten.

„Die jongens moesten niet alleen huisvesting hebben, maar ook eten, drinken en verwarming. Ik had contact met een kolenhandelaar van onze kerk. We hadden wel een kachel, maar geen kolen. Die kolenboer bracht dan regelmatig een handkar vol kolen. Voor eten en drinken heb ik een kar met paard gehuurd waarmee drie man boeren in de Haarlemmermeer afgingen om aardappelen en groenten te halen. We stonden bij de bevrijding 25.000 broden in het krijt bij de bakker.’’

Per maand had de Trouw-organisatie alleen al aan centrale kosten 11.000 gulden; naar huidig prijspeil omgerekend is dat 137.520 gulden ofwel 62.400 euro. Een fors bedrag dat opging aan ’steun en loon’, redactiekosten, luisterpost (schuilplaats waar voortdurend radioberichten over het verloop van de oorlog werden opgevangen en uitgewerkt), ’Bureau der Keezen’ (afdracht aan de penningmeesters Kees Streef en Kees van Drimmelen), koeriersdienst Amsterdam en ’diversen’. Op het hoogtepunt bedroeg de oplage van het illegale Trouw 145.000 per maand. De Trouw-bulletins, een compacte uitgave met het laatste nieuws, bereikten begin 1945 een dagelijkse oplage van 350.000 exemplaren.

De redactie in Amsterdam en de verspreiders in den lande hadden er meer dan een dagtaak aan om Trouw gedrukt en verspreid te krijgen. Zo lang de treinen nog reden, was het mogelijk om de krant op een paar plaatsen te drukken en van daaruit te verspreiden. In Zeeland gebeurde dat bij drukker Jacques de Smit in Oost-Souburg. Studenten indologie die als hobby aan gewichtheffen deden, brachten het tientallen kilo’s zware loden zetsel onder hun jas van de ene naar de andere drukkerij.

Jan van Alten, verspreider voor Walcheren: „Dat zetsel werd dan in Goes gebracht en van daar ging het naar drukker De Smit in Oost-Souburg. We drukten daar voor Brabant, Zeeland en Limburg. Er zijn er misschien vier of vijf gedrukt, in een oplage van zo’n 25.000. Als de kranten niet in Souburg gedrukt werden, kwamen ze van buiten Zeeland naar ons toe. Die werden via Brabant gedeponeerd bij een adres van de psychiatrische inrichting Vrederust bij Bergen op Zoom.

Wij, de vijf hoofdverspreiders van Zeeland, gingen met koffers en fiets met de trein naar Bergen op Zoom. Dan fietsten we met de koffers naar Vrederust, daar was een hokje en wisten we dat die dingen daar stonden, stopten onze koffers vol met kranten, fietsten terug naar het station. Daar stond altijd Landwacht. We wachtten tot de trein op vertrekken stond en renden met die fietsen en koffers naar de trein.’’

Volgens Jan Eusman was het bij de Trouw-groep in Amsterdam allemaal niet zo strak georganiseerd. „Ik deed binnen de Trouw-groep van alles en nog wat. Het ging zo van ’Ach Jan, doe jij dat even’ of ’Eussie (dat was mijn bijnaam), een mooie taak voor jou’. Ik heb me nooit afgevraagd: moet ik dat nou wel doen? Je deed wat op je weg kwam. Ik heb veel contact gehad

met drukkers, onder anderen S.J.P. Bakker en met een drukkertje in de Pijp. De drukker bracht ik de kopij en daar haalde ik stapels kranten af die daar gedrukt waren. Ik had weer andere mensen om de kranten te bezorgen.’’

De distributie van Trouw verliep via een fijnmazig netwerk. Elke provincie had een eigen hoofdverspreider met onder zich een aantal onderverspreiders. Die hadden elk weer een eigen rayon om de krant verder te verspreiden. Daarin speelden christelijke onderwijzers en predikanten een belangrijke rol. De lezers ten slotte zorgden voor verspreiding in eigen kring. Van Alten (Zeeland): „Er werd ook geld voor de krant opgehaald, één gulden voor Trouw en de rest voor het LO-werk (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers; red.). Mensen wilden graag geven, hoor. Je kon best wat loskrijgen.’’

In Noord-Holland behoorde Henk Toby tot de verspreiders van het eerste uur. Samen met hoofdverspreider Jaap Boot liet hij het eerste cliché maken voor de landelijke editie van Trouw, maar dat keurde de redactie af. De afgebeelde rijksdaalder met koningin Wilhelmina herinnerde te sterk aan de ’gave gulden’, het beleid van de vooroorlogse minister-president Colijn om de gulden niet te laten devalueren. Het nieuwe cliché, ook met koningin Wilhelmina in de rechterbovenhoek maar zonder munt als ondergrond, kon wel genade vinden bij de redactie.

Toby: „Jaap Boot had contact met iemand in Hillegom, die kende daar drukkerij Kat. Dat waren twee halfbroers, die waren wel bereid Trouw te drukken. Daar hebben ze tot aan de bevrijding toe altijd Trouw gedrukt. Jaap en ik gingen naar Hillegom toe en kwamen terug met tassen vol kranten. Ik heb daar zelf ook uren staan drukken. Dat deden we op een oude Heidelberger pers, waar je het papier met de hand in moest leggen.’’

Henk Toby dreef samen met zijn ouders een woninginrichtingszaak. Dat was een bruikbare dekmantel voor zijn illegale werk. Bij het zoeken van nieuwe medewerkers was het een pré als ze een netwerk of werkkring hadden waardoor ze makkelijk contacten konden leggen.

Zo kreeg Bert Buddingh’ als jonge onderwijzer ’een seintje’ om te solliciteren naar een baan in Ridderkerk. „Daar moest ik de verspreidersorganisatie van Trouw opzetten. Boekhandelaar Jan Huizer was het centrale punt. Als de boeken van W.G. van de Hulst rechts van de tafel stonden, was het veilig, dan kon ik naar binnen toe. Omdat ik bekend was met het onderwijs en de meeste mensen kende, kon ik ze uitzoeken. Die waren te vertrouwen, dat wist ik zeker. Het illegale werk was allemaal niet zo ingewikkeld. Je kende elkaar. Ik kende Piet, Piet kende Jan en zo groeide het verder uit.’’

Gerrit van Kasbergen gebruikte zijn werk bij de marechaussee als dekmantel. „Het uniform was de dekking. Een sergeant bracht me op het idee. Hij zei: ’Dat moet je ook doen. Ik heb een pistool, een gummistok en een klewang en goeie papieren, dus mij maken ze niks. Je kunt iedereen helpen die je wilt.’ Voor Trouw werkte ik ook in uniform. We vervoerden kranten met een gestolen auto, zonder papieren. Als je dan in uniform ging, keken die moffen niet naar de auto en ze vroegen ook geen rijbewijs. Dan was het meestal: ’Rijd maar door’ en dan had je geluk gehad. Mazzelpik, goed engelbewaardertje.’’

Leen Mos maakte gebruik van zijn netwerk in de gereformeerde kerk van Den Haag. „Vanuit de gereformeerde kerk kende ik een aantal mensen als vertrouwd, zoals dominee Jo Kuiper, Gerrit Lammens, Niek Barendregt, Bart van Hulten; jongens die ik kende van de jongelingsvereniging uit de kerk.

Zo wist je dus bij wie je die kranten kon deponeren. Ik was heel dankbaar voor mijn kerkelijke contacten want daar kon je op vertrouwen. Dat was prima! Ik kreeg mijn eerste vrachtje, van dertig tot vijftig exemplaren. Bij al die lui ben ik langs geweest. De volgende dag na de kerk zag je overal dat er werd gefluisterd ’Heb je dat artikel gelezen?’’’

De Trouw-verspreiders hielden regelmatig ’weekends’ om lopende zaken door te spreken met een vertegenwoordiger van de redactie (meestal Elbert van Ruller of Jan Smallenbroek) en afspraken te maken over waar Trouw zou worden gezet en gedrukt en hoe het vervoer moest worden geregeld. Het verslag van de verspreidersbijeenkomst in Noord-Holland van 5 maart 1944 geeft een beeld van het geregel dat nodig was om Trouw te laten verschijnen.

’In de rondvraag biedt Huib een damesfiets aan. Bart zegt, dat hij voortaan Nico heet. Mies vraagt of ze in Zuid-Holland al meisjes hebben. Engbert wil een geboorteakte uit Den Haag hebben. Harry vraagt om inlegvellen, verbinding met knokploegen, zegel- en nieuwe stamkaarten, Arie verzoekt Boisots (onder pseudoniem geschreven vlugschriften), foto’s, melk, brood- en suikerbonnen. Greet vertelt dat bon 069 voor schoenreparatie is.’

Ook de correspondentie tussen de regionale verspreiders en de redactie in Amsterdam ging meestal over praktische aangelegenheden. ’Hoe is het bij jullie? Iets niet in orde?’, vraagt Piet Tjeerdsma (Haarlem) op 24 februari 1945 in een briefje aan het redactiesecretariaat. ’Ik vraag het hierom, omdat ik de heele week geen luisterpost (van de radio afgeluisterde berichten; red.) gehad heb en vrees dat er iets is. ’t Kan ook zijn dat ze geen papier meer hebben. Daarom stuur ik hierbij 4 x 500 velletjes, hopende dat jullie ze kunnen gebruiken.’

De verslagen van Cor van der Hooft, verspreider in Rotterdam, bieden een interessante combinatie van feiten en meningen. Op 17 oktober 1943 schrijft Van der Hooft onder het kopje ’Benzine’: „Wim uit A. heeft onderhandelingen aangeknoopt. Hij kan 2 of 3 fietsen krijgen voor 1.000 liter benzine. Allen beweren dat dit geen verhouding is – gezien ook de prijs van voor de oorlog. We zijn geen zwarthandelaren. Men zal pogingen in het werk stellen om de benzine in te wisselen tegen banden (onderstreept). 850 liter is daarvoor beschikbaar. We hebben nog 4.000 liter. Toon krijgt 10 liter voor ’n akkefietje en Arie wordt voorzien. De rest van de 1.000 is voor de drukkers. Allemaal wat.’’

Het was onvermijdelijk dat verspreiders in een ethisch schemergebied werkten. In oorlogstijd kon het nodig zijn om van gangbare paden af te wijken, maar het werken voor een ’ondergrondse’ krant was zeker geen vrijbrief om vrijelijk je gang te gaan. Op 11 december 1944 kwamen de verspreiders in Utrecht bijeen, die ’practisch geen van allen een berijdbare fiets meer hebben’. ’Is het geoorloofd een fiets te gappen van een burger die hem niet nodig heeft? Na brede discussie oordeelde men dit in het algemeen ongeoorloofd, zodat we ons nu zullen gaan specialiseren op het teruggappen van moffenfietsen.’

Het ritselen werd voor de Trouw-verspreiders een tweede natuur. Met geld, spullen en het inlossen van beloften probeerden ze hun zaken te regelen. Henk Toby (Zaanstreek): „We zijn ook wel met een luxe wagen uit Wormerveer naar Hillegom gereden. Daar kreeg ik duizenden kranten mee. Soms hadden we een bakfiets waar enorm veel Trouws op gingen. Dan reden we naar het station van Hillegom, hoewel daar altijd Duitse bewaking was. Dan kwam de trein. We hadden afgesproken met een postbeambte die in de laatste coupé van de trein zat. Dan werden al die Trouwszo in de trein gegooid en die gingen dan naar Rotterdam toe. Van de kranten die we naar Wormerveer brachten, werden pakjes gemaakt van twintig, dertig kranten. Die brachten we door de hele provincie Noord-Holland. Op de fiets ging ik naar Enkhuizen, Medemblik, Zaandijk, Landsmeer, Hoorn, Wieringerwerf, ook in de winter op slechte banden.”

Koeriersters onderhielden op de fiets een dagelijkse verbinding tussen steden en het achterland. Jonge meisjes konden zich betrekkelijk onopvallend verplaatsen omdat ze niet onder de Arbeitseinsatz vielen en de ritten vaak combineerden met de fietstocht naar school of het rondbrengen van bestellingen. Tankie Leppink bijvoorbeeld fietste vanuit haar woonplaats Nieuwerkerk aan den IJssel dagelijks naar de kweekschool in Rotterdam. Daardoor kon ze zonder dat het opviel op verschillende adressen post voor onderduikers en verzetsmensen ophalen en wegbrengen.

Roelofs haalde daarnaast op de fiets drie keer in de week duizenden exemplaren van Trouw op in Ouderkerk aan den IJssel. Koeriersters uit omliggende plaatsen kwamen de kranten dan bij haar thuis ophalen.

Ook voor Hannie Sierink (Gouda) groeide het koerierswerk uit van ’een krantje wegbrengen’ tot een geregelde dienst om duizenden bladen te vervoeren. „Eén adres was De Korte in de Vlamingstraat. Die moest ook een stapel krantjes hebben. We hadden afgesproken: als het fout zat, zou ze het vaasje voor het raam weghalen. Dat kon ik op een afstand al zien, als ik op het pontje voer. Op een gegeven moment was dat vaasje verdwenen. Dan bel je er niet meer aan, natuurlijk. Het was mis. De Korte was gearresteerd. Die man is later wel vrijgekomen, maar z’n broer is omgekomen.’’

Naarmate de oorlog vorderde, werd het steeds lastiger om aan fietsen te komen. Fietsen werden op grote schaal in beslag genomen en naar Duitsland afgevoerd. Wie nog wel een fiets had, moest veel moeite doen om nog aan deugdelijke banden te komen.

’Het bandenprobleem is nog steeds de dringendst bestaande kwestie’, vermeldt in januari 1945 het verslag van de verspreiders in Overijssel. ’Hier moet opgetreden worden, anders zullen de koeriersdiensten onmogelijk worden. Er was een zaakje gevonden met 100 banden waar weinig over te zeggen viel. Verder moesten er nog banden in Voorburg zitten. Ook hier verder geen nieuws over.’

De koeriersdienst vormde een belangrijke schakel in de Trouw-organisatie. Op de koeriersters moest je kunnen rekenen. Ging er eens iets mis, dan waren de rapen gaar. Een verspreider schreef geërgerd aan de centrale organisatie dat ’Nieuw-Vennep vandaag tot elf uur op jullie heeft gewacht’.

’Wat is dat toch voor geduvel met die dienst tegenwoordig? Is het nou werkelijk zoo’n heksentoer om op tijd aanwezig te zijn?’ De centrale organisatie meldde op haar beurt bezorgd dat ’zaterdag de post helaas weer niet is doorgekomen’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden