GELD IS HET TOVERWOORD VOOR EEN AMERIKAANSE POLITIEKE CARRIERE

Phil Gramm neemt alvast een voorschot op zijn kansen als hij zich in februari 1995 als eerste Republikein aandient om president Bill Clinton anderhalf jaar later uit het zadel te gooien.

BERT VAN PANHUIS

“Ik weet dat ik niet veel kans maak”, stelt de Texaan met een krakende, zuidelijke tongval vast. “Ik praat te raar, ik begin kaal te worden en ik draag de verkeerde bril.” Met zijn professorale echtgenote Wendy naast zich durft hij het pijnlijkste negatieve argument nog niet eens aan te kaarten. Wendy is Koreaanse en, zoals verslaggevers even later nuchter vaststellen, de doorsnee-Amerikaan moet geen first lady met spleetoogjes. Een jaar later, voor de voorverkiezingen van 1996 nog maar goed beginnen, heeft Gramm alweer afgehaakt.

Wat moet je hebben om anno 1998 in de Verenigde Staten een politieke loopbaan te (kunnen) beginnen? Geld? Relaties? Geslepenheid? Charme? Een knappe smoel? Overtuigingskracht? Ideeën? Of een beetje van alles, waardoor je een meerderheidscoalitie van tal van uiteenlopende groeperingen weet te smeden? Moet je een allemansvriendje zijn of je 'speerpunten' zorgvuldig selecteren?

Filmscenario's hebben sowieso de neiging ter wille van het grote publiek te versimpelen en mooi te maken. Dus als Jimmy Stewart in Mr Smith goes to Washington (1939) de strijd aanbindt met corrupte medepolitici, dan is de boodschap: integriteit wint uiteindelijk. Als in The Candidate (1972, het hoogtepunt van Richard Nixons presidentschap) Robert Redford aan zijn politieke loopbaan begint, blijkt het al minder simpel. Een mooie jongen met idealen gaat uiteindelijk voor de bijl en verzandt in cynisme en stinkende compromissen. En als in Primary Colors (1998) gouverneur Jack Stanton (lees Bill Clinton) campagne voert voor het presidentschap, is de conclusie van de kijker: als je ideeën aan de man wil brengen, dan doe je dat met list, bedrog en manipulatie. De boodschap op zichzelf houdt zich niet staande in het verkiezingsgeweld.

Het is een misverstand dat een politicus knap en telegeniek moet zijn om het tot president, gouverneur of senator te kunnen schoppen. Het idee is in het najaar van 1960 de wereld ingebracht na het televisiedebat tussen John Kennedy en Richard Nixon. De Republikein voelt zich zichtbaar ongemakkelijk en heeft zweetdruppeltjes op zijn lip en voorhoofd, terwijl Kennedy ontspannen en vitaal oogt. Maar dat daarmee de presidentsverkiezingen van 1960 worden beslist, is schromelijk overdreven.

Pure fysieke schoonheid is zelden een basis geweest voor een politieke carrière. Van alle kandidaten voor het presidentschap heeft er de afgelopen dertig jaar maar één aan het criterium 'knap' voldaan: Gary Hart, de 'John Kennedy van de jaren tachtig'. Als deze rokkenjager iets te opvallend vreemdgaat, is het met zijn loopbaan gedaan. De recente historie van Clinton toont aan dat de tolerantiedrempel van het Amerikaanse publiek inmiddels ook is verlaagd.

Uiterlijk en kleding zijn hachelijke steunpunten voor een Amerikaanse politicus op de ladder naar boven. Als de Republikeinse gouverneur Lamar Alexander in 1995 aan zijn campagne voor het Witte Huis begint, trekken zijn medewerkers hem een houthakkershemd aan. Zijn eerste strijdtoneel is het platteland van Iowa en New Hampshire. Daar houden ze van jongens van de gestampte pot. Binnen de kortste keren is het ruitjeshemd het handelsmerk van Alexander. Totdat de gimmick is uitgewerkt; als de gouverneur zijn campagne stopt, draagt hij alweer gewone pakken.

De reden voor zijn afhaken is een lege kas. Geld is het toverwoord voor de politieke carrière in Amerika geworden. In de jaren tachtig kun je het als presidentskandidaat wel vergeten als je niet al jaren bezig bent geweest een schatkist te vullen. Pas dan kun je een serieuze campagne beginnen. Maar, er is pas bereidheid geld in iemands loopbaan te steken als er vooruitzichten zijn dat het niet in een bodemloze put verdwijnt. Een echte vicieuze cirkel.

Een kandidaat kan vandaag de dag niet zonder een politiek beginkapitaal van op zijn minst tientallen miljoen dollars. Daarvan moet hij in alle vijftig staten van de VS regionale verkiezingskwartieren inrichten. Die moeten in gigantische deelstaten als Californië, Texas en New York weer zorgen voor plaatselijke kantoortjes. Vooral in de voorverkiezingsfase is het binnen een politieke partij ieder voor zich en God voor ons allen. Dus heeft Nashua (New Hampshire) zijn kwartier 'Dole for president', zijn kwartier 'Alexander for president', zijn kwartier 'Buchanan for president'. De medewerkers kosten geen cent; het is allemaal liefdewerk oud papier. Maar de telefooncentrale moet wel worden betaald, net als het reclamemateriaal. Financiële uitputting is doorgaans de belangrijkste reden om ermee te stoppen.

Dat harde gelag valt vandaag de dag ook al menig kandidaat voor de Senaat ten deel. Soms moet het persoonlijke bezit worden aangesproken om de eindstreep te halen. Als Jay Rockefeller in 1984 wordt gekozen tot senator voor West Virginia, past hij zestig miljoen uit eigen zak bij: honderd gulden per kiezer. Michael Huffington trekt tien jaar later op dezelfde manier zijn portemonnee in Californië. Hij wordt op een haar na gekozen tot senator.

Huffingtons bijna-verkiezing is het ultieme voorbeeld van hoe je in de VS met een bijna onbeperkt budget en uitgekiend manipuleren een leeghoofd tot volksvertegenwoordiger van de grootste en belangrijkste staat verkozen kunt krijgen. Ed Rollins, een omstreden politieke strateeg die Huffingtons campagne leidt, vertelt in zijn memoires 'Bare knuckles and back rooms' hoe: zonder ophouden negatieve reclameboodschappen over je tegenstander op de tv vertonen, het massacommunicatiemiddel in een staat als Californië. En door de (niet-bestaande) ideeën van je kandidaat zo verborgen te houden als 't maar kan.

Het zou Rollins zijn gelukt als hij niet in de wielen was gereden door Arianna Stassinopoulos Huffington, de echtgenote van de kandidaat-senator. Of zoals Rollins haar noemt: die Griekse Raspoetin. Zij moet zo nodig een illegaal Guatemalteeks kindermeisje in dienst houden, zonder dat de strateeg ervan weet en terwijl haar man actie voert tegen illegale Latino's. De laatste tv-boodschappen van het andere kamp dat de Huffingtons 'niet te vertrouwen' zijn, doen de Republikein Huffington de das om. Met de campagne van Nixon in 1968 is het 'verkopen' van de kandidaten begonnen. Een man die al eens een campagne - die van 1960 - heeft verloren. Wiens imago er een is van onbetrouwbaarheid, sluwheid en gewetenloosheid. Wat de verkopers gaan doen is niet de politicus Richard Nixon veranderen. Ze gaan manipuleren met zijn imago. Projectie heet dat. De twijfelaar Nixon wordt gepresenteerd als de leider Nixon, de man die voor orde en gezag staat, die de oude verhoudingen wil handhaven of herstellen. Er komt niet een nieuwe Nixon, maar een nieuw imago van Nixon. Geleidelijk, soepel en natuurlijk zodat het niet geforceerd bij de massa overkomt.

Tijdens zijn campagne in Oregon wordt Nixon gevraagd wat hij vindt van dat 'imago-gedoe'. “De mensen zijn veel minder in imago's geïnteresseerd dan columnisten, commentatoren en opiniepeilers”, citeert auteur Joe McGinnis hem in zijn standaardboek 'The selling of the president'. Nixon: “Ikzelf schuif het advies van pr-deskundigen opzij die menen dat ik goed moet letten op wat ik zeg en wat ik doe. Het Amerikaanse volk houdt niet van mijn gezicht, maar het gaat wel luisteren naar wat ik te zeggen heb.”

Nixons team is meer dan tevreden. Hij heeft niet zozeer zichzelf gepresenteerd, als wel het beeld dat zijn medewerkers graag de wereld in willen hebben. De presentatie naar het grote publiek van Ronald Reagan en Bill Clinton na de periode-Nixon bewijst dat het concept nog steeds ijzersterk is in de Amerikaanse politieke cultuur. Niet wat je bent telt, maar wat je verbeeldt.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden