Gelachen hebben we

Een afdeling van een penitentiaire inrichting heeft één telefoon. De pik-orde onder gedetineerden bepaalt wie 'm mag gebruiken: sommigen krijgen nooit de kans. Signaleer dat, en zorg voor een tweede telefoon. Humanisme in de praktijk?

JAN WARNDORFF

Op deze pagina viel onlangs te lezen over een identiteitscrisis van het Humanistisch Verbond: nu het merendeel van de bevolking inderdaad vindt dat hij of zij zelf wel uitmaakt wat te geloven en hoe te doen, is het Verbond zowel z'n taak als aanhang niet meer zeker.

De oprichter van het Humanistisch Verbond, Jaap van Praag, sprak destijds van een kleine strijd, en een grote strijd. De kleine strijd betrof de maatschappelijke emancipatie van buitenkerkelijken; de grote strijd betrof “de strijd om de geest van de buitenkerkelijke mens. Zal dat zijn een kleurloze, opportunistische of nihilistische geest, of een geest van zelfbewustzijn, doelbewustheid en creativiteit? Die geest te wekken en vruchtbaar te doen zijn was en is het doel van het Humanistische Verbond.

Hoewel de kleine strijd volgens van Praag al rond 1960 was gestreden, lijkt de grote strijd nog te moeten beginnen: naar de gewenste geest is het Humanistisch Verbond zelf immers naarstig op zoek. Het bijna tien-jarig bestaan van de Universiteit voor Humanistiek heeft hierin (nog) geen verandering gebracht: ook binnen die muren klinkt dagelijks de vertwijfelde vraag naar wat dat humanisme nou eigenlijk is.

De Universiteit voor Humanistiek verzorgt de opleiding tot humanistisch geestelijk werk. Vanouds is dit een van de belangrijkste activiteiten waarmee het Humanistisch Verbond werkt aan de weerbaarheid van de buitenkerkelijke geest. In het ziekenhuis, het leger, het gevang, is 'de humanist' het pendant van de priester en pastoor. Maar wat heeft de humanist te bieden? “Stenen voor brood”, werd hen nog in de jaren '70 naar het hoofd geslingerd; alle verontwaardiging ten spijt is het menu nog steeds een goeddeels onbeschreven kaart.

Dat steekt in een tijd waarin alle zorgverlening zich moet schikken naar het marktmodel. Wat is precies je product, en waar is het bewijs van effectiviteit? Zo vertaalt de identiteitscrisis van het Humanistisch Verbond zich in een legitimiteitscrisis van het humanistisch geestelijk werk.

Deze druk maakt het er voor de geestelijk werker niet gemakkelijker op. Deze moet vaak nog altijd strijden om erkenning door godsdienstige collega's, en om begrip en waardering van bestuur en overig personeel. De vraag dringt zich op: waar haalt de geestelijk werker zijn inspiratie vandaan?

Onlangs was dit het thema van een symposium georganiseerd door de Universiteit voor Humanistiek, de humanistische sector van de Vereniging van Geestelijke Verzorging, en het Humanistisch Verbond. Daar maakte verbondsvoorzitter Marian Verkerk duidelijk dat men voor een bron van inspiratie bij het Verbond aan het verkeerde adres is. Het Verbond zorgt slechts voor de voorwaarden waaronder geestelijk werk plaats kan vinden; voor inspiratie moet men zien te putten uit het humanistische gedachtengoed. Hoe en wie en wat liet ze in het midden; daarop had Henk Manschot, rector en hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit voor Humanistiek, wel een antwoord.

Montaigne en Socrates zijn volgens hem twee humanisten waar de geestelijk werker zijn voordeel mee kan doen. Deze twee figuren zijn namelijk zeer vertrouwd met hetgeen elke huidige geestelijk werker bedreigt: de ervaring van zinloosheid. Een ervaring die de humanistische geestelijk werker zich niet goed kan permitteren: hoe moet hij of zij dan in staat worden geacht anderen met hetzelfde probleem te kunnen helpen? Anders dan een godsdienstige collega ontbeert de humanist bovendien een kader om deze ervaring een plek en betekenis te geven.

Dáárvoor echter zorgen de genoemde twee figuren. Socrates werd immers voortdurend door zinloosheid geplaagd, en hij hekelde hen die hiervoor vluchten in voorgegeven zinsystemen. Zijn doorleving van de zinloosheid mondde uit in het besef: ik weet dat ik helemaal niets weet. Dit betekende een grote opluchting: Socrates ging op een benijdenswaardig luchtige, ironische manier door het leven.

Bij Montaigne treft men eveneens een grote mate van zelfrelativering, ironie en humor. Volgens Manschot zijn dit de vruchten van “de mystieke nacht.” De zinloosheidservaring hoeft dus niet negatief te worden gewaardeerd. De ervaring dat er geen absolute waarheid of waarde is voedt bovendien het respect voor de waarheid en waarden van anderen: een wezenlijk element in het humanisme en een essentiële houding van de geestelijk werker.

Kortom: ook het volledig gebrek aan inspiratie inspireerde! Manschot gaat in de richting van wat Ed van Hoorn, hoofd van de humanistische geestelijke dienst bij Justitie, “een klein humanistisch verhaal” noemt. Waar een groot verhaal toe kan leiden hebben we deze eeuw wel gezien; maar de crises van identiteit èn legitimiteit dwingen een meer substantieel humanisme af. Binnen instituten moet de geestelijk werker leren zich ook als loyaal ambtenaar te laten gelden: door het durven innemen van duidelijk morele standpunten, door het verwoorden van inhumaniteit - door het signaleren van die ene telefoon. Ter inspiratie lonkt Van Hoorn naar een meer 'bourgondisch' humanisme: genoeg van het masochisme, de zelfopoffering, de utopie. Opruimen, die metafysische resten, en laat ons toch eindelijk eens genieten van het leven.

Enthousiast gemompel was het gevolg: 's middags werd men op de wenken bediend door het inspring-theater Janssen en Co., onder het motto “een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.” We hebben gelachen - maar toch ook even gevreesd dat een jongleur met fakkels op een eenwieler de door Manschot gewenste vlam in de pan in 't plafond zou doen slaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden