Gekweld door hoop

In de aanloop naar de Internationale Dag van de Vermisten morgen, beloven landen die bij de oorlogen in ex-Joegoslavië betrokken waren, meer samen te werken. Want de zoektocht naar vermiste personen is nog steeds niet afgerond. TEKST

Rashat Qerkinaj vroeg zijn moeder 's ochtends om zijn polyester trainingspak voor hem klaar te leggen. "Die rotten niet zo snel in de grond", gaf hij als verklaring. Toen vertrok hij naar het aanmeldingscentrum voor het Kosovo Bevrijdingsleger UCK, dat in opstand was gekomen tegen Servië. Het was 4 augustus 1998. Rashat is sindsdien niet meer gezien.

Zijn vader Bajram Qerkinaj leunt voorover als hij het verhaal vertelt. Er is een levendigheid in zijn ogen die mensen meestal niet hebben als ze over de doden spreken. Rashat is dan ook nooit doodverklaard. Hij is vermist, en de anekdote is een puzzelstukje dat de vader heeft in zijn zoektocht.

Bajram Qerkinaj weet meer. Waarschijnlijk heeft een Servische politieagent zijn zoon niet ver van hun woonplaats Mitrovica gegrepen, zegt hij, nog voor hij bij de UCK-basis kon komen. Hij weet de naam van de agent, het was dezelfde man die de familie Qerkinaj eerder dat jaar in elkaar had geslagen. Door dat incident besloot Rashat zich op te geven voor het UCK.

Rashat Qerkinaj is hoogstwaarschijnlijk dood. Maar het laatste restje onzekerheid vreet aan vader Qerkinaj: "Er is geen bewijs, dus ik kan niet zeggen dat hij dood is. Het is ondoenlijk voor een ouder om zo maar aan te nemen dat zijn kind niet meer leeft."

Flarden van trainingspakken

Over de hele Balkan worden ze gevonden: flarden van trainingspakken zoals Rashat Qerkinaj ze droeg, sokken, hemden. Vanachter het politielint kun je ze zien op plaatsen waar een massagraf is gevonden. Het opgraven gaat uiterst secuur. Ieder stukje kleding is een aanwijzing. Het meeste komt terecht in een identificatiecentrum in de stad Tuzla, in Oost-Bosnië.

Dit is het terrein van teamleider Nedim Durakovic. Hij spreekt langzaam en zorgvuldig, precies zoals het werk dat hij doet. Durakovic houdt continu voor ogen dat hij dit doet voor mensen zoals Bajram Qerkinaj. "De families hebben duidelijkheid nodig. Ze moeten hun zoektocht kunnen afsluiten."

In Tuzla worden botten onderzocht en klaargemaakt voor DNA-tests in de geavanceerde laboratoria van de ICMP, de Internationale Commisssie voor Vermiste Personen. In een loods staan lange rijen stellages, vol met muf ruikende plastic zakken. Kleding en verder alles wat van belang kan zijn. Op een andere plank de menselijke resten. Het zijn altijd wel zo'n 1000 tot 1500 personen. Niemand die het precies weet. De DNA-tests moeten uitwijzen welke botten bij elkaar horen en dat kan jaren duren.

De ICMP gaf in bijna twintig jaar duizenden slachtoffers hun identiteit terug. "Aan het einde van de Joegoslavische oorlog waren er 40.000 vermisten, 32.000 van hen uit Bosnië", stelde Matthew Holliday van de ICMP onlangs op een conferentie. "Nu is twee derde van hen geïdentificeerd, en dat wordt beschouwd als een succes zonder precedent."

En de zoektocht gaat door. Deze zomer werden in de omgeving van de Bosnische stad Prijedor bijna 300 oorlogsslachtoffers geïdentificeerd en begraven. In Srebrenica worden op de herdenkingsdag van de massamoord in het stadje de recent geïdentificeerde resten begraven. Dit jaar zijn 175 mensen bijgezet. De kisten liggen in een loods, genummerd. Een lijst bij de deur geeft aan wie wie is. Een moeder zoekt haar kind, barst in huilen uit als ze neerhurkt naast de juiste kist.

Suhra Malic maakte dat mee. Ze begroef haar zoons Fuad en Suad in 2010. Toen de begraafplaats bij Srebrenica werd aangelegd reserveerde ze de graven, maar het duurde jaren voor de resten geïdentificeerd werden.

In detail kan ze uitleggen welke delen van haar zoons gevonden zijn. Het klinkt cru, maar haar is ieder bot dierbaar. "Het wachten was zwaar. Er is geen massagraf dat ik niet gezien heb. Een keer dacht ik dat ik Fuad zag. Ik herkende een stuk van het shirt dat hij droeg. Ik begon te schreeuwen en mensen vertelden me weg te gaan. Nu blijkt dat Fuad daadwerkelijk op die plaats gevonden is."

Malic wachtte jaren op dit afscheid, maar ze kent ook de keerzijde: "Het is een opluchting dat ze gevonden zijn. Ik weet nu wat er gebeurd is. Maar ik moet afscheid nemen van de onzekerheid. Ik moet mijn hoop begraven."

Om hun doden te vinden hebben de voormalige vijanden elkaar nodig. Voor informatie, voor toegang tot de lokaties. Gesneuvelde Serviërs liggen ergens in Kroatië, Servië nam vaak lichamen van Kosovaren mee naar het noorden. Omgekeerd vermoedt men dat heel wat door het UCK gedode Serviërs in Albanië begraven liggen.

Samenwerking gaat moeizaam, uitwisseling van informatie komt traag op gang, en de zoektocht wordt geregeld gekoppeld aan andere politieke geschillen. Alle zijden beschuldigen elkaar van tegenwerking.

Getuigen zijn er vaak wel. De afgelopen jaren bekende een reeks van daders, compleet met beschrijvingen van de lokatie van massagraven. Maar de autoriteiten zijn zelden enthousiast om te graven en zo hard bewijs te leveren van de oorlogsmisdaden die 'hun kant' beging.

In het zuiden van Servië, aan de Kosovaarse grens bij Rudnica, is dit jaar eindelijk een massagraf gevonden van Kosovaren. Het Servische leger nam de lijken mee toen het zich terugtrok uit Kosovo en dumpte ze vervolgens hier. De zoektocht duurde jaren. De Servische autoriteiten groeven eerst op de verkeerde plek, volgens critici moedwillig. Vervolgens bleek boven het graf een huis te zijn gebouwd dat niet zomaar kon worden gesloopt. Pas in april begon het graafwerk.

De vertraging zette veel kwaad bloed. "We vertrouwen Servië in het geheel niet", zegt Prenkë Ghetaj van de Kosovaarse regeringscommissie voor vermiste personen. "Er is geen enkele bereidheid om mee te werken. Ze doen alleen wat ze móeten doen, en dan nog pas onder internationale druk."

Toch graven specialisten uit Servië en Kosovo nu zij aan zij in Rudnica, onder begeleiding van afgezanten van de Europese Unie. De ICMP neemt de resten mee naar Tuzla om ze te identificeren. "De samenwerking is goed, erg professioneel", zegt forensisch expert Arsim Gërxhaliu, die het Kosovaarse team in Rudnica leidt.

Gërxhaliu weet waar hij over praat. Al jaren is hij betrokken bij de meest controversiële opgravingen. In de moeilijkste tijden van Servisch-Kosovaarse vijandschap reed hij al naar Batajnica, vlakbij de Servische hoofdstad Belgrado, om honderden vermiste Kosovaren op te graven die daar waren gedumpt.

Ruzies om botten

Zijn werk maakt Gërxhaliu tot een levende legende onder nabestaanden. Ze laten hem geen moment met rust, zucht hij. "Er zijn ruzies om botten. Ouders claimen een overschot en weigeren het af te staan, ook al staat vast dat het hun kind niet is. Ze bedriegen zichzelf liever dan dat ze nog langer in spanning leven. Een moeder belde me laatst midden in de nacht op om me te smeken een stel dierenbotten te nemen en die als haar zoon te presenteren. Ze kon het wachten niet langer aan..."

"Ze willen een graf." Gërxhaliu kijkt nog een keer plechtig over de tafel als hij de woorden één voor één herhaalt: "Ze Willen Een Graf."

Gërxhaliu kent als geen ander de politieke gevoeligheden. Hij vond Serviërs, Kosovaren en Roma, soms in gebied onder Servische controle, soms in Kosovo. De politieke druk is iets waarmee hij heeft leren werken. "Politici zijn allemaal forensisch experts", bromt hij. "Als wetenschapper moet je al die gevoeligheden omzeilen. Het is een soort slalom. Maar ooit komt er een dag dat we samen zullen werken... We moeten wel."

Gërxhaliu doet na een identificatie zijn sombere huisbezoeken en hij ziet overal hetzelfde: "De pijn, de druk waar ze onder staan... Nabestaanden zijn één volk." Maar dat wil niet zeggen dat het altijd zo wordt gevoeld.

Alle families lijden onder de vertragingstactieken die de daders toepassen. En dat zorgt voor een diepe wrok die samenwerking in de weg staat. Er is een overkoepelende regionale vereniging van ouders van vermisten, maar daaronder zijn de groepen vaak verdeeld, langs de etnische lijnen uit de oorlog.

Bajram Qerkinaj leidt een vereniging van ouders in Mitrovica, een tussen Serviërs en Albanezen verdeelde stad in Kosovo. Hij mijdt het benoemen van etniciteit: "We presenteren ons als ouders van vermiste kinderen. Iedere moeder wil weten waar haar kind is. Zo denk ik er tenminste over, maar niet iedereen in de vereniging is het daarmee eens."

Ook hij heeft een lange lijst van klachten over tegenwerking. Getuigen hebben jaren geleden al precies de lokatie aangegeven van een massagraf, in een Servische enclave op een paar kilometer van Qerkinaj's huis. Hij kan er langs lopen als hij wil, maar hij mag er niet graven.

Het enige dat er op zit is aandacht blijven vragen, in de hoop dat Rashat gevonden wordt. De wond heelt nooit, verwacht hij, maar zal wel kalmeren als zijn zoon is gevonden: "Dan moet ik zijn dood accepteren."

Pioniers op de Balkan

"De samenwerking wordt ieder jaar beter", denkt Marko Jurisic van het Bosnische Instituut voor Vermisten. Dit jaar is weer een aantal menselijke resten overgedragen; door Servië aan Bosnië, door Bosnië aan Kroatië en vice versa.

De betrokken landen op de Westelijke Balkan ondertekenen vandaag een verklaring waarin ze beloven de samenwerking verder op te schroeven. Het is voor het eerst dat Kroatië, Servië, Montenegro en Bosnië op die manier hun verantwoordelijkheid nemen, zegt de ICMP, die de verklaring opstelde ter gelegenheid van de Dag van de Vermisten op 30 augustus.

Nabestaanden willen vooral dat het minder vrijblijvend wordt. Dat zou niet alleen de families helpen in hun zoektocht: "Het bouwt vrede en vertrouwen tussen de burgers en betere samenwerking tussen de landen", denkt Ljiljana Alvir, voorzitter van de overkoepelende organisatie van families van vermisten in de regio.

Maar die roep is er al jaren. Nedo Maric van een Servische organisatie voor vermisten uit de Kroatische oorlog: "Dit had in vijf jaar kunnen worden opgelost. Dan hadden we zekerheid gehad en had iedereen een leven kunnen opbouwen, vrede kunnen zoeken."

Betere samenwerking

De Internationale Commissie voor Vermiste Personen ICMP is opgericht in 1996 naar aanleiding van de Joegoslavische oorlogen. Het zoeken is sindsdien een specialisme geworden, complete teams doen jarenlang niets anders, met steun van donoren zoals Nederland.

Nog steeds is oud-premier Wim Kok één van de commissarissen, een taak die hij opnam nadat hij in 2002 aftrad omwege de val van Srebrenica.

De ICMP werd op de Balkan een goed geoliede machine, van de manier waarop nabestaanden het beste kunnen worden benaderd tot het doorzoeken van een digitale DNA-database. Al die kennis wordt in andere conflictgebieden toegepast. Voormalig Joegoslaven gaan geregeld naar landen als Chili, de Filippijnen of Irak. De ICMP stuurde in samenwerking met Interpol ook een expert uit Bosnië naar Oekraïne om te helpen bij de zoektocht naar de passagiers van MH17.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden