Gekooid in een roomse Efteling

De katholiek van vóór 1970 had een eigen, veilig universum, maar daar hing wel een prijskaartje aan

Leven in een tussengebied. Zo karakteriseerde schrijver Kees Fens ooit het katholieke bestaan tot de jaren vijftig van de vorige eeuw. Een katholiek trouwde, voetbalde, zong, wandelde, reisde, danste en at rooms - op vrijdag geen vlees maar vis. Alsof er geen andere werkelijkheid bestond dan die van de eigen uitverkoren groep. Geborgenheid, veiligheid, reinheid, knusheid en zekerheid hoorden erbij, net als onmondigheid en gehoorzaamheid, aldus Fens.

Een 'goed katholiek' moest naast gelovig allereerst fatsoenlijk zijn. Je hield de duivel in de gedaante van blote badpakken en negerjazz buiten de deur. Zo, als oppassend 'schaapje' van paus, bisschop, pastoor, pater en non, maakte je kans op een paar stappen voorwaarts in de maatschappij. "O Wereld, Uw theater en Uw balzaal en Uw concerthal en Uw smulhuis, Uw luchtige en glinsterende kledij", schreef donderprediker Borromeus de Greeve, hebben wij niet nodig. De katholiek had zijn eigen georganiseerde universum.

Overigens was hij niet de enige die zich in het interbellum gelukkig mocht prijzen met een dergelijk bezit. De gereformeerden hadden hun eigen parallelwereld, theologisch gelegitimeerd door het begrip 'soevereiniteit in eigen kring' van voorman Abraham Kuyper. De socialisten konden op de Paasheuvel, aldus jeugdleider en partijvoorzitter Koos Vorrink, de verleiding vergeten van "filmmoorden, detectiveromans, voetbalopwinding, een pot bier en een stuk kwatta".

Het tussengebied was zogezegd een maatschappelijk verschijnsel. Het diende om de nare bedervende moderniteit te weren en tegelijkertijd eigen voorbeeldige karakters te kweken. De katholieken bezaten het rijkste, overdadigste analoge universum: een geloof dat voorzag in allerhande organisaties voor het gewone leven, en dat zich als religie liet kennen als een soort bewaakte religieuze Efteling.

Hoe zag het leven in het roomse tussengebied eruit? Uit boeken als 'Zodoende was de vrouw maar een mens om kinderen te krijgen' van Marga Kerklaan en 'Zijn dit nu handelwijzen van een herder', over de parochie Hoorn rond 1900, van historicus Jos Leenders, weten we dat de gemiddelde gelovige mopperend, devoot en volgzaam rondhing in zijn gekooide pretpark. Een vergelijkbaar beeld levert de studie naar de afgedwongen volgzaamheid van de Tilburgse parochianen op, 'Voor het oog van het volk', van historicus Ad van der Oord.

Maar wat is er nog meer bekend over het roomse universum? Twee recentelijk verschenen uitgaven brengen het tussengebied verder in kaart. Allereerst is er het dikke boek 'Aan plaatsen gehecht', over de katholieke herinneringscultuur in Nederland. Deze studie in het spoor van de 'plaatsen van herinnering' van de Franse historicus Pierre Nora, voldoet zogezegd ruimschoots aan de eisen van het genre.

Alles wat van plaats tot plaats in eigen roomse ogen rooms is welgedaan, komt erin aan bod. Devoties en tradities, van het putje van Heiloo tot de Bloedprocessie in Boxtel en de biechtstoel. Grote en kleinere voormannen, van missieheilige Peerke Donders tot bisschop Bekkers. Kerkgebouwen als de imposante kleine St. Pieter in Oudenbosch en de Amsterdamse schuilkerk Ons' Lieve Heer op Solder. Evenzo is er aandacht voor de katholieke operationalisering van het verre christelijke verleden in de nagemaakte Romeinse Katakomben in Valkenburg en op de bijbelse Heilig Land Stichting bij Nijmegen. Bijna elke bijdrage behandelt de ooit zwaar katholieke setting van de meestal eind negentiende of begin twintigste eeuw heruitgevonden glorievolle herinnering.

Hier en daar raakt het boek de schaduwkant van het rijke roomse leven. Bijvoorbeeld in de bijdrage over de misbruikmoord op de Tilburgse Marietje Kessels, en meer nog in het onthutsende stuk over het monument voor levenloos geboren kinderen in Sittard, dat postuum de roomse gewoonte om doodgeboren ongedoopte kinderen in ongewijde grond - 'onder de heg' - te begraven, enigszins moet compenseren. Maar over het algemeen is de toon van het boek licht feestelijk. Bijna elke auteur constateert dat het roomse dan wel verloren mag wezen, maar dat er nog altijd betekenis hangt aan de plaats: cultureel, folkloristisch, toeristisch, regionaal of als identiteitsverlener. Rooms, kortom, is nog altijd troef, zij het dan op eigentijdse multifunctionele wijze.

Zo het boek iets leert over het tussengebied, is het dat het roomse geloof de grootste religieuze bedrijfstak was van Nederland. Geen tweede religie of geestelijke beweging zal per vierkante meter zoveel verleden en traditie materieel hebben vormgegeven. Er was sprake van georkestreerde en onontkoombare herinnering ten bate van de opvoeding tot 'goed katholiek'. Tegelijkertijd waren er in het tussengebied ook vrijplaatsen, tot waar de lange arm van pastoor of kapelaan niet reikte. Wat de Bijbel was voor de protestant, was een Mariabedevaartplaats voor de katholiek. Hier had hij rechtstreeks contact met het goddelijke, en bestond het instituut even niet.

In het andere boek dat het roomse universum beschrijft, is het instituut alom aanwezig, of wenst dat althans te zijn. 'Alles Flink Dicht', naar de Tilburgse bijnaam voor de zedenprecieze monseigneur Diepen, behandelt de overspannen kledingvoorschriften van de clerus voor vooral meisjes en vrouwen tussen 1914 en 1970. 'Het afschuwelijke lopen zonder kousen', de brutale prikkelende decolletés en nog veel meer in onze ogen te verwaarlozen bloot brachten rond 1930 een panische reactie teweeg van mannen in jurken. (Hun soortgenoten bleken tachtig jaar later volkomen onthand toen met de onthullingen over seksueel misbruik bekend werd dat hun zuiverheidsvertoog in een aantal gevallen een leugen was gebleken.)

Kleding was onzedelijk "indien niet het geheele lichaam, met uitzondering van het hoofd, handen en bovendeel van den hals volkomen bekleed en bedekt is". Dat was de stelregel, waar vrouwen zich, zo laat kunsthistorica Kitty de Leeuw zien, doorgaans in lijdzaamheid aan hield. De gelovige meisjes konden ook moeilijk anders, want de kerk had de nodige dwangmiddelen. De communie werd geweigerd bij een iets te laag uitgesneden halsje, en bij het zien van meisjesknieën stuurden nonnen een schoolmeisje van vijf rücksichtslos van school naar huis vanwege het gevaar voor de goede zeden. Het aardige aan de studie van De Leeuw is dat duidelijk wordt dat er ook vrouwelijke dissidenten waren, moeders die het al te gek vonden wat de nonnen eisten, of moeders die aparte mouwtjes hadden gemaakt voor hun dochters. Naar school bedekten die de bovenarm en thuis en op straat gingen ze weer af.

Het tussengebied was dus niet een groot familiefeest, zoals de sterk ideologisch gekleurde verslaggeving van destijds suggereerde. De geborgenheid, veiligheid, zuiverheid en zekerheid van het eigen universum had een prijskaartje. Dat kon een kleine verbeteringsstraf zijn ('behangpapier plakken op blote lichaamsdelen') of een ernstige, ongetwijfeld goedbedoelde harde gewoonte.

Mijn tante Marie bijvoorbeeld heeft haar enige kindje nooit gezien. "Ik kreeg een spuit en weg was ik. Toen ik wakker was, bleek mijn kindje doodgeboren", schreef ze in haar dagboek. Ze heeft nooit geweten in welke ongewijde grond het begraven is.

Jan Jacobs, Lodewijk Winkeler en Albert van der Zeijden (red.): Aan plaatsen gehecht. Katholieke herinneringscultuur in Nederland. Valkhof Pers, Nijmegen; 868 blz. € 49,50

Kitty de Leeuw: Alles Flink Dicht. De invloed van religie en ideologie op kleedgedrag 1914-1970. Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Oosterhout; 366 blz. € 29,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden