Geknakt

Achter elke rouwadvertentie schuilt een verhaal. Mickelle Haest tekent de ervaringen op van een uitvaartverzorger.

Een vrouw van eind veertig wil haar uitvaart bespreken. Ze heeft niet lang meer. Ik ken haar een beetje. Al jaren vecht ze tegen borstkanker. Elk jaar ontmoeten we elkaar op de verjaardag van een gezamenlijke vriend. Afgelopen jaar was ze er niet.


"Het gaat niet goed", zei haar man. "Wil je komen? Ze wil een aantal zaken met je bespreken."


Haar lange blonde haar is vervangen door een korte pruik. Naast haar man zit ze op de bank. Hun twee studerende kinderen zijn uitwonend. Ze ligt niet op bed. Ze is nog mobiel, maar haar magere lichaam, het extra kussen in haar rug en haar verloren blik laten zien dat ze op is.


"Het is jammer dat het niet gelukt is beter te worden", opent ze het gesprek. Ze schiet vol. Haar man slaat zijn arm om haar heen en streelt haar magere schouders.


Ze wil in het dorp waar ze wonen, aan de rand van Amsterdam, begraven worden.


"Ik wil heel graag zelf een kist en kaart uitzoeken."


Ik leg het kistenboek op haar schoot. Opnieuw barst ze in tranen uit.


"Vind je deze mooi?" vraagt haar man voorzichtig. "Een lichte vind ik mooi", antwoordt ze. Samen bladeren ze door het album. Om de beurt slaan ze een pagina om. Harmonieus kiezen ze een witte kist.


Daarna zoeken ze in het kaartenboek. "Ik kan het nog niet", fluistert ze. In haar hand liggen twee kaarten die ze mooi vindt.


"Ik laat ze hier, dan kun je nog kijken en misschien ook met de kinderen overleggen."


Ze zakt weg in de armen van haar man. Als een twee-eenheid zitten ze op de bank. "Ik kom er zelf wel uit", zeg ik zacht.


Een paar weken later word ik gebeld door haar man. "Ze wil nog even met je praten. Ze wil nog iets bespreken."


De volgende dag bel ik aan. Het is mijn vrije dag. Ik draag geen zwart mantelpak, maar een kleurrijke jurk. Onderweg koop ik een grote bos zonnebloemen voor haar. Ik bel aan, niemand doet open.


Ze wonen aan het eind van een dorpsstraatje, in een buurt waar de achterdeuren altijd openstaan. Ik loop naar de achterdeur, stap binnen en roep: "Hallo, hallo, ik ben er."


"Ja, kom maar", roept haar man.


Als ik de woonkamer binnenkom, staat hij voorovergebogen over een ziekenhuisbed. Hij draait zich om en roept paniekerig: "Het gebeurt nu. Nu. Ze vertrekt."


Ik laat de bloemen uit mijn handen vallen.


Zijn gezicht staat radeloos. "Ik heb de dokter gebeld, die is onderweg."


Er klinkt een diepe zucht. We kijken naar haar en zien haar wegzakken in de eeuwigheid.


"Sorry dat ik je niet afgebeld heb", zegt haar man en hij begint onbedaarlijk te huilen. Hij valt in mijn armen, ik hou hem vast en voel zijn tranen op mijn schouder.


Verbaasd kijkt de huisarts mij aan als hij weduwnaar en uitvaartverzorger in elkaars armen aantreft. Ik leg uit wat er gebeurd is.


"Blijf maar meteen", zegt hij. Hij ontfermt zich over de man.


Ik loop naar de keuken. Onderweg raap ik de zonnebloemen op. Twee exemplaren hebben hun hoofd verloren. In een reflex probeer ik ze weer aan hun steel te bevestigen. Het mag niet baten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden