Gek van het denken

De Portugese dichter Fernando Pessoa verschafte zichzelf met zijn alter ego ülvaro de Campos een geniaal alibi voor een lang, ongegeneerd religieus gedicht, schrijft Jan Oegema. „Hij laat zien dat de moderne literatuur over middelen beschikt die geheel eigen vormen van religiositeit genereren.”

In een bloemlezing van bijzondere religieuze teksten uit de twintigste eeuw zou ze niet kunnen ontbreken: ’Ode aan de Nacht’ van de Portugese dichter ülvaro de Campos. Het is een aangrijpend gedicht, een smeekbede opklinkend na de ondergang van de grote mythologieën en godsdiensten, na het verstommen van Jupiter en Jahweh. Deze viriele gestalten moeten nu plaats maken voor de Nacht, vrouw zonder gezicht, moeder, miskende koningin zo oud als de tijd, zij die alle veranderingen van de menselijke soort heeft meegemaakt, die talen en culturen zag rijzen en zinken, die de taal van de ziel kent en in elke droom hetzelfde klagen hoort, de klacht van de mens die opgesloten zit in zichzelf, die de tralies van zijn zelfgebouwde vesting niet uiteen krijgt gebogen, eenvoudigweg omdat hij bang is voor de vrijheid waarnaar hij eigenlijk zo hunkert, en daarom, daarom,

Kom, o Nacht, aloud en immer eender, Nacht, onttroond geboren koningin Kom, zonder dat ik het zie, Kom, zonder dat ik het voel, Kom, plechtstatig en vervuld van een verborgen verlangen te wenen, wellicht omdat de ziel te groot is en het leven te klein, en al onze gebaren binnen in ons lichaam blijven, en wij slechts reiken waar de arm strekt, en slechts zien zover het oog reikt.

Vanaf de eerste verzen trekt De Campos je behendig zijn lange gedicht binnen, voor je het weet ben je halverwege, verleid door een melodie die je direct in het hart treft. Onnodig te weten wie de auteur is of van wanneer zijn tekst dateert (toevallig of niet van 30 juni 1914, twee dagen na het begin van de Eerste Wereldoorlog), onnodig je al te zeer van de wijs te laten brengen door het onmiskenbare effectbejag, door de kitsch, want sinds Reve weten we dat religie en kitsch heel goed kunnen samengaan.

Je begrijpt al snel dat De Campos spreekt over de beklemming van het ik, dat de Nacht wier komst hij afsmeekt hem dáárvan moet verlossen, hem en ieder ander, de verlegene, de vernederde, de vermoeide, het diepste lijden wordt immers veroorzaakt door de eis een individu te zijn, dat wil zeggen een vesting te moeten bewaken die van alle zijden door spookridders wordt belaagd, onophoudelijk, tot in onze dromen, en daarom, daarom,

Kom, smartelijke, Mater Dolorosa van de angsten der Verlegenen, koele hand op ’t koortsig voorhoofd der Vernederden, smaak van water op de droge lippen der Vermoeiden, Kom, uit gindse verten van de loden horizon, Kom en ruk mij uit de grond van angst en nutteloosheid waar ik gedij.

Je leest deze verzen ademloos, de dichter schmiert er af en toe behoorlijk op los en toch neem je hem serieus, hij heeft ook werkelijk iets weg van Reve, óók zo’n bedreven menger van plechtstatigheid en banaliteit. Met als enige verschil dat Reve in hoogste nood nog altijd een houvast heeft, een formidabel houvast, bijna tweeduizend jaar katholiciteit met een schat aan mythen, symbolen, rituelen, terwijl De Campos zich slechts kan vastklampen aan de Nacht, een leeg symbool, zo lijkt het, want wie is nu de Vrouwe die hij aanroept?

Gij die hebt gezeten aan het hoofdeinde der teloorgegane geloven, die Jahweh en Jupiter geboren hebt zien worden, en die glimlachte, want u is alles schijn en ijdelheid.

Wie is die Moeder aan wie de dichter zich toevertrouwt? Wie is zij, deze koningin zonder kroon die in elke levensbeschouwing de kleren des keizers ziet, die goden en stervelingen de tijd gunt om te begrijpen dat hun tweespraak louter berust op gissingen en vergissingen, op aandoenlijke illusies over en weer? Is deze Moeder wellicht de dood, hier dan allicht een genadevolle dood?

Ze heeft trekken van de gevreesde, zo veel is zeker. Als ze binnenkomt, dalen alle stemmen, meldt de voorlaatste strofe. Maar die meldt ook nog wat anders: niemand ziet haar ooit binnentreden, niemand weet ooit wanneer ze gearriveerd is – en dat weet je bij de echte dood juist wel. Dit is, begint je te dagen, wellicht een andere dood, de spirituele dood, de dood die je niet van je leven maar van je zijn beroofd.

De Campos’ ode is een intens religieus gedicht en een intens areligieus gedicht – beide in gelijke mate. Binnen een christelijk kader loop je erin vast. Binnen een boeddhistisch kader kom je er verder mee. De Campos zinspeelt immers op een doorbraakervaring, een moment van verlichting waarop ’alles lijn en kleur verliest’ en aan ’de nog helder blauwe hoge hemel’ de maan verschijnt, of, om het slot van de tekst letterlijk te citeren: ’de maan tot werkelijkheid wordt’.

Een tautologisch beeld, waarmee een christelijke interpreet amper uit de voeten zal kunnen. De maan is de nacht en de nacht is de maan, het ene mysterie verdiept het andere maar verklaart het niet. Er is geen doorbraak naar een andere wereld, er is een doorbraak in de wereld, in déze wereld, die volstrekt dezelfde blijft – maar door de ontwaakte mens nu met geheel andere ogen wordt bezien.

Uiteraard laat ik het gedicht nu iets zeggen wat het zelf wijselijk niet uitspreekt; ik bezondig me aan interpretatie. Maar dan wel een die De Campos zelf uitlokt, want halverwege het gedicht staat hij uitvoerig stil bij de zegeningen van het Oosten, het Oosten van boeddhisten, brahmanen en shintoïsten, het Oosten dat alles bezit ’wat wij niet hebben’, het enige continent met een onverminderd vitale metafysica.

ülvaro de Campos is geen echte, maar een verzonnen dichter. De Campos is een grap, een noodgreep van een andere dichter, de Portugees Fernando Pessoa. En dit gedicht, dit verpletterend oprechte, verpletterend geveinsde gedicht (dat in werkelijk niet ’Ode aan de Nacht’ maar ’Fragment van een ode’ heet) wint alleen maar aan religieuze betekenis zodra je begrijpt wat er achter Pessoa’s merkwaardige maskerade schuil gaat.

Onderwerp van dit gedicht is namelijk niet alleen de beklemming van het ik, maar de beklemming van een religieuze identiteit: de eis dat je iemand zijn moet, dat je kiezen moet om mee te tellen, dat je je moet vereenzelvigen met een leer, een credo, eventueel met een instituut, dat je je een herkenbare retoriek moet eigen maken om niet voor vaag of laf te worden versleten. Wees Gods dienaar of Gods loochenaar – maar neem in godsnaam een standpunt in. Giet jezelf in een beker waaruit anderen kunnen drinken.

Maar wat als je niet één beker bent maar een dienblad vol? Wat als je geest zo ruim is dat je met gemak drie anderen kunt zijn? Wat als je weet dat je jezelf verstikt als je je gaat hechten aan je overtuigingen?

Ziehier het probleem waarmee Pessoa worstelt. Hij vindt er een geniale literaire oplossing voor, een waarmee hij laat zien dat de moderne literatuur over middelen beschikt waarmee ze geheel eigen vormen van religiositeit kan genereren, doortrokken van vreemdsoortige ironieën die elke lezer draaierig maken.

Fernando Pessoa, op 13 juni 1888 geboren in Lissabon, koos rond zijn twintigste voor de literatuur, verdiende zijn brood als handelscorrespondent en vertaler, trad nauwelijks in de openbaarheid, publiceerde naast losse bijdragen in kranten en tijdschriften welgeteld één dichtbundel (streven naar roem vond hij vulgair, hij gokte op postume roem), had weinig belangstelling voor de liefde en stierf op 30 november 1935 aan een leverkoliek, zevenenveertig jaar oud en vrijgezel. Hij liet een kist na gevuld met gedichten, verhalen, zelfverklaringen, een dagboek en losse notities, waarvan het grootste deel pas vele decennia later gepubliceerd werd.

Zijn grootste moment beleeft hij, naar eigen zeggen, op 8 maart 1914, de dag waarop hij het leven schenkt aan Alberto Caeiro. In één roes schrijft hij dertig gedichten neer namens een man die hij op z’n best kan beschouwen als een ver geestelijk familielid, in geen geval als een pseudoniem. Daarom betitelt hij Caeiro als een ’heteroniem’: een alter ego met een geheel eigen karakter en temparament en, het vreemdst van al, een geheel eigen levensbeschouwing, op het oog onverenigbaar met die van de heer Pessoa Zelf. Zo namelijk pleegt deze zichzelf aan te duiden wanneer hij zich wenst te onderscheiden van zijn drie heteroniemen.

Drie? Ja, in het voorjaar van 1914 komen er nog twee. Na Alberto Caeiro openbaart zich ene Ricardo Reis en na Ricardo Reis openbaart zich ene ülvaro de Campos: achtereenvolgens een eenvoudige natuurmysticus, een stoïcijnse agnost en een romantische wildeman die het futurisme omarmt.

Critici en literatoren zien in Pessoa meestal een twintigste-eeuwse en dus op de spits gedreven uitgave van Rimbaud, de dichter die zijn roem dankt onder meer aan de woorden ’Je est un autre’, ’Ik is een ander’. Pessoa is wel drie anderen, drie échte anderen – toppunt van literair spel en literair vernuft.

Pessoavertaler en -kenner August Willemsen verklaart het heteroniementrio vanuit een dubbele existentiële noodzaak: Pessoa werd gek van het denken, het almaar niet kunnen ophouden met denken over het religieuze en metafysische, het almaar niet kunnen innemen van een duidelijke positie.

Pessoa Zelf gewaagt in dit verband van ’metafysische paniek’ – inderdaad hier het sleutelwoord. Hij gelooft wel iets, hij gelooft zelfs heel sterk, hij heeft alleen geen zin om een gelovige te zijn.

Willemsen omschrijft Pessoa als ’een religieus mens zonder religie’. Met dat laatste bedoelt hij: zonder kerk of credo. Maar Willemsens karakteristiek kan worden aangescherpt: Pessoa is een religieus mens die desnoods in álles gelooft, behalve nu juist in zijn eigen religie.

Hij zit diep in de new age van zijn tijd, vertaalt theosofische boeken, sympathiseert met de Vrijmetselarij, heeft warme interesse voor de kabbala en weet veel van astrologie – zo veel, dat hij voor elk van zijn heteroniemen een horoscoop opstelt.

Pessoa is dol op alles wat naar het verbodene neigt, alles wat indruist tegen het wereldbeeld en de moraal van het officiële christendom. Nog in 1935, het jaar van zijn dood, afficheert hij zichzelf als een ’gnostisch christen’, „derhalve volstrekt gekant tegen alle georganiseerde Kerken”. Pessoa weet dus heel goed waar hij staat en wat hij zo’n beetje gelooft. Hij heeft wel degelijk een zelf en een ziel – alleen zijn ziel zegt hem dat zelf te wantrouwen.

En nu komt het revolutionaire van het geval Pessoa: hij is de eerste mens in het Westen die op religieus vlak een mens-zonder-eigenschappen wil zijn. Alles en iedereen schreeuwt om mensen-uit-één-stuk, met herkenbare standpunten en een afgeronde identiteit, maar Pessoa kan en wil niet aan die eis voldoen. Zelf snapt hij het niet helemaal, veronderstelt dat hij ongeschikt is voor volgelingschap, dat hij bovendien in zijn hart veel te heidens is; maar dat is de kwestie helemaal niet. De kwestie is dat hij rebelleert tegen een bepaald persoonlijkheidsideaal, om redenen die hij zelf niet scherp krijgt, vermoedelijk omdat ze te dicht bij zijn particuliere broncode liggen – en die geen enkel mens kan ontcijferen.

Caeiro, Reis, De Campos. Drie dichters, drie horoscopen, drie karakters, drie beroepen (De Campos bijvoorbeeld is ingenieur). Laat ik meteen zeggen dat Pessoa zijn mooiste en belangrijkste gedichten heeft geschreven namens zijn grootste tegenpolen, Alberto Caeiro en ülvaro de Campos. De poëzie van Pessoa Zelf en Ricardo Reis is verdienstelijk, interessant, memorabel, maar mist de sprankeling van die van Caeiro en De Campos. Zonder die twee had Pessoa het nooit tot internationale beroemdheid geschopt, wat des te navranter wordt als je weet dat zij de levende ontkenning vormen van Pessoa’s natuurlijke dichttrant. De gedichten van Pessoa (en Reis) zijn klassiek, vormvast, ingetogen, secuur, symbolistisch, die van de andere twee nonchalant, ongebonden, proza-achtig, praterig en, in geval van De Campos, uitzinnig, breidelloos en bijgevolg niet zelden oeverloos.

Reis dateert van 1887 en is de oudste van het gezelschap, niet toevallig, want hij speelt de ouwe lul. De oplossing die deze huiskamergeleerde voor Pessoa in petto heeft is verstandig, maar ook voorspelbaar en saai. Hij maant tot kalmte en predikt onaandoenlijkheid, onder het motto: het dichtbije is al moeilijk genoeg. Zeker, er is een groot Mysterie, maar brand daar liever niet je vingers aan. Maak je niet te druk om alles wat je niet begrijpt, daar word je alleen maar ongelukkig van.

Caeiro is uit ander hout gesneden. Hij redeneert ongeveer zo: ik geloof niet in God omdat ik Hem nooit heb gezien. Maar als jij zegt dat God de bomen en de bloemen is, de bergen en de zon, dan geloof ik in Hem. Hoewel, redeneert hij verder, als God de bomen en de bloemen is, en de bergen en de zon, waarom dan filosoferen over God? Ik noem de bloemen liever bloemen, de bergen liever bergen, want zo heb ik Hem lief zonder aan Hem te denken, en ik denk mij Hem simpelweg door te zien en te horen.

Caeiro presenteert zich als pantheïst, een van de onnadrukkelijke, altijd sympathieke soort. Hij is het slechte geweten van elk mens die aan abstracties hangt en weet dat hij daarmee het concrete te kort doet. Elk nadenkend religieus mens beseft dat hij liegt zodra hij zijn mond open doet – het type Caeiro is het enige dat hem op zijn leugens mag betrappen. Pessoa stelt hem daartoe graag in de gelegenheid, bijvoorbeeld wanneer hij hem deze plaagstoot laat uitdelen: „Mystieke dichters zijn zieke filosofen, / En filosofen zijn onwijze mensen.”

Wellicht ten overvloede: Caeiro’s bedenker behoort zelf tot die mystieke dichters, zieke filosofen, onwijze mensen. Pessoa moet zich hebben verkneukeld van plezier om dit soort zinnen.

En dan, eindelijk, zijn we terug bij De Campos, Pessoa’s meest complexe, productiefste heteroniem. De Campos maakt verschillende fasen door, eigenlijk bestaat hij uit een cluster van heteroniemen. Hij begint als avant-gardist die de dynamiek van het moderne bestaan bezingt, fel, brutaal, schreeuwerig, met een sterke voorkeur voor de zelfkant en een soms griezelige fascinatie voor geweld. Later zal hij steeds meer naar Pessoa toegroeien, om uiteindelijk de spreekbuis te worden van diens metafysische onbehagen, diens vervreemding en verdoling.

Tussendoor duikt er af en toe een andere De Campos op, die van de Nacht, eerst in een zelfstandige ode, later in losse strofen verspreid over zijn aanzienlijke oeuvre. De Nacht wekt een eigen toon op in De Campos, de Nacht dempt zijn razernij, de Nacht stemt hem zacht. Ik denk dat ik begrijp waarom. De Campos heeft een zeer specifieke functie voor zijn gastheer, hij roept Pessoa toe: hou op met denken! Geef je over aan je emoties! Voel! En dat laat Pessoa hem doen, vrijuit, zonder enige vorm van censuur, honderden pagina’s lang, met een directheid die Pessoa in het dagelijks leven niet kan opbrengen en die hij alleen verdraagt dankzij bijmenging van een flinke dosis theater en overdrijving.

Dat theater, die overdrijving kleurt ook de ’Ode aan de Nacht’, ofschoon beduidend minder sterk dan in andere gedichten of fragmenten. In deze ode kun je er bijna omheen lezen – bijna. Je blijft je afvragen welke woorden van Pessoa alias De Campos nu gemeend zijn en welke geveinsd. Die vraag blijft je kwellen zolang je dit gedicht primair leest vanuit een religieuze code. Als iemand persoonlijk wordt, een bekentenis doet, een getuigenis aflegt, dan wil je er zeker van zijn dat hij daarin integer is, liefst dat hij recht-uit-het-hart spreekt en desgevraagd voor zijn woorden wil instaan met zijn naam, zijn handtekening.

En daar gaat het natuurlijk mis bij Pessoa, wiens naam, ’pessoa’, krasse ironie, in het Portugees ’persoon’ betekent. Welnu, als iemand weigert Persoon te heten, als iemand in tal van gedichten het gevoel weet over te brengen, dat hij niet één mens is maar verschillende tegelijk, dan Fernando Pessoa. Bij hem is het probleem van het Zelf uitgegroeid tot een echt drama, een noodlot zelfs, een persoonlijke gekte – en juist daarvan komt de Nacht hem verlossen. De Nacht brengt hem de ultieme verlossing: niemand meer te hoeven zijn. Einde Pessoa, einde Caeiro, einde Reis, einde De Campos – eindelijk een einde aan de kwelling een persoon, een karakter, een man met eigenschappen te moeten zijn. Wanneer de Nacht binnentreedt, zal hij niet meer hoeven lijden, zal hij misschien, heel misschien veranderen in de volkomen nieuwe of oorspronkelijke mens die de occulte tradities hem in het vooruitzicht stellen.

Dat verlangen naar een volledige innerlijke transformatie maakt de toon van deze ode anders, lyrischer, ernstiger, indringender. Het geheel blijft trekken houden van een pastiche, hier en daar doorsneden met de tromroffel van de parodie – ’O hypnotische dompteuse van de dingen vol van rusteloosheid!’ Pessoa en De Campos zorgen er wel voor dat ook jij als lezer gefrustreerd wordt in je behoefte aan bedwelming en verdoving. Maar zodra je je realiseert wat de oorzaak is van genoemde rusteloosheid, kijk je dwars door het geschmier en de pesterijtjes heen en raak je allengs meer onder de indruk van de scherpte en speelsheid waarmee Pessoa zijn tragiek het hoofd tracht te bieden.

Het gedicht staat onder het voorteken van een heteroniem, en dat betekent dat het automatisch in het teken staat van Pessoa’s gevecht tegen het monster van de identiteit. Een dapper maar hopeloos gevecht dat hij nooit zal winnen. Dit is het gevecht tegen de terreur van de eenduidigheid, uitgeoefend door een hechte samenzwering van opvoeders en prelaten, schoolmeesters en biechtvaders, journalisten en opiniemakers – stuk voor stuk allemaal deel van hem, dus meeklinkend in de innerlijke stem die hem dwingt om een persoon te zijn met een eigennaam.

Op die terreur heeft Pessoa slechts één antwoord: zijn literatuur. En binnen die literatuur slechts één ultiem antwoord: de Nacht. De Nacht die al zijn heteroniemen opslokt – en niet te vergeten zijn pseudoniemen, want daarvan had hij er ook nog een stuk of twintig. De Nacht doet Pessoa met heel zijn hebben en houden verdwijnen, genadiglijk verdwijnen – want de Nacht is genade. De Nacht is vrijheid, voor Pessoa wellicht een kortstondige, een die verflauwde met de afronding van dit gedicht, dit ongelooflijke en unieke gedicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden