Column

Gek eigenlijk, dat ons partijenstelsel zo weinig verdedigers heeft

Beeld Trouw

Op een paar dagen na is het honderd jaar geleden dat Nederland een democratie werd, met gelijke rechten en vrijheden voor alle burgers. 

De grondwetshervorming van 1917 maakte een einde aan een tijdperk waarin het volgens de historicus Huizinga 'zo vanzelfsprekend scheen zoals het schip van staat op het liberale koeltje voortgleed'.

Terwijl Europa in de greep was van oorlog en revolutie, werd hier op 29 november 1917 met een hamerslag in de Eerste Kamer de parlementaire behandeling van de herziene Grondwet voltooid. De essentie daarvan was een nieuwe staatkundige en sociale ordening, die van Nederland een inclusieve democratie maakte die alle burgers en groepen in het nationale leven betrok.

Nee, nog niet alle burgers. De vrouwen kregen het actieve kiesrecht pas in 1919 (wat meer dan een verdubbeling van het aantal kiezers betekende) en wie weet hoeveel langer het nog had geduurd zonder de directe dreiging van een gewelddadige revolutie. Precies een dag na de halfbakken machtsgreep van de socialist Troelstra in november 1918 ging de katholieke premier Ruijs de Beerenbrouck om. Hoewel zijn kabinet tegen was, zegde hij op eigen houtje steun van de regering toe aan het initiatiefvoorstel van de vrijzinnig-democraat Marchant om vrouwen ook het recht te geven te stemmen. Daarmee lag de weg echt open.

Kanongebulder

In zekere zin herhaalde zich de geschiedenis van 1848, toen gewelddadige revoluties in Europa hier een beslissende zet gaven aan de grondwetshervorming waarmee de liberaal Thorbecke de koning van zijn macht beroofde en voor de parlementaire democratie de basis legde. In dat perspectief getuigde het van politiek vernuft van de liberaal Cort van der Linden dat hij tussen 1914 en 1918 van het kanongebulder buiten onze grenzen gebruikmaakte om de lang slepende kwesties van de Schoolstrijd en de strijd voor het algemeen kiesrecht in een soort van godsvrede op te lossen.

Onze inclusieve en pluriforme democratie met kiesrecht voor allen, een volwaardige positie van het bijzonder onderwijs en een stelsel van evenredige vertegenwoordiging is, in weerwil van de zegeningen die het heeft gebracht, nimmer een rustig bezit geweest. Huizinga leverde in 1938 in een terugblik zware kritiek op het stelsel van evenredigheid, maar hij stak de loftrompet over de vrijheid van het bijzonder onderwijs. Daarin zag hij 'de erkenning van een vrijheidsbeginsel tegen de almacht van de staat in'.

Brutale machtspolitiek

De calvinist Abraham Kuyper had daarvoor al de basis gelegd aan het begin van de 20e eeuw, toen hij door een staaltje van brutale machtspolitiek (hij liet de Eerste Kamer ontbinden, wetende dat na de herverkiezing een hem gunstig gezinde meerderheid zou terugkeren) de erkenning van het diploma van het bijzonder hoger onderwijs afdwong. Huizinga beschouwde dat als het opruimen van een Napoleontisch erfstuk, dat de liberalen zich tegen hun vrijheidsleer in hadden toegeëigend. Kuypers wet doorbrak hun geharnaste opvatting dat het onderwijs tot het domein van de staat behoorde. De pacificatie van 1917 was het logische gevolg.

De betekenis daarvan werd volgens Huizinga twintig jaar later scherp duidelijk als je over de oostgrens keek, waar 'een nieuwe gezagsstaat zich veel uitdrukkelijker en aanmatigender dan ooit tevoren het monopolie van nationale opvoeding toekent'. Nu de onderwijsvrijheid in het integratiedebat opnieuw ter discussie staat en er een neiging opkomt tot centrale regelzucht bij de overdracht van waarden, kan het geen kwaad zelfs de erfgenamen van Kuyper aan Huizinga's kwalificatie van de onderwijsvrijheid te herinneren: 'Een kostbaar pand van geestelijke vrijheid'.

'Noodlottige misvatting'

In dezelfde terugblik noemde de historicus het stelsel van evenredige vertegenwoordiging 'een noodlottige misvatting, die ons opscheepte met een blikken vorm waaruit alle vier jaar dezelfde pudding te voorschijn komt'. Huizinga meende dat het stelsel het leven uit de politieke strijd bande. Hij was voorstander van het Britse systeem, omdat dat ruimte gaf aan de strijd tussen de belangrijkste grondhoudingen in de politiek, behoud en traditie versus hervorming en vooruitgang. Hier was die tegenstelling volgens hem door de veelheid en het gemengde karakter van de politieke partijen te zeer vertroebeld.

Het is de vraag of hij er nog zo over zou denken. De tweepartijenstelsels in de Angelsaksische landen, waarmee na Huizinga progressief Nederland in de jaren zestig en zeventig dweepte in een poging het midden te kraken, verkeren al jaren in een impasse met negatieve gevolgen. Ons jongere stelsel werkt, ondanks tekortkomingen (maar die zitten in elk stelsel), nog wonderwel, zelfs nu er uit de bakvorm telkens een andere pudding komt. Gek eigenlijk dat het zo weinig verdedigers heeft.

Lees hier meer columns van Hans Goslinga. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden