Geheimhouding is voor advocaat dure plicht

Moszkowicz doet een terecht beroep op zwijgplicht ten behoeve van cliënt. Die heeft het laatste woord in wat naar buiten mag.

Wat een hoop verwarring en misverstanden op elkaar gestapeld in het stuk van de Leidse universitair hoofddocent Hendrik Kaptein (Podium, 29 september) waarin hij betoogt dat advocaten nauwelijks een geheimhoudingsplicht hebben en dat de advocatuur onder publiek toezicht moet komen.

De geheimhoudingsplicht van advocaten is weliswaar niet absoluut (de advocaat hoeft niet te zwijgen als er mensenlevens in gevaar zijn) maar wel onvoorwaardelijk: hij moet gewoon zwijgen over alles behalve over datgene wat zijn cliënt naar buiten wil brengen. Dat laatste is geen restrictie maar vloeit voort uit de aard van de relatie tussen advocaat en cliënt: die is er om de rechtspositie van de cliënt te beschermen. Daartoe is in procedures en daarbuiten nodig dat de advocaat de informatie die hij van zijn cliënt heeft gekregen, juridisch in het vat giet. Maar alleen die informatie die de cliënt naar buiten wil hebben. De advocaat fungeert als zeef van die informatie, maar de cliënt bepaalt wat er door die zeef mag. Wat de cliënt daar niet door wil hebben, komt er niet door en mag er niet door, in tegenstelling tot wat Kaptein suggereert. Dit alles is het resultaat van eeuwen nadenken en werken van advocaten en andere juristen. Of de geheimhoudingsplicht van advocaten nu met zoveel woorden in de wet staat, is daarvoor totaal irrelevant.

Artikel 272 wetboek van strafrecht bevat de strafrechtelijke bescherming van de geheimhoudingsplicht van alle professionele geheimhouders. Dat bepaalt dat geheimhouders die zich niet aan hun plicht houden, gestraft kunnen worden. Dat er alleen moet worden gezwegen als daartoe bijzondere aanleiding is, komt rechtstreeks uit de duim van Kaptein en in ieder geval niet uit artikel 272. Dat in civiele zaken de rechter soms om openheid van stukken kan vragen, staat buiten het beroepsgeheim van advocaten: het gaat om een verplichting van partijen. Als een cliënt aan die verplichting niet wenst te voldoen is dat voor diens eigen risico, maar het ontslaat de advocaat niet van zijn geheimhoudingsplicht. In het strafrecht heeft de verdachte echter het recht om te zwijgen, en dat dient de advocaat zorgvuldig te beschermen.

In een tuchtprocedure heeft de advocaat niet langer een zwijgrecht, althans niet naar de leden van de Raad van Discipline toe. Anders zou de tuchtrechtspraak illusoir worden. Daar staat tegenover dat de tuchtrechters een afgeleide zwijgplicht hebben. Wanneer de openbaarheid van de tuchtrechtspraak een probleem dreigt te worden, moet de advocaat die zich dient te verantwoorden, bedingen dat die gedeeltes van de zitting waar vertrouwelijke advocaat-cliëntgegevens aan de orde komen, besloten plaatsvinden. Dat wordt altijd ingewilligd, als de tuchtrechters het al niet zelf bedenken.

Een complicatie zit in de bepalingen ter bestrijding van witwassen en andere regels ter voorkoming van het betrokken raken van advocaten bij criminele activiteiten. Advocaten hebben de plicht om geen grote contante bedragen aan te nemen zonder daarvan de deken te verwittigen. Een probleem rijst pas wanneer de advocaat uitlegt waarom zijn cliënt een goede reden heeft om niet via de bank te betalen en de deken daar geen genoegen mee neemt. Dan moet toch per bank betaald worden, die geen geen geheimhoudingsplicht heeft. Wanneer de cliënt voor de buitenwereld niet wil waar hebben dat hij geld betaalt aan zijn advocaat, is in dat geval de advocaat niet bij machte dit geheim voor hem te bewaren. Dat is alles, voor het overige is de geheimhoudingsplicht van de advocaat stevig verankerd en ook in de tuchtrechtspraak gewaarborgd.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden