Gefolterd door verlangen

In het Erasmusjaar staan denkers stil bij de betekenis van deze grote Nederlander. Vandaag deel 1: Erasmus' vriendschap.

Erasmus beschouwde de superieure staat van vriendschap graag in het licht van de verschillen tussen mens en dier - een halszaak voor humanisten, want in dat verschil lag het mysterie van de schepping. Dieren waren veel vreedzamer. De meeste vochten nooit, of alleen als ze honger hadden of hun kroost beschermden. Christenen sloegen elkaar naar aanleiding van het geringste onrecht dood, met het vreselijkste wapentuig, volgens gedetailleerde strategieën. Had iemand ooit tien leeuwen in het gelid zien staan om tien stieren te bevechten?

Vriendschap was nauw verwant aan liefde, wist de antieke filosoof Cicero al: amicitia (vriendschap) en amor (liefde) kwamen van dezelfde stam. Zijn 'De amicitia', geschreven rond 45 voor Christus, vormde Erasmus' grote voorbeeld. Het was niet ongebruikelijk om elkaar diepe vriendschap aan te bieden in amoureuze termen die naar wereldlijke liefde zweemden, geheel in de geest van Cicero's stelling. Zo verklaarde de jonge Erasmus in de jaren 1487 en 1488 vurig de liefde aan zijn medebroeder Servaas Rogier in het klooster Stein bij Gouda.

Erasmus schreef omdat Servaas nogal eens vanwege de studie op reis was: "Ik zou willen dat je, als het kan, evenveel om mij gaf als ik om jou. En dat jij gekweld wordt door liefde voor mij, zoals ik voortdurend gefolterd word door verlangen naar jou." Hij smachtte naar hem, kon zijn afwezigheid niet verdragen. Waarom liet Servaas toch niets van zich horen? 'Als mijn liefde voor jou, dierbare Servaas, zo groot is - en altijd is geweest - dat je me dierbaarder bent dan mijn eigen ogen, mijn eigen ziel, mijn eigen zelf, wat maakt jou dan zo onverbiddelijk dat je geen enkele liefde of zelfs enige achting toont voor degene die jou stelt boven alles ter wereld?'

Deze jonge monniken bekwaamden zich in de retorica en het navolgen van antieke schrijfmodellen, ook als het om vriendschap ging. Empathie behoorde tot de nieuwe beschavingsidealen: anno 1504 beschreef Erasmus hoe hertog Philips de Schone reageerde op een door hem afgestoken lofrede. Die verraadde zijn waardering door zijn blik, zijn gelaat en zijn edele voorhoofd(!). Retorische brieftaal werd eveneens ingezet als vrienden elkaar iets te verwijten hadden, hoe futiel ook. Toen Christiaan Northoff, oud-leerling en vriend, iets vergeten was, schold Erasmus hem in 1498 de huid vol: 'schurk, beul, galgenbrok, misdadiger, heiligschenner, monster, fantoom, drek, viezerik' en zo nog een tijdje door.

Maar zo persoonlijk, gekwetst en smachtend als tegenover Servaas Rogier stelde Erasmus zich nimmer op in zijn talrijke vriendschapsbetuigingen per brief. Bovendien toonde hij zich nog veel later de ooit afgewezen minnaar die Servaas niet kon vergeven. Ze waren elkaar uit het oog verloren, maar in 1514 schreef Servaas Rogier hem vanuit Stein. Hij was daar prior geworden, terwijl Erasmus - wereldberoemd - rusteloos door Europa zwierf. Holland meed hij als de pest, uit vrees nog aan zijn kloostergelofte herinnerd te worden met de verplichting om op een vaste plaats te verblijven.

Servaas bestond het nu om Erasmus te vragen alsnog terug te keren naar Stein en te profiteren van de lokale voorzieningen om te studeren. Erasmus reageerde koel, zelfs beledigend door het hele kloosterregiem grondig af te breken en te typeren als volstrekt verstoken van enige geletterdheid. Daarom was hij ooit vertrokken, want 'zijn geest was slechts gericht op de letteren, die in uw gemeenschap helemaal niet beoefend worden' - let op de rancune van een afgewezen vriend die vergeefs liefde zocht in vriendschap.

Ware vriendschap hoorde tegen alles bestand te zijn. In zijn Antwerpse vriendenkring botste Erasmus wel eens met stadssecretaris Pieter

Gilli. Pieters leefwijze vond hij onmatig, vooral als het om huiselijke seks ging - denk toch aan je gezondheid! Maar nooit deed dat hun vriendschap bekoelen. Voor zijn vriend Cornelis Grapheus, ook stadssecretaris van Antwerpen, sprong Erasmus zelfs in de bres bij een kwestie die voor hem toch uiterst pijnlijk lag. Grapheus had lutherse sympathieën; dat bevestigde hij in een luthersgezinde publicatie uit 1521. Daardoor kreeg hij de Inquisitie achter zich aan en werd gevangengezet in Brussel. Op een schavot moest hij met schandvlekken op zijn kleed zijn waanideeën herroepen, na zelf de gewraakte uitgave in het vuur geworpen te hebben. Dat herhaalde zich in Antwerpen, terwijl zijn goederen verbeurd verklaard werden.

Erasmus trok zich de zaak hevig aan. Inquisiteur Nicolaas van Egmond noemde hij een 'dolle gek', en Grapheus 'de beste mens van Antwerpen'. Van Egmond, ook bekend als Baechem, werd zijn vijand bij uitstek, een kwakende muil met wie geen verstandig woord te wisselen viel. Erasmus' houding gaf aan hoe hoog vriendschap diende te staan. Hij haatte partijschap en was zeker uiterst terughoudend bij uitingen of contacten die hem in verband konden brengen met Luther. Maar dat moest allemaal wijken als een vriend in nood kwam. Dan ging zelfs Erasmus op de barricaden.

De enige gemeenschap die hij erkende en zelfs met kracht wilde bevorderen was een virtuele organisatie, de Republiek der Letteren. De leden daarvan voelden zich verbonden in een doelgericht streven naar het weer blootleggen, beschermen en bestuderen van de klassieke literatuur als grondslag voor de moderne samenleving. Daarbij stonden de letteren voor al het antieke denkgoed, waarvan retorica en poetica zo bepalend waren geweest voor de inrichting en overdracht van teksten - ook die van het christendom. Landgenoten konden alleen bevriend zijn met wie deze fundamentele beschaving verdedigde tegen de barbaren - die van binnenuit opereerden door elk erfgoed te negeren of zelfs te verdelgen, en die opdoemden aan de grenzen van Europa: islamieten die het christendom met zijn antieke wortels onder de voet dreigden te lopen - in 1529 stonden de Turken al voor de poorten van Wenen.

Deze nieuwe gemeenschap van beschaafden kon alleen bloeien bij de gratie van hechte vriendschappen. Die werden in stand gehouden door intensieve correspondenties. Erasmus en veel van zijn vrienden schreven en ontvingen duizenden brieven, soms meerdere op een dag. Maar het mooist was natuurlijk een persoonlijk bezoek. Door heel Europa bezocht Erasmus zijn vriendenkringen, vaak rond een drukkerswerkplaats, universiteit of kloosterbibliotheek. Het hoogtepunt van die ontmoetingen waren de ellenlange tafelgesprekken die men onder genot van voedsel en drank met elkaar voerde. Dan was Erasmus op zijn best.

Bedoeling was dat men elkaar rond de tafel uitdaagde met scherpe stellingen over theologische kwesties en de actualiteit, waarbij snedigheid en humor een hoofdrol speelden, terwijl anekdoten en oneliners heen en weer kaatsten: "Vaak ga ik met geleerde vrienden, vooral wanneer er geen zwakke broeders bij zijn, vrijelijk in debat over alle mogelijke onderwerpen, soms om iets te onderzoeken, soms om een nieuw idee te beproeven en soms ook omdat ik het leuk vind." Dat Erasmus bij deze gelegenheden excelleerde, bevestigde menigeen, onder wie een hoogleraar uit Freiburg: "Je kalme gebaren, vloeiend taalgebruik, vol gevatheid stromend als een beekje uit een opwellende bron, verbazingwekkende vriendelijkheid, waardigheid gekruid met exquise vrolijkheid."

Niet aflatende discussies vormden het cement van zulke vriendschappen. Vrienden zeiden elkaar waar het op stond en moesten veel van elkaar kunnen verdragen. Alleen vrienden mochten je met je tekorten confronteren, want alleen hen kon je vertrouwen: "Liever de wonden van een vriend dan een vijand die mij probeert te vleien." In zijn 'Adagia' (Spreekwoorden) liet Erasmus uitkomen hoezeer die gedoogcultuur vriendschappen in stand hield, die anders door ernstige tweespalt in rook zouden opgaan: "Ik rekende hem tot mijn beste vrienden en dat doe ik nog steeds, want je moet de hebbelijkheden van je vrienden kennen, niet haten." En de hervormer Melanchthon liet hij in 1524 weten: "In vriendschappen moet men voor veel zaken de ogen sluiten."

Het grootste gevaar voor machthebbers en beroemde personen bestond uit vleierij. Dat durfde Erasmus zelfs de Engelse koning Hendrik VIII onder ogen te brengen. Tijdens zijn verblijf in Cambridge in 1513 droeg hij zijn vertaling in het Latijn van Plutarchus' verhandeling over het onderscheid tussen vleiers en vrienden aan deze vorst op. Hendrik voelde zich een humanist en beschouwde Erasmus als leermeester. In de opdracht waarschuwde Erasmus de vorst voor zijn raadslieden, die hem zouden willen verleiden tot oorlog met Frankrijk; onderling strijdende christenvorsten waren hem een gruwel.

Zijn hele leven bleef Erasmus uitermate gevoelig voor het verwijt zelf te vleien of vleierijen uit te lokken. Furieus betoogde hij in een brief van 1523, dat hij altijd tekeer zou blijven gaan tegen het loze vertoon van kerk en staat: "Mijn boeken laten duidelijk genoeg zien hoe ik mij niet bezondig aan het vleien van zelfs de belangrijkste vorsten."

Kritiek was een eerbetoon van de ene vriend aan de andere. Steeds bleef Erasmus ernaar hengelen. Lof richtte vrijwel altijd schade aan, alleen kritiek maakte je wijzer. Die toon werd als het ware gezet in een brief uit 1499 aan John Colet, de latere deken van St. Paul's in Londen. Erasmus voerde aan dat het beter was om een debat te verliezen - daar leerde je tenminste van. En daarom sloot hij af met het verzoek 'mijn argumenten zorgvuldig en scherp te weerleggen en mij aan mezelf te tonen'.

Vriendschap huisde in een schatkamer van wederzijdse kritische verdieping in elkaar, vertrouwen en intimiteit. Verbrak een vriend die ongeschreven wetten, dan ontstond er hevige verontwaardiging. In 1525 trok Erasmus van leer tegen zijn vriend in Bazel, Conradus Pellicanus, hoogleraar in de theologie: "Ik was altijd van oordeel dat je toch zeker zoveel fatsoen bezat dat ik je veilig welk geheim dan ook kon toevertrouwen. Vandaar dat ik geen ander dan jou heb uitgekozen om deelgenoot te maken van mijn zielsgeheimen. Daarom vraag ik mij met des te meer verwondering af wat er is gebeurd dat je dingen over mij hebt rondgestrooid die ik nooit gezegd en gedacht heb." In de vriendenkring discussieerde men verhit over de eucharistie. Viel vol te houden dat Christus' vlees en bloed echt in de hostie en de wijn zaten? De standpunten dienden strikt binnenskamers te blijven, alleen de kerk kon hierover beslissen en ermee naar buiten treden.

Maar Pellicanus zou verklapt hebben dat Erasmus bij zulke intieme denkoefeningen de eucharistie afgewezen had en dus een luthers denkbeeld koesterde. Pellicanus ontkende glashard, onder de verzekering dat hij zich nooit en te nimmer de onschatbare rijkdom van Erasmus' vriendschap zou laten ontglippen. Deze antwoordde daarop zo'n reactie zinloos gebazel te vinden, volkomen niet ter zake en dus zonde van de tijd. Hun vriendschap was in de kern beschaamd en daarmee beëindigd.

De ultieme vriendschap beleefde Erasmus uiteindelijk met Thomas More, jurist en later kanselier onder Hendrik VIII. Ze leerden elkaar kennen bij Erasmus' eerste bezoek aan Engeland in 1499, en het was meteen raak. Tussen hen bloeide onmiddellijk een vriendschap op, die voldeed aan alle humanistische idealen: volstrekte gelijkwaardigheid, superieure debatten in woord en geschrift, en een exclusieve intimiteit, dat alles gekruid met een onweerstaanbare gevatheid over en weer - Erasmus ventte More's humor enthousiast uit bij zijn andere vrienden. Ze beschouwden zich zelfs als een eeneiige tweeling, vandaar dat je voor zo'n vriend kon liegen om hem te beschermen.

Erasmus werd van alle kanten aangevallen, toen hij bleef ontkennen dat hij de auteur was van een anoniem pamflet uit 1513 tegen paus Julius II ('Julius Buitengesloten') waarin de overleden paus bij de hemelpoort niet werd doorgelaten vanwege zijn wandaden. Bij vrijwel niemand bestond enige twijfel over Erasmus' auteurschap, maar hij bleef ontkennen. Thomas More was een van de weinigen die hem bijsprongen, tegen beter weten in: ondenkbaar dat More stijl, toon en satire van zijn boezemvriend niet zou herkennen. Maar toch: de vriendschap.

Erasmus voelde zich meteen opgenomen in More's gezin, met een vrouw, drie dochters en een stiefdochter. Het was een warm bad waarin hij zich liet onderdompelen, vol bewondering voor de perfecte opvoeding die de dochters kregen. Hier raakte Erasmus overtuigd van het intellectuele potentieel van vrouwen: dat deed beslist niet onder voor dat van mannen. Met zulke vriendschappen die de Republiek der Letteren bijeenhielden zou de beschaafde wereld nooit te gronde kunnen gaan.

Niet lang voor zijn dood in 1536 vernam Erasmus, dat More na een lange gevangenschap onthoofd was op last van hun voormalige vriend, Hendrik VIII - More weigerde de vorst als hoofd van de Engelse kerk te erkennen. Erasmus' wereld stortte ineen. Maar om zijn sterfbed in Bazel stonden nog steeds ware vrienden. Alles wijst erop dat hij dat tot zijn laatste snik gevoeld moet hebben.

Europa Paul Scheffer

Desiderius Erasmus publiceerde precies 500 jaar geleden zijn hoofdwerk, 'Novum Instrumentum'. Gouda, waar Erasmus opgroeide, maakt 2016 tot Erasmusjaar, met o.a. lezingen. Deze serie is uitverkocht, maar de lezingen zijn te bekijken op

www.human.nl/erasmus

Erasmus in glas en lood Voor de Goudse Sint Janskerk ontwierp beeldend kunstenaar Marc Mulders een glas-in-loodraam, geïnspireerd op Erasmus' gedachtengoed. Op deze en volgende pagina's staan details van dit Erasmusraam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden