Gefascineerd luisteren naar rechte lijnen en ruiswolken

Seth Josel speelt altijd even verzorgd en verfijnd. (FOTO CO BROERSE) Beeld
Seth Josel speelt altijd even verzorgd en verfijnd. (FOTO CO BROERSE)

Het stuk ’33-127’ van Peter Ablinger duurt bijna een uur en telt 95 tracks op de cd van Mode. Het is een van de gekste werken die ik ooit hoorde. Steeds opnieuw (95 keer) speelt een elektrische gitaar toonladders. Altijd van boven naar beneden, met kleine onvoorspelbare variaties in toonhoogte en ritme, clean gitaargeluid.

Al die ordentelijke laddertjes worden op gezette tijden onderbroken door een paar seconden met omgevingsgeluiden die Ablinger opnam: kruispunten, luchthavens, bars, supermarkten, schoolpleinen, zwembaden – verzin het maar en het staat er op. Op die momenten verandert het geluid van de gitaar even plotseling mee naar rauw en speelt Josel in een uit de hand gelopen bebop-stijl een soort begeleiding van die chaos.

Is dit muziek? Ik zou het niet weten, maar ik neig naar ja. Ablinger schreef al meer obsessieve stukken waarin instrumenten hun hele bereik van boven naar beneden aftasten. Als je erover leest, ben je geneigd het af te doen als onzin. Maar het gekke is: je blijft gefascineerd luisteren naar die monomane afwisseling tussen rechte lijnen en ruiswolken.

De elektrisch gitarist die het lef heeft om deze muziek op te nemen is Seth Josel, een musicus die zich met gemak over het hele spectrum van de nieuwe muziek beweegt: altijd even verzorgd en verfijnd gespeeld, met stijlgevoel en enthousiasme.

Sinds zijn uitvinding rond 1930 heeft de elektrische gitaar zich nooit verbonden aan één bepaalde klank, maar is het instrument in de jazz-, pop- en geïmproviseerde muziek juist bekend geworden door zijn kameleontische karakter.

In de klassieke muziek is de rol van de elektrische gitaar bescheidener te noemen. Het is opvallend dat het instrument vooral geliefd is bij componisten die een pop-achtige directheid zoeken, en die gecharmeerd zijn door de klankmogelijkheden.

’The Stroke That Kills’ is een mooie bloemlezing van zulke muzikanteske werken van Angelsaksische componisten – van wie de Amerikaan David Dramm in Nederland woont. Dramm schreef het titelnummer, een rockend werk waarin hij flamencogitaarritmes boven op elkaar legt. Zo ontstaat een spannend moiré aan ritmes, als ode aan Count Basie’s slaggitarist Freddie Green. Ook ’Strum City’ van Alvin Curran begint met een reeks slagakkoorden, maar valt daarna uiteen tot arpeggio’s en kleinere samenklanken. Heel mooi is ook het eenvoudig wiegende ’Until It Blazes’ van Eve Beglerian – gewoon een clean geluid, een delay en het prachtige spel van Josel. (AF)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden