Geestelijk ademhalen

Pieter Geyl in Londen, 1922. (FOTO UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT) Beeld
Pieter Geyl in Londen, 1922. (FOTO UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT)

Zijn lofzang op de westerse beschaving bracht de historicus Pieter Geyl vijftig jaar geleden het verwijt een oppervlakkig optimist te zijn. Maar volgens Wim Berkelaar is de boodschap van Geyl onverminderd actueel. „Als immigranten die vitaliteit zien, waarom zouden wij dan cultuurrelativisten worden?”

’Het grote probleem van onze dagen is dat van het behoud van de westerse cultuur.” Het had een uitspraak van Paul Cliteur of Herman Philipse kunnen zijn, om enkele hedendaagse pleitbezorgers van de westerse beschaving te noemen. Maar het gaat hier om de eerste zin van de afscheidsrede ’De vitaliteit van de westerse beschaving’, die de historicus Pieter Geyl (1887-1966) op 31 mei 1958 uitsprak bij zijn afscheid als hoogleraar Nieuwe Geschiedenis aan de Utrechtse universiteit, waar hij meer dan twintig jaar doceerde.

Het is nu, twintig jaar na de val van de Muur, nauwelijks nog voorstelbaar, maar het communisme leek een halve eeuw geleden bezig aan een zegetocht. De Sovjetunie was zegevierend uit de Tweede Wereldoorlog gekomen en had heel Oost-Europa onderworpen, Mao Zedong en zijn communisten hadden de macht in China overgenomen en her en der in de zogenaamde Derde Wereld werd het communisme beschouwd als aantrekkelijk alternatief in de strijd tegen de koloniale overheersing van de westerse mogendheden. Vol zelfvertrouwen profeteerde Sovjetleider Nikita Chroesjtsjov eind jaren vijftig dat het communisme het kapitalisme in een ’vreedzame wedijver’ zou overvleugelen en verpletteren.

De aan de Duitse filosoof Hegel toegeschreven uitspraak ’Al het werkelijke is redelijk, al het redelijke is werkelijk’, maakte menig westers intellectueel tot de zijne. Als het communisme in zoveel landen werkelijk heerste, moest er toch iets redelijks in schuilen? Meer nog: waar in Frankrijk menig intellectueel (voorop de filosoof Sartre, dé verpersoonlijking van de intellectueel) in de Russische Revolutie de voltooiing zag van de Franse Revolutie van 1789, daar waren intellectuelen uit domineesland Nederland ontvankelijk voor de ’zeggingskracht’ van het ’reëel bestaande socialisme’. Het had het Westen ’iets te zeggen’: de politieke democratie in het Westen zou een ’sociale democratie’ moeten worden, zo betoogde de hervormde dominee Krijn Strijd in 1948 voor de (toen nog werkelijk) Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep (V.P.R.O.). Strijd reageerde op een destijds hoogst ongemakkelijk gebeuren: de Russische coup in Tsjechoslowakije, waar de communisten de macht grepen en de laatste fragiele democratie in Oost-Europa om zeep hielpen.

Desondanks bleef Strijd de ’dialoog’ zoeken tussen zijn christendom en het communisme. In 1951 verscheen zijn ’Christendom en communisme. Een confrontatie’. Die ondertitel was misleidend, want Strijd zocht geen confrontatie maar wederom harmonie. „Wanneer het levende christendom het levende communisme ontmoet”, zo vroeg hij zich in vlammende retorische zinnen af, „dan zal er maar één vraag gesteld mogen worden: is in wat wij hier voor ons zien aan geestelijke overtuigingen en sociale realiteit iets te bemerken van de Waarheid, de Gerechtigheid en de Barmhartigheid?” De vraag stellen was haar beantwoorden.

Nu was dominee Strijd een verklaard voorstander van de zogenaamde Derde Weg tussen kapitalisme en communisme. Dat was PvdA-oprichter Willem Banning niet. Hij meende dat er beslist een keuze moest worden gemaakt tussen democratie en dictatuur. Maar ook deze dominee (er zou nog eens onderzoek gedaan moeten worden naar twintigste-eeuwse dominees in de politiek) hoopte dat het communisme zou fungeren als zweep voor het christendom, dat teruggeroepen zou moeten worden naar ’zijn ware wezen en opdracht’. De ’politiek-sociale wereldreligie’, die communisme heette, was naar de overtuiging van Banning een ’vijandelijke broer’ van het christendom, dat weliswaar uit een andere bron dronk, maar eveneens en scherper dan tot dusver (we schrijven 1951) kritiek op het kapitalisme diende te leveren. Zolang dat niet gebeurde zou van het communisme grote aantrekkingskracht uitgaan op de westerse bevolking.

Dit zijn maar twee voorbeelden van beschouwingen uit de jaren vijftig die openstonden voor het communisme – beschouwingen die tegelijkertijd bol stonden van zelfkritiek. Die zelfkritiek ging dikwijls hand in hand met cultuurpessimisme. Vooral de ’eenzame massa’ (een term van de Amerikaanse socioloog David Riesman) in het Westen werd gevreesd, aangezien ze steeds verder seculariseerde, geen gemeenschappelijk ideaal meer had en ten onder dreigde te gaan aan individualisme.

In ’De vitaliteit van de westerse beschaving’ keerde Pieter Geyl zich met kracht tegen dit cultuurpessimisme. Hij wenste niet mee te doen aan ’de campagne van pessimisme en zelfkritiek’, maar sprak juist zijn vertrouwen uit in de westerse veerkracht. Dat Europa twee wereldoorlogen had gevoerd die het continent in 1945 in puin achterlieten, dat het barbaarse nationaal-socialisme twaalf jaar lang heerste in het hoogontwikkelde Duitsland – het deerde Geyl wel, maar maakte geen cultuurpessimist van hem.

Integendeel: Geyl constateerde anno 1958 met genoegen dat Duitsland haar plaats weer had ingenomen in de Europese statenbond en steviger dan ooit geworteld was in de West-Europese beschaving, waarvan vrijheid en pluriformiteit de kernwaarden zijn. Hij keerde zich tegen intellectuelen die ’het oude Europa’ afschreven en in het kielzog van de dekolonisatie hun heil zochten in de bestudering van zojuist ontvoogde werelddelen.

Geyls onomwonden geloof in de westerse beschaving was om meer dan één reden opmerkelijk te noemen. Allereerst gezien zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 7 oktober 1940 was Geyl door de Duitse bezetter gearresteerd en met 115 andere prominente gijzelaars (onder wie de latere premier Willem Drees, de president-directeur van de Nederlandse spoorwegen Goudriaan en de vrijdenkers Anton Constandse en Oene Noordenbos) afgevoerd naar concentratiekamp Buchenwald. Dat Geyl door de bezetter tot die prominenten werd gerekend, dankte hij aan de vele schotschriften die hij sinds 1933 tegen de nazi’s schreef in het Utrechtsch Nieuwsblad.

Dat was niet vanzelfsprekend, zeker niet gezien het onderwerp waarmee Geyl zich tot die tijd had geëngageerd.

Geyl werd in 1887 geboren als zoon van een vrijdenkende arts. In 1911 kwam hij – inmiddels student aan de universiteit van Leiden – in aanraking met de Vlaamse beweging, een amalgaam van liberalen, socialisten en katholieken, die allen op hun eigen wijze hetzelfde nastreefden: gelijkberechtiging van de Vlaamse taal en cultuur die achtergesteld waren bij de Franse. Tijdens de Eerste Wereldoorlog spitste de taalstrijd zich in België toe: Franstalige officieren discrimineerden Vlaamssprekende soldaten, waarvan velen in de ban raakten van het ’activisme’ – ze schreven vlugschriften en protesten tegen hun behandeling en manifesten voor een andere inrichting van België.

Geyl volgde die strijd vanuit de verte. Na zijn studie was hij naar Engeland getogen als correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Zijn aankomst als correspondent viel vrijwel samen met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Geyl berichtte vrijwel dagelijks over de stemming in Engeland en de perikelen in het Britse kabinet, maar vond ook tijd voor beschouwingen over een andere grote passie: toneel. Hij bleef intussen sterk betrokken bij de Vlaamse beweging en begon aan een studie die de aspiraties van die beweging moest legitimeren: de ’Geschiedenis van de Nederlandse stam’. Tussen 1930 en 1937 verschenen drie delen van dit uiteindelijk onvoltooide werk. Zich ergerend aan de ’klein-Nederlandse geschiedenis’, die het Nederlandse koninkrijk beschreef als een onvermijdelijke uitkomst van een godsdienstige strijd in de zestiende eeuw, deed Geyl een ambitieuze poging een ’Groot-Nederlandse geschiedenis’ te schrijven. Dat wil zeggen: aan te tonen dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in de zestiende eeuw slechts door een ongelukkige samenloop van omstandigheden waren gescheiden. De Nederlands sprekende ’stam’ had volgens Geyl in de zestiende eeuw een eenheid moeten blijven – en hij gooide zijn volle gewicht in de strijd om die eenheid te herstellen. Zijn geschiedschrijving was zijn bijdrage.

Geyl, die na de Eerste Wereldoorlog op kosten van de Nederlandse overheid werd benoemd tot hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Londen, was eerzuchtig en ijdel. Hij zag reikhalzend uit naar recensies van zijn werk: „Waarom heeft de hele pers mijn boek nog niet tot het boek van de eeuw uitgeroepen?”, schreef hij aan een vriend. Maar hij mocht niet klagen: bij alle geleverde kritiek viel hem de erkenning ten deel de kijk op de Nederlandse geschiedenis van de zestiende en zeventiende eeuw blijvend te hebben verrijkt door de Zuidelijke Nederlanden weer in beeld te brengen. En passant sloeg Geyl nog enkele heilige huisjes van de Nederlandse geschiedschrijving kapot: hij keerde zich tegen de gedachte dat Nederland een ’protestantse natie’ was en besteedde ruim aandacht aan de altijd al aanwezige, maar zich pas sinds 1848 weer roerende (grote) katholieke minderheid. Geen wonder dat de katholieke historicus L.J. Rogier later dankbaar optekende dat er „een vaderlands geschiedenisbeeld van voor Geyl was en een van hem na hem”.

Geyl mocht als historicus dan wel applaus oogsten, als pleitbezorger voor de Vlaamse zaak kon hij niet veel potten breken. De verdeeldheid tussen gematigden en radicalen was eenvoudig te groot om als Vlaamse beweging echt een vuist te kunnen maken. Met de opkomst van fascisme en vooral nationaal-socialisme werd de zaak er niet beter op. Geyls waarschuwingen om niet in de fuik van nazi-Duitsland te lopen, bleken tevergeefs. Kort na de machtsovername van Hitler formeerde rechts Vlaanderen het Vlaams Nationaal Verbond, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog zou uitgroeien tot de Vlaamse pendant van de NSB.

Doordrongen van het gevaar dat het nationaal-socialisme voor Europa vormde, schreef Geyl niet slechts waarschuwende artikelen in het Utrechtsch Nieuwsblad. Hij trad ook toe tot Eenheid door Democratie, een groep van intellectuelen die tegen ieder totalitair regime wilde waarschuwen – dus ook tegen communistisch Rusland. Het onderscheidde de groep van het zogenaamde Comité van Waakzaamheid, dat als prominente leden niet alleen de schrijvers Menno ter Braak en Edgar du Perron telde, maar ook een saloncommunist als de Amsterdamse historicus Jan Romein – een man met wie Geyl na de bevrijding nog veelvuldig zou botsen.

In 1940 was de bevrijding nog ver weg. In Buchenwald, waar Geyl en de andere gijzelaars tot 1941 zouden blijven, had Geyls felle temperament hem het hoofd kunnen kosten, zo weten we dankzij een naoorlogse herinnering van Willem Drees. In februari 1941 werden de gevangenen op appèl geroepen en getrakteerd op een rede van een SS’er, die hoog opgaf van de grootmoedigheid die Hitler had betoond tegenover het Nederlandse volk en die gewaagde van de ’bloedverwantschap’ tussen het Duitse en Nederlandse volk. Die verwantschap zou ook tot uiting komen in de vrijwillige dienst van Nederlanders in Duitse dienst. „Toen barstte de bom!”, schreef Willem Drees ruim twintig jaar later. „Midden uit de geërgerde, maar in het algemeen zwijgend luisterende groep, klonk een felle uitroep van professor Geyl: ’Das sind Verrüter!’ ” De SS-officier was van zijn stuk gebracht en verdween korte tijd, de gevangenen in angst en verwarring achterlatend. Sommigen waren blij met Geyls interventie, anderen woedend, bang dat represailles de hele groep zouden treffen. De zaak liep met een sisser af. Geyl nam zijn verantwoordelijkheid en meldde zich, zonder dat het consequenties had, noch voor hem, noch voor de groep als geheel.

Na Buchenwald belandde Geyl via grootseminarie Haaren in Noord-Brabant in mei 1942 in kleinseminarie Beekvliet te Sint Michielsgestel, waar hij tot aan zijn vrijlating in februari 1944 zou verblijven. In Nederlandse gevangenschap verging het Geyl en zijn lotgenoten beter: de levensomstandigheden waren minder slecht en er was meer contact mogelijk met de buitenwereld. Hier schreef Geyl in het najaar van 1942 zijn openhartige autobiografie, die nu gepubliceerd wordt. Na zijn vrijlating in februari 1944 ontplooit Geyl opnieuw, net als voor de oorlog, een koortsachtige activiteit, waarbij de historicus en geëngageerd intellectueel opnieuw gelijk opliepen. Maar in zijn belangstelling was iets veranderd. Hoewel de Vlaamse zaak hem nog altijd aan het hart ging, kon hij het niet meer opbrengen zijn ’Geschiedenis van de Nederlandse stam’ te voltooien. Ook niet omdat hij, zoals de historicus Pieter van Hees overtuigend heeft betoogd, vastliep op de scheuring van het kortstondig en door de Engelsen afgedwongen huwelijk in 1830. Het koninkrijk België bleek, bij alle kinderziekten, eenvoudig niet meer kapot te krijgen.

Maar er was meer: Geyl zag na 1945 nieuwe gevaren opdoemen. In de eerste plaats het communisme, dat hij in diverse artikelen bestreed als het linkse broertje van fascisme en nationaal-socialisme. Geyl ontpopte zich in leeftijd en ervaring tot de nestor van een select gezelschap goed schrijvende anticommunisten, voorop generatiegenoot Jacques de Kadt, gevolgd door de veel jongere slavist Karel van het Reve. Niet toevallig onderhield Geyl met beiden vriendschappelijke betrekkingen. Zij streden voor de ’open samenleving’ en tegen allen die deze open samenleving bedreigden. Geyl nam in de naoorlogse jaren in het bijzonder twee vakgenoten op de korrel, die hij verdacht van defaitisme en sluimerende weerzin tegen de westerse democratie: de al genoemde historicus Jan Romein en de Britse historicus Arnold Toynbee. De laatste was voor de Tweede Wereldoorlog begonnen aan een uiteindelijk twaalf delen tellende ’A study of history’, die hij in 1961 zou voltooien. Toynbee ontwaarde lijnen en patronen in de opkomst en het verval van beschavingen. Hij werd in Nederland niet toevallig geïntroduceerd door Romein, die als marxist weliswaar Toynbee’s christelijke wereldbeschouwing niet deelde, maar ook viel voor de verleiding samenhang in de geschiedenis te zien.

Geprikkeld door Romeins enthousiasme voor Toynbee, begon Geyl de Brit in de zomer van 1946 te lezen. Aanvankelijk gefascineerd, maar gaandeweg met groeiende ergernis. Hij koesterde niet alleen bezwaren tegen Toynbees ’lijnen en patronen’ in de geschiedenis, die zich bij gedetailleerd onderzoek gemakkelijk lieten weerleggen, maar vooral ook tegen de geest die uit ’A study of history’ sprak. Toynbee was hem te somber en te neerbuigend over de westerse beschaving, die alleen gered zou kunnen worden door een terugkeer naar het christendom.

Dat was de vrijdenker Geyl te simpel: alsof het christendom (denk aan de godsdienstoorlogen uit de zestiende eeuw) alleen maar een zegen geweest was voor de westerse beschaving. Een terugkeer naar het christendom was niet nodig: het Westen mocht vertrouwen op de open samenleving, waarvan vrije discussie en levendig debat de belangrijkste bestanddelen vormden. Beschouwde Geyl het christendom als een ’gesloten’ wereldbeschouwing, die wel een plaats mocht vinden in de open samenleving maar die niet moest domineren, met nog meer wantrouwen keek hij naar het alternatief dat Jan Romein aandroeg voor die ‘open samenleving’: het marxisme. Dat bood, zo bewees ’het reëel bestaande socialisme’ wel, slechts dictatuur, knechting en censuur. De ’ongeluksprofeten’ Toynbee en Romein dienden uit naam van die vrije samenleving bestreden te worden.

Geyl is destijds dikwijls oppervlakkig optimisme verweten: de westerse beschaving was immers niet volmaakt en liep toch voortdurend gevaar? Hoe kon hij zijn ogen daarvoor sluiten? In brieven met vakgenoten, gewisseld na de publicatie van ’De vitaliteit van de westerse beschaving’, bestreed Geyl die verwijten. Hij ontkende dat de westerse samenleving zelf ziek zou zijn. Zij liep wel gevaar, maar dan gevaar van buiten (het communisme) en gevaar van ’zekerheidszoekers’ – onverantwoordelijke figuren als Toynbee en Romein, die westerse waarden als vrijheid en pluriformiteit op het spel zetten door hun eigen beschaving zonder zelfvertrouwen en zelfs met weerzin te beoordelen.

De les die Geyl zijn landgenoten vijftig jaar geleden gaf, heeft nog altijd geldigheid. Dat van overal ter wereld immigranten naar de Verenigde Staten en Europa willen komen, heeft echt niet uitsluitend economische redenen. Dat is een onderschatting van de vele Nahed Selims en Afshin Ellians onder de immigranten: zij komen hier niet slechts om te eten, maar ook om geestelijk adem te halen. Geyls ’De vitaliteit van de westerse beschaving’ is zo bezien onverminderd actueel: als immigranten die vitaliteit zien, waarom zouden wij dan cultuurrelativisten worden?

Nu het communisme twintig jaar geleden al zijn ineenstorting beleefde, is er reden te meer in de vitaliteit van de westerse beschaving te geloven. Oog voor die vitaliteit sluit zelfkritiek niet uit: de zelfverrijking van de bankiers en de daaropvolgende kredietcrisis laten zien dat de westerse beschaving niet volmaakt is. Maar het Westen kent, dankzij kritiek, vrijheid en democratie, wel een zelfreinigend vermogen dat in dictatoriaal geregeerde werelddelen of landen, of het nu de islamitische wereld of China betreft, ontbreekt. Zolang kritiek, vrijheid en democratie daar gefnuikt worden, is de westerse beschaving wel degelijk superieur. Zij kan nog altijd nagevolgd worden.

Pieter Geyl in Londen, 1922. Beeld
Pieter Geyl in Londen, 1922.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden