Geest van Charta nog niet gedoofd in Praag

Precies 35 jaar geleden richtte Václav Havel de dissidentengroep Charta 77 op. Aanleiding was het proces tegen zijn vriend, de dichter en bandleider Ivan Jirous alias Magor. In november kwamen de oude Chartisten en rockers weer bijeen op Magors begrafenis. Een maand later droegen ze Havel ten grave. Havels broer Ivan haalt met vrienden van de 'geheime club' herinneringen op.

REPORTAGE | ANNEMIEKE HENDRIKS | PRAAG

Aan het centrale Wenceslasplein in Praag staat een massief pand. Op een van de ingangen is de oorspronkelijke naam nog te lezen: Lucerna. Ergens in de spelonken bevindt zich de kelderclub waar Ivan Havel, Václavs broer, elke woensdagavond nog altijd oude Charta-vrienden ontvangt. De overdekte passages in art nouveau leiden naar de middenhal van het pand met de weelderige bioscoop, en in het trapgat de buste van grootvader Václav Havel. Deze architect en ondernemer bouwde het Lucerna in de jaren twintig als eigentijds vermaakspaleis.

Maar de aandacht in de hal wordt vooral getrokken door een dood paard. Het hangt ondersteboven aan zijn benen, de tong uit de mond. En op zijn buik zit een ridder, die zijn netelige positie helemaal niet door lijkt te hebben. De bekende, dwarse kunstenaar David ¿erný ontwierp het beeld ruim tien jaar geleden. De inspiratiebron staat buiten op het Wenceslasplein: het ruiterstandbeeld van 's lands patroonheilige Václav.

Dat is zeker niet de reden dat het dode paard werd omarmd door de familie Havel, die het Lucerna-paleis na de Fluwelen Revolutie terugkreeg. Het is publiek geheim dat ¿erný bij zijn gedesoriënteerde stenen Václav vooral aan Václav Klaus heeft gedacht. Toen de sculptuur werd ontworpen, was Klaus langjarig premier, en daarna zou hij staatspresident worden: genoeg tijd om het ethisch zo verantwoorde staatsbestuur van Václav Havel en Charta 77 plaats te laten maken voor rechts-populisme.

Klaus' kreten - 'De milieubeweging is erger dan Al-Kaida!' - vormen altijd een dankbaar onderwerp in Ivan Havels woensdagse Chartisten-club.

De kelderclub heet Konicek, Paardje. "Maar dat verwijst niet naar ¿erný's beeld", legt Václavs Havels jongere broer uit. "Vóór de oorlog zat in het pand een club die Het Zwarte Paard heette. Omdat wij nu stukken kleiner behuisd zijn, leek Paardje gepaster."

In Konicek zit deze novemberavond een dertigtal vijftigplussers informeel in groepjes te converseren. Aan de wanden hangen oude foto's van de familie Havel en hun vrienden, vooraanstaande Praagse burgers. "Toen het Lucernapaleis in 1948 werd genationaliseerd", vertelt Havel, "dachten Václav en ik, twaalf en tien jaar oud, dat het communisme heel even zou duren. Maar toen onze vader in 1979 overleed, was het einde nog niet in zicht. Lucerna was toen een treurig communistisch Cultuurpaleis geworden."

Eind 1989 geschiedde een wonder, vervolgt Ivan Havel. "We kregen het Lucerna terug. Maar ja, dan heb je opeens een gammel vermaakspaleis met restaurant, bioscoop, muziekzalen, appartementen - en geen geld."

Laat staan verstand van geld. "Mijn broer en ik verwierven elk de helft van het Lucernapaleis. Maar hij wilde zijn deel niet, hij vond dat niet passen bij zijn nieuwe functie als staatspresident. Hij heeft het verkocht aan een zakenman, die prompt failliet ging. Sindsdien voeren we processen om de boel weer bijeen te krijgen, als familiesymbool."

'We', dat is vooral zijn vrouw Dagmar, geeft Ivan Havel toe. "Ik ben liever tussen de schapen op ons boerderijtje", grapt hij. Hij is informaticus en filosoof, en leidde tot zijn pen- sioen het Centrum voor Theoretische Studies. En Ivan Hael was Charta 77-aanhanger, de dissidentengroep rondom zijn broer, genoemd naar hun declaratie over de mensenrechten in Tsjecho-Slowakije. Precies 35 jaar geleden, op 1 januari 1977, werd de 'Declaratie van Charta 77' aan het communistische regime aangeboden: als petitie van een paar honderd man, die met hun eigen naam hadden ondertekend.

Hoewel Ivan Havel zelf atijd graag op de achtergrond bleef, heeft zijn Chartisten-club faam opgebouwd. "Ik begon direct in 1977", vertelt hij, "met een huiskamerclub in mijn flat hier in het centrum. Die club was vooral bedoeld om vrijuit over wetenschap en cultuur te praten. Er kwam ook wel eens een niet-dissident schichtig onze trap op lopen."

Een bevriende fotograaf in Konicek schuift ondertussen aan Havels ronde tafel aan. Karel Schwarzenberg komt ter sprake, hun goede oude, excentrieke, hoogadellijke vriend, die in zijn Weense ballingschapsjaren Charta 77 steunde waar hij maar kon. "Na 1989 was Karel terug, en kwam hij altijd de sfeer verhogen op de club", zegt de fotograaf. "Net als de vele politici uit die eerste tijd na de Fluwelen revolutie. Maar nu heeft Karel het als minister van buitenlandse zaken gewoon te druk." Ivan Havel en hij doen moeite uit te leggen waarom de flamboyante liberaal Schwarzenberg in een benepen rechts-conservatieve regering is gestapt: 'Plichtsgevoel voor het vaderland', 'om zo veel mogelijk pro-Europees en Charta-gedachtegoed te redden'.

Hoe dan ook heeft de minister van buitenlandse zaken fraaie quotes aan de media geleverd bij de dood van hun aller vriend Ivan Martin Jirous in november. Jirous is voor de meesten hier 'Magor', "wat iets als maf, raar, dwars betekent", legt de fotograaf uit. "Hij was een cultuurfilosoof en dichter, en de artistieke leider van een band, die ons aller lot medebepaald heeft." Het was de rechtszaak tegen Magor en zijn undergroundband Plastic People of the Universe, die de groep kunstenaars en intellectuelen rond Václav Havel ertoe bracht, op 1 januari 1977 de handtekeningenactie 'Charta 77' te presenteren.

Met oud-president Václav Havel zelf gaat het deze novemberdagen zeer slecht. Dat wordt in de Konicek niet uitgesproken; het is allen bekend. Liever haalt men mooie herinneringen op. "Ik zie weer voor me", zegt de fotograaf, "hoe onlangs op Václavs 75e verjaardag Madeleine Albright op undergroundmuziek stond te swingen met een oud-communist." De Havels schateren het uit. Tegen sluitingstijd vertelt Ivan dat er morgenochtend een herdenkingsmis voor Magor wordt gehouden. "Vanzelfsprekend is de hele Konicek-club daarbij." De fotograaf oppert dat de kerk wel bol zal staan van de anarchistische speeches en undergroundmuziek.

Mooi niet. De volgende ochtend zit de kerk weliswaar vol met bejaarde, langharige rockers, naast kortharige intellectuelen. Maar de dienst voor Magor is zo traditioneel als een mis maar kan zijn. Wel vallen op het paarse gewaad van een van de priesters lange grijze lokken. Ivan Havel is een van de weinige aanwezigen die niet bidt en knielt. Na afloop zegt hij, gevraagd naar de zo traditionele dienst: "Tja, Magor is op zijn oude dag erg katholiek geworden." De fotograaf uit Konicek corrigeert deze versie. "Hij was altijd al erg katholiek. Net als vele andere oppositionelen van toen."

Een maand later, op 23 december, zal Ivan Havel in de Vitus-kathedraal zitten bij de herdenkingsdienst voor zijn broer, die op 18 december overleed: prominent vooraan met zijn witte baard, maar nauwelijks opgemerkt door de internationale media. Het is de vraag of oud-president Václav Havel zo rooms - niet eens oecumenisch - uitgeluid had willen worden, en dan ook nog met al dat militaire vertoon rond zijn kist. Maar Karel Schwarzenberg maakt in zijn voordracht veel goed. Met al zijn aristocratische allure memoreert de minister de "rockers van Trutnov en de vele andere, zo belangrijke vrienden van toen, die nu niet hier in de kathedraal zitten".

Václav Havel en Magor raakten eind 1976 bevriend. Magor was sinds 1969 de artistieke leider van de nieuwe band Plastic People of the Universe, die op alle mogelijk manieren werd dwarsgezeten en geïntimideerd. Havel, zelf schrijver, vond dat ieder het recht had zich vrij en authentiek uit te drukken, aldus de Charta-tekst. Hij was onder de indruk van Magor, omdat deze elk compromis met het regime afwees. Na 1989 waren Magor en Václav Havel trouwe bezoekers van het openlucht-rockfestival in Trutnov, waaraan Karel Schwarzenberg in zijn toespraak refereerde. In dat stadje had Havel nog als arbeider in de bierbrouwerij gewerkt.

Magor zat in totaal acht jaar in de gevangenis, Václav Havel een paar jaar minder. Hij bood Magor en zijn Plastic People de mogelijkheid om in de grote schuur bij zijn datsja clandestiene concerten te organiseren en tapes op te nemen, daarbij permanent geïntimideerd door de staatsveiligheidsdienst. In 2006 reikte Havel aan Magor de belangrijkste literaire prijs van Tsjechië uit. Bij die gelegenheid speelde Magors voormalige band, Plastic People of the Universe.

Het is een bijzondere mengeling van gelijkgezinden, die elkaar tot op de dag van vandaag trouw zijn gebleven: oud-dissidenten die wetenschapper, minister of ambassadeur werden, en langharige oude dichters, rockers, geestelijken. Dat gezamenlijke 'underground'-gevoel: Is daarvan iets op de jongere generaties afgestraald? De Praagse filmregisseur Ond¿ej Trojan (1959) behoorde tot de jeugdige 'máni¿ky', jongens met lange manen, die in de Plastic People én Václav Havel hun voorbeeld zagen. "Zij waren van de generatie van onze brave, aangepaste ouders, maar dan hun tegendeel", vertelt hij. "Wij tieners gingen naar illegale concerten en naar huiskamertheatertjes waar absurdistische stukken van Havel en zijn vrienden werden opgevoerd."

Trojan heeft zijn eigen jaren zeventig in de speelfilm 'Identiteitsbewijs' (2010) verwerkt. Het is een bitterzoete comedy over een clubje tieners dat zich met muziek, meisjes en drank afzet tegen de allesoverheersende controle op hun leven. "Wij waren a-politiek. Maar je werd 'politiek' gemaakt. Al gauw vormden we een soort geheime club waarin we 'foute' kleren droegen en verboden platen uitwisselden: ons underground-gevoel."

Trojans film bevat een bloedstollende scène, waarin honderden scholieren, op weg naar een concert van de Plastic People of the Universe, door de staatsmacht in een viaduct worden gedreven en in elkaar geslagen. Het concert wordt verboden en de band tot een marginaal bestaan veroordeeld. Dit alles is waar gebeurd en staat bekend als het Bloedbad van ¿eské Bud¿jovice in 1974.

"Bij de jongeren van nu is Identiteitsbewijs verrassend goed aangekomen", vertelt Trojan. "Zij voelen zich eveneens klemgezet. Want wie echt iets wil, moet zich schikken en inlikken bij de omwentelingswinnaars, onder wie menig voormalige communist. Wat dat betreft is president Havel veel te soft geweest, denk ik."

Ond¿ej Trojans favoriete muziek is die van Frank Zappa en zijn Mothers of Invention gebleven. De band Plastic People had zich genoemd naar een Zappa-nummer uit 1967. "Zappa was razend enthousiast toen hij in janurari 1990, te gast bij de kersverse president Václav Havel op de Burcht, daar die anarchistische sfeer van zijn Amerikaanse jaren zeventig proefde." Havel en Zappa werden elkaars grootste fans.

Op het Wenceslasplein eindigen op 17 november diverse demonstraties. Het is de verjaardag van de Fluwelen Revolutie, maar die gaat dit jaar gepaard met demonstraties tegen de regering, de bezuinigingen en de corruptie. In de Tsjechische kwaliteitsmedia overheerst naast de berichtgeving over corruptie, de dood van Magor. het overlijden van 'de eerste officiële opponent tegen het communistische regime van na de Praagse Lente', wordt tot dé gebeurtenis van 2011 verklaard. Dat zal zijn vriend Václav Havel in december doorkruisen.

Zelfs de rechts-conservatieve regering noemde de georganiseerde criminaliteit, ook die bij de rechtbanken en de politie, in 2011 'onze grootste niet-militaire bedreiging'. En volgens een recente enquête meent tweederde van de Tsjechen dat het leven onder het communisme beter was dan nu. Een groepje jonge Wit-Russen slaat de demonstranten op het Wenceslasplein gade 'met gemengde gevoelens'. Zo verwoordt een van hen het, Aleksandr (niet zijn echte naam, red), een intellectueel met staartje en baardje. "Men roept dat de revolutie van 1989 is mislukt, en dat snap ik best. Maar het ophemelen van de communistische tijd is pijnlijk. Zeker voor ons, die de dictatuur juist zijn ontvlucht."

De Wit-Russische gemeenschap in Praag komt in geen statistiek voor. Ze bestaat uit vele duizenden mensen, schat het groepje, maar de omvang wisselt nogal. Pal na de laatste presidentsverkiezingen in Wit-Rusland, eind 2010, liet president Loekasjenko de oppositionele concurrenten met hun aanhang bijvoorbeeld zwaar vervolgen. Met hulp van minister van buitenlandse zaken Karel Schwarzenberg en de oude Chartisten onder 'zijn' diplomaten konden velen naar Tsjechië vluchten.

De Praagse Wit-Russen vormen de hedendaagse spiegel van Charta 77. Havel zelf heeft het ondergrondse theatercircuit in Wit-Rusland gesteund. Voor het groepje op het Wenceslasplein is Charta 77, dat twintig jaar geleden werd opgeheven, levend verleden. Aleksandr weet alles van Havels strijdmethoden, vanaf die allereerste petitie op 1 januari 1977. "Daarin werd Tsjecho-Slowakije gewezen op de Helsinki-akkoorden over mensenrechten en vrijheden, gebaseerd op de charta van de Verenigde Naties, die de staat zelf ondertekend had." Dat had de sovjetrepubliek Wit-Rusland trouwens eveneens gedaan, moppert hij.

Onderweg naar de Praagse keldeclub Blues Sklep vertelt Aleksandr in perfect Engels dat hij zelf al dertien jaar in Praag leeft. "Ik heb baantjes, geef illegale bladen uit voor het thuisfront, ben dichter - haha, ja, in de voetsporen van Václav Havel." Hij was twintig toen hij Wit-Rusland ontvluchtte. "Ik werd gechanteerd door de instanties. Ik had informant moeten worden. Mijn ouders moeten doen alsof ik het lelijke eendje van de familie ben. Maar in werkelijkheid hebben ze me juist gestimuleerd om te vertrekken."

De Blues Sklep is afgeladen met jonge Wit-Russen. Want Liavon Volski, Wits-Ruslands populairste rock- en folkzanger, is uit Minsk gekomen om voor 'zijn' Praagse gemeenschap op te treden. 'Thuis' kan Volski alleen maar ondergronds zingen. President Loekasjenko vindt zijn licht ironische teksten net zo gevaarlijk als de teksten van Magor hier toentertijd heetten. Radio Free Europe neemt het concert op voor de fans in Wit-Rusland.

De Plastic People of the Universe spelen ter herinnering aan de Fluwelen Revolutie deze novemberweek zelf - zij het in Pisek, een idyllisch vestingstadje in de Zuid-Boheemse heuvels. De band treedt erg onregelmatig op, ze zijn ook niet allen de fitsten meer. Daar in de vestingwallen zit de landelijk bekende Pi Local Club. De gezellige kelder is volgestroomd met jonge en oude 'máni¿ky' en vrouwelijke hippies, alsmede kekke korte koppen. In het restaurantje heeft de band oude foto's van zichzelf en van hun net overleden leider Magor opgehangen.

De Plastic People-toon wordt gezet door de witgemaande saxofonist en violist, die er al vanaf begin jaren zeventig bij zijn. Maar de jonge bassiste Eva Turnová steelt de show. Haar composities brengen iets vitaals op de bühne. In de pauze vertelt ze in het artiestenhok dat ze zich, als vrouw en jongere, wel heeft moeten invechten. "Maar nu, na tien jaar, ben ik one of the boys."

De bejaarde saxofonist draagt een nummer aan Magor op. Alleen de ouderen in het publiek weten nog waar de Plastic People rond 1977 voor stonden. Toch blijkt het undergroundgevoel van toen op dat van nu: sombere tonen met een zweem van rebellie. Bij de Zappa-toegift gaan jong en oud uit hun dak.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden