Geesink kent alleen zijn eigen waarheid

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Anton Geesink is een man met twee gezichten. Hij kan, zo toont zijn biografie, mensen voor zich innemen, maar ze ook keihard laten vallen.

Anton Geesink (1934) was in zijn jonge jaren altijd in voor een grap, en als hem dat zo uitkwam voor een rotstreek.

In de zomer van 1958 reist Geesink met de trein terug van de WK worstelen in Boedapest. De Nederlandse worstelaars kunnen in hun coupé liggen tot in Oostenrijk nóg een passagier instapt. „De vrouw, een oud vrouwtje eigenlijk, had een kerstboom bij zich en twee koffers. Goed, ze sukkelt een beetje in slaap en bij de volgende halte, nog steeds in Oostenrijk, doet die lange het raam open, zet kerstboom en koffers op het perron en roept: opoe, uitstappen, u bent gearriveerd! Slaapdronken maakt ze inderdaad plaats en verdwijnt in de nacht.”

De anekdote is van Loek Alflen, worstelaar en medereiziger, en staat niet op zichzelf. De biografie ’Een killer in kimono, Anton Geesink: van volksjongen tot VIP’ puilt uit van voorbeelden waarin Geesink ten koste van anderen het voor zichzelf zo comfortabel mogelijk maakt.

Oók ten koste van zijn ’vrienden’. In het boek komen talloze mensen aan het woord die zich ooit vriend waanden van de olympisch judokampioen, maar zich na een ’rotstreek’ van hem afkeren. Niet zelden gebeurt dat na een meningsverschil over geld waarmee Geesink hen belazert (zie box). Vaker komt hun mening niet overeen met die van hem, dan is het van zijn kant over en uit.

Een veelzeggende uitspraak: „Anton vindt dat iedereen recht heeft op een eigen mening, mits die niet afwijkt van de zijne.” Biograaf Kees Kooman trekt na het optekenen van oceanen aan kritiek deze conclusie: „De grote Anton heeft één waarheid en dat is de zijne.”

De woorden argwaan, drammen, wantrouwen en minderwaardigheidscomplex duiken met de regelmaat van de klok op. Geesink ziet achter elke boom vijanden (zo noemt hij ze letterlijk), dat was al bij zijn eerste judosuccessen.

Nuances zijn hem vreemd. Diplomatie zou welkom zijn geweest bij zijn zelf opgelegde status: het geweten van de Nederlandse sport.

Geesink klom op van metselaarsknecht tot lid van het IOC, maar zijn afkomst is hem blijven achtervolgen. Hij bleef de straatvechter uit de tijd waarin hij opgroeide in de Utrechtse achterstandswijk C, waar leven vechten was. Hij gold als ’onoverwinnelijke op de tatami’, en wilde dat ook buiten de mat blijven. Elke weerstand legde hij met een onovertroffen verbetenheid in een verwurging.

Leo de Vries werkte ruim dertig jaar samen met Geesink. Hij assisteerde hem bij judodemonstraties waarvoor de olympisch kampioen veel geld kreeg en De Vries nog geen cent reiskosten. Toen deze judokampioen vraagtekens plaatste bij het judoleerplan van Geesink, was het einde vriendschap. De Vries: „Hij is een man met twee gezichten. Hij kan ergens binnenkomen en je bent elkanders vriend op het eerste gezicht. Vergis je er niet in: hij kan ontzettend innemend zijn. Maar hij kan je ook ongelooflijk laten vallen.”

Geesink werd in 1964 olympisch judokampioen, doorbrak daarbij in Tokio de Japanse hegemonie en stelde daarmee de plaats van judo op het olympische programma veilig. Hij bleef vechter toen hij in de functie kroop die hij als sporter verachtte, die van official.

Ook in die hoedanigheid haalde hij als IOC-lid de top. Al maakt de biografie duidelijk wat een rariteitenkabinet dat comité is. En hoe onmogelijk het is daar als Nederlander zonder steun van Geesink binnen te komen.

’Een killer in kimono’ is niet geautoriseerd. Geesink verleende medewerking in de vorm van interviews, maar zag af van het recht het boek vooraf te mogen lezen. Geesink vroeg Kooman wel ’de kwaadwillenden’ uit het boek te houden.

Was de auteur daarop ingegaan, dan was er weinig van zijn werk overeind gebleven. Kooman geeft toe dat het een hele opgave is geweest een balans te vinden tussen goed en kwaad, „anders was het een zwartboek geworden.” De interviews met Geesink staan in aparte hoofdstukken zonder commentaar.

Bewondering is er voor de manier waarop Geesink op onorthodoxe wijze de weg naar olympisch goud vond, waarbij hij niets cadeau kreeg. Hij was als professioneel topsporter zijn tijd ver vooruit.

Wat in zijn verdere leven volgt, is de klaagzang over gebrek aan respect. Hij heeft zijn standbeeld en woont in de straat die naar hem is vernoemd. Van alle kanten kreeg hij de (financieel) helpende hand toegereikt. Toch riekt het uiteindelijk bijna overal naar stank voor dank.

Een verhaal apart is zijn verhouding met het Nederlands Olympisch Comité die vanaf het moment van zijn verrassende binnenkomst als IOC-lid (in 1987) er een van oorlog is. Dat ligt niet alleen aan Geesink, al heeft hij niets gedaan om die te verbeteren. Integendeel, hij schept er genoegen in de relatie beladen te houden.

Hij noemde NOC-NSF een illegale organisatie, terwijl het IOC het Nederlandse filiaal beschouwt als een van de best functionerende. Als toenmalig voorzitter Hans Blankert terugschiet, is arme Anton verontwaardigd. Hij loopt, tevergeefs, naar de rechter.

Zo ontstaat het beeld van een verongelijkte oude reus (maandag wordt hij 75) die na zijn strijd tegen windmolens alleen staat. De biografie verduidelijkt hoe hypocriet zijn moralistische preken voor de olympische idealen zijn geweest.

Oud NOC-lid Jan Loorbach: „Het moest uiteindelijk wel vooral om Anton Geesink gaan. Hij heeft obsessies of fascinaties hoe de wereld er volgens hem moet uitzien en daarbij het onvermogen om anderen iets te gunnen, of krediet te geven.”

Zijn zoon Anton vindt het vreemd dat zijn vader niet wil inzien dat veel mensen anders denken en reageren dan hij doet. Zijn dochter Wil noemt hem stronteigenwijs. En het IOC-lid zelf: „Ik denk dat er een groot verschil is tussen wie ik ben en wat anderen ervan maken.”

Geesink ontmaskert zichzelf in het laatste hoofdstuk. Daarin zegt hij niet voor het eerst „Dat er niemand is die zo goed functioneert als ik. Durf je tekortkomingen te tonen!” Die tekortkomingen zag hij vooral bij Vonhoff, Idenburg, Huibregtsen en Blankert, louter omdat zij voorzitters van NOC-NSF waren.

Het laatste woord aan Anton: „Mijn leven is uitgemond in een zegetocht. Dat meen ik. Je begrijpt toch wel dat het een feest is geweest om mensen als Vonhoff, Huibregtsen, Blankert en Terpstra, ja ook zij, het nakijken te geven. Terwijl zij konden beschikken over een enorme achterban, en ik het vooral alleen heb moeten doen. Niemand kon mij daarbij helpen. Heb niemand dankjewel hoeven te zeggen! En ik heb me er nauwelijks voor in hoeven zetten.”

Anton Geesink in zijn sportschool. Hij bleef zijn leven lang een straatvechter die was opgegroeid in de Utrechtse volkswijk C. (FOTO MARCO HOFSTÿ) Beeld
Anton Geesink in zijn sportschool. Hij bleef zijn leven lang een straatvechter die was opgegroeid in de Utrechtse volkswijk C. (FOTO MARCO HOFSTÿ)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden