Geert Kimpen

Geert Kimpen: 'Niks is toeval, alles heeft betekenis. Maar het is wel de betekenis die je er aan toekent.' (FOTO MARK KOHN) Beeld
Geert Kimpen: 'Niks is toeval, alles heeft betekenis. Maar het is wel de betekenis die je er aan toekent.' (FOTO MARK KOHN)

Geert Kimpen (Antwerpen, 1965) is schrijver en theaterregisseur. Hij schrijft sinds 1993 in Nederland en Vlaanderen voor toneel, cabaret en televisie. Zijn eerste roman ’De Kabbalist’ verscheen in 2006 en werd in vijftien landen verkocht.

„Zo erg als in mijn vaders tijd – met donderpreken over hel en vagevuur – was het niet, maar ik herinner me wel verhalen over zondig zijn en vlekjes op je ziel verzamelen; een soort kanker waar je uiteindelijk aan ten onder zou gaan. Tegelijkertijd was er de mooie kant van het katholicisme: het theater in de kerk, de vakanties die ik van mijn zesde tot mijn dertiende bij tante nonneke heb doorgebracht.

Iedere familie in Vlaanderen had zijn eigen tante nonneke. Die van mij zat in een klooster in Herent, bij Leuven. Een prachtig, oud gebouw met een grote tuin er omheen. Het was ook spannend om bij tante nonneke te logeren. Ze hield ervan de kloosterregels te overtreden. We trokken er regelmatig samen op uit om appels te pikken uit de boomgaard. Dan klom ik in de boom en stond tante nonneke op wacht. ’s Avonds, als iedereen sliep, slopen wij door de gang naar de keuken om een appelcake te bakken.

Er woonden ook ouden van dagen die door de nonnekes werden verzorgd. In al die kamers was ik een prinsje. Ik droeg er mijn gedichtjes voor, ik kreeg applaus en snoep. Ik was het enige kind en ik kreeg al de aandacht die ik thuis, als nakomertje van twee hardwerkende boekhandelaren, tekort kwam.

Ik koester mijn herinneringen aan die weken in het klooster. Het was een warm bad, een soort paradijs, een plek die ik later in mijn leven steeds heb geprobeerd terug te vinden.”

„God is het leven zelf: de scheppende, intelligente kracht van waaruit alles wat er is zichzelf ontwikkelt en voortplant. Ik zou wel gek zijn om zoiets te vervloeken.”

„Voor ons is de joodse sabbatviering de hoeksteen in het gezinsleven. Dankbaarheid, overvloed, kinderen, liefde: alles waar een mens mee worstelen kan, komt op zo’n avond voorbij. Als een jood mij vraagt wat ik, als voormalig katholiek, met zijn gebruiken doe, kaats ik de bal terug: hoe komt het dat jullie zo’n prachtig ritueel niet met iedereen willen delen?

Eerst was het een bijeenkomst voor onszelf – voor Christine, voor onze dochter Zonneke en voor mij – maar de sabbat is ook de dag waarop je je huis moet openstellen voor anderen en op den duur nodigden we vrienden uit om het feest met ons mee te vieren. Na een tijdje zijn we af en toe openbare sabbatavonden, in hotels en zalen, gaan organiseren. Daar komen de mensen die ervoor hebben ingetekend. Ja, tegen betaling, maar we verdienen er niets aan. Ik wil anderen de kans geven iets moois te leren kennen. De gasten zitten aan tafels, Christine en ik leggen uit wat zoal de rituelen zijn en daarna gaan ze er zelf mee aan de slag. Het is ontroerend om mee te maken: er worden levensverhalen uitgewisseld, er ontstaan vriendschappen, nieuwe liefdes. Wat ik daar doe ligt in het verlengde van mijn schrijverij; het is dezelfde intentie. De dingen die ik ontdek wil ik delen in mijn boeken, maar een beschrijving van de sabbat – hoe mooi ook – haalt het niet bij de ervaring om zoiets in werkelijkheid mee te maken.”

„’Zo komt het dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij volkomen één worden’, staat in Genesis. Je moet op een bepaald moment de deur achter je dicht doen. Letterlijk deed ik het rond mijn twintigste, toen ik het huis uitging, maar ik was al een tijdje theaterregisseur in Amsterdam toen ik het ook met mijn gevoel durfde te doen.

Mijn ouders kwamen, zeker in het begin, naar iedere première van mijn voorstellingen. Ze hadden de gewoonte om stoelen op de eerste rij te reserveren. Ze kwamen met bezorgdheid, met de angst dat het weer een mislukking zou zijn, in plaats van met verwachting in succes te kunnen delen. De humor ontging hen helemaal en vaak konden ze teksten letterlijk niet verstaan. De hele zaal kon dubbel liggen van het lachen, maar mijn ouders zaten er als één klomp negatieve energie bij. Het werd zelfs zo erg dat mijn acteurs er last van kregen. Nee, ik heb het niet gezegd. Ik ben Vlaming hè, ik ben niet zo direct. Ik nodigde hen gewoon niet meer uit, ik vertelde nog nauwelijks iets over de dingen waar ik mee bezig was en langzaam maar zeker begrepen ze, denk ik, wel dat ze niet langer welkom waren.

Ik gaf me steeds minder bloot. Ik wilde me beschermen tegen de kritiek, tegen de afkeuring, tegen het niet begrepen worden. We zien elkaar nu alleen nog tijdens de feestdagen. De laatste keer dat we bij hen op bezoek waren, zei mijn moeder: ’Zou je dat nou wel blijven doen, jongen, al dat geld in die buitenlandse vertalingen steken?’. Ze dacht werkelijk dat ik dat allemaal zelf deed, misschien geloofde ze zelfs dat ik die vertalingen in een koffertje stopte om ze in het buitenland aan de man te brengen. Alsof ze niet kan geloven dat buitenlandse uitgevers betalen om mijn boeken te mogen uitgeven. Ze leest mijn boeken niet. ’Te moeilijk’, zegt ze. Terwijl ze wel erg veel leest en ik mijn boeken zo toegankelijk mogelijk schrijf. Mijn vader schrijft nog wel een aardig briefje als er iets van mij wordt uitgegeven, maar zo’n reactie wordt onmiddellijk gearchiveerd. Het dringt niet meer door. Daarvoor is mijn wantrouwen te groot.

Ik kan het eigenlijk niet zo goed begrijpen. Ik ben opgegroeid in een boekwinkel – met glas-in-loodramen en een rinkelende deurbel – in de Antwerpse kunstenaarswijk Zurenborg. Mijn vader was een centrale figuur in de buurt. Hij verafgoodde schrijvers en kunstenaars. Je zou denken dat hij apetrots zou zijn toen zijn zoon ook die kant op ging, maar hij had alleen oog voor de mislukkingen – die waren er zeker, dat zal ik niet ontkennen – en de goede dingen werden gebagatelliseerd. Misschien is het zijn eigen faalangst, ik weet het niet. Hij kan nog steeds erg enthousiast zijn over allerlei andere schrijvers. Mijn ouders gaan samen ook vaak naar het theater en dan vertellen ze hoe enorm ze ervan hebben genoten, terwijl ze na mijn voorstellingen altijd keken alsof ze een begrafenis hadden bijgewoond.

Ik ben op een aantal punten een betere ouder, maar ik realiseer me tegelijkertijd dat de geschiedenis zich altijd kan herhalen. Ik probeer me in ieder geval te richten op de kwaliteiten van mijn dochter. Ze is pas zeven, nog heel jong, maar ik wil haar een onvoorwaardelijk vertrouwen meegeven: als je later kapster wil worden, word dan de leukste kapster die in je zit. Blink uit, geniet ervan, word de beste versie van jezelf.

Mijn dochter staat veel centraler in mijn leven dan ik ooit in het leven van mijn ouders heb gestaan. Ik was een nakomertje. Ik scharrelde daar een beetje rond. Iets wat af en toe gevoed moest worden en zo nu en dan een beetje aandacht nodig had. Dat is waarschijnlijk het grootste verschil: Zonneke is een geschenk. Ik was een ongelukje.”

„Als puber heb ik wel eens met zelfmoordgedachten bovenop een dak van de Antwerpse stadsschouwburg gestaan, later werden het halfslachtige pogingen en ten slotte, in 1996, was ik ervan overtuigd dat ik een einde aan mijn leven zou gaan maken. Ik had minstens vier jaar in een depressie gezeten en ik zou er één keer vanaf zijn. Ik was alleen, in een totaal isolement. Het was uit met mijn grote liefde. Ik kende geen hond in Amsterdam, niemand kwam langs. Als ik thuiskwam, hoopte ik het lichtje van mijn antwoordapparaat te zien knipperen, maar áls er een bericht was achtergelaten kwam het van mijn moeder en dat was de laatste op wie ik zat te wachten. Er was niemand, er was niets. Alleen maar zwartgalligheid.

Ik had een boekje van de Vereniging van Nederlandse suïcidalen. Nu zeg ik dat het eigenlijk verboden zou moeten worden – je moet zoiets niet verstrekken aan mensen die depressief zijn – maar in die jaren was het mijn lievelingsboekje. Ik zou, volgens de instructies, een plastic zak over mijn hoofd gaan trekken, maar om mezelf enigszins te verdoven besloot ik eerst nog een jointje te roken. Tijdens het blowen kreeg ik een visioen: ik zag een grote transistorradio, met zo’n naald die trillend naar de allerdonkerste zender wees. Ik begon uit alle macht aan de knop te draaien en merkte ineens dat het me lukte die vastgeroeste knop in beweging te krijgen; de naald bewoog langzaam maar zeker naar de lichte kant. Het is misschien een banaal inzicht, maar ik begreep dat mijn gedachten de kracht hadden zelf te kiezen voor depressie of voor vertrouwen in het leven.

Een maand later kwam ik Christine tegen en alles werd anders.”

„Tante nonneke is de eerste vrouw met wie ik heb geslapen. Ze had een kleine cel, het was vanzelfsprekend dat ik bij haar in bed zou liggen. Ze hield me altijd stevig vast. Het was de koestering van een tante die haar neefje heel graag zag, maar het was waarschijnlijk ook het verlangen van haar om een warm lijf tegen zich aan te voelen. Het was warm, teder, veilig. Ik voelde me zeker niet opgewonden.

Ik had geen idee. Op school, met alleen maar jongens, waren meisjes een soort godinnen. Ze waren zoveel meer dan wij, verderfelijke wezens. Elke seksuele gedachte was vies. Masturberen was al helemaal niet aan de orde. De vrouw, dat was de heilige maagd Maria. Het was ondenkbaar dat je je zou aftrekken met haar in gedachten. Het heeft jaren geduurd voordat ik vrouwen als echte mensen heb leren zien.

Tante nonneke werd op een ochtend naast haar bed gevonden. Ze had een hersenbloeding gehad. In haar laatste jaren kreeg ze allerlei seksuele visioenen. Soms waren ze mooi, vaak waren ze angstig. Dan veranderde het gordijn in haar kamer in een speer die haar vagina doorboorde.

Ik werkte in die tijd samen met een dromenanalist voor de BRT aan een programma over dromen. Het leek me wel een idee om haar in contact te brengen met tante nonneke, maar de dromenanalist schrok zo van de perversiteit van tante nonneke’s dromen dat ze ervan afzag om haar in de serie op te nemen.

Tegen het eind van haar leven bezocht ik tante nonneke in het ziekenhuis. Ze was al ver weg, maar ik geloof dat ze me nog herkende. Plotseling pakte ze mijn hand en bracht die, bibberend, onder de lakens door naar haar vrouwelijkheid. Ik keek in haar ogen. Het was niet de blik van tante nonneke, het was de blik van een vrouw die er naar verlangde voor één keer in haar leven op die plek te worden aangeraakt. Ik heb het natuurlijk niet gedaan. Het was een ontroerend moment – we hebben zo intens veel van elkaar gehouden – maar ik was me er tegelijkertijd van bewust hoe tragisch het moest zijn geweest om een leven in kuisheid te leiden.”

„Zie je het schilderij van de kruisafneming van Jezus, daar aan de wand? Het stond ooit, tussen preekstoelen, kandelaren en andere dingen die nu een fortuin opleveren in antiekwinkels, te verstoffen op de enorme zolder van het klooster. Het waren de erfenissen van de oudjes die in het klooster werden verzorgd. De hele familie was gek op dat ene schilderij. Op een dag, toen mijn ouders me kwamen ophalen, hebben tante nonneke en ik het doek van zolder gestolen. De auto stond met ronkende motor te wachten zodat we de nonnekes die ons gewoonlijk kwamen uitzwaaien voor konden zijn en er onmiddellijk vandoor konden gaan. Nee, ik voel me helemaal niet schuldig. Mocht hier ooit brand uitbreken dan zal ik eerst Christine en Zonneke redden en daarna het schilderij. De schoonheid van mijn jeugd, alles wat me uit die jaren dierbaar is, zit in dat ene doek.”

„Er is één waarheid, maar ze wordt in verschillende talen gesproken. De taal van de kabbala spreekt mij het meest aan, maar ik vind het prima als iemand voor de Gereformeerde leer, het boeddhisme of een natuurreligie kiest. Als je alles afpelt, dan zie je dat iedereen tot dezelfde basisinzichten komt. Dit is, in de woorden van een wijze rabbi, het grootste inzicht: ’Heb uw naaste lief als uzelf. De rest is commentaar’.”

„Christine en ik zijn voor elkaar bestemd. Daar ben ik heilig van overtuigd. Andere relaties in mijn leven zijn ook cruciaal geweest, maar om andere redenen. Achteraf bezien kun je zeggen dat het tussenstappen waren die mij steeds dichter bij haar, mijn werkelijke wederhelft, mijn zielsverwant, hebben gebracht. Pas toen ik haar ontmoette kon mijn leven echt van start gaan. Ze heeft me leren kennen toen ik nog een loser was, maar ze geloofde in mij en ze is dat altijd blijven doen. We hebben hoogten en dieptes meegemaakt. We hebben samen een dochter gekregen. Ons verleden wordt steeds rijker. Het zal niet in me opkomen om haar te bedriegen. Ik kom tijdens lezingen honderden prachtige vrouwen tegen, ze kijken vaak tegen me op, maar ik ben er niet gevoelig voor. Soms denk ik: is het niet abnormaal dat ik die gedachten niet heb? Een zaal vol mooie vrouwen die allemaal willen dat je je boek voor hen signeert: als twintigjarige zou ik er een moord voor hebben gedaan.”

„Mijn ambitie is groot. Ik ben in het boekenvak gestapt met het idee er mijn beroep van te maken, ik zag het niet als iets leuks wat ik er een beetje bij zou gaan doen. Wat ik ontdek wil ik niet alleen hier thuis vertellen, ik wil het liefst zoveel mogelijk mensen bereiken. Niet uit ijdelheid, zo van: zie mij dit eens doen, nee, eerder uit economische noodzaak. Zo lang ik boeken blijf verkopen, kan ik doorgaan met mijn onderzoek.

Ik zit in een lastig segment. Ik word door de serieuze pers niet tegengewerkt, ik word eerder genegeerd. Dat is soms moeilijk te verkroppen. Er zijn mensen die nauwelijks iets te melden hebben en tóch steeds opnieuw bij Matthijs van Nieuwkerk of bij ’Pauw & Witteman’ mogen aanschuiven. Ik hoef niet per se door een talkshowredactie te worden uitgenodigd, maar ik ben ook geen zweefteef die in programma’s als ’Het Zesde Zintuig’ thuishoort. Ik denk serieus na over spiritualiteit, mijn gedachtegoed wordt eigenlijk op geen enkele zender vertegenwoordigd.

Maar het komt goed. Ik ben in tune met mijn bestemming. Soms, als ik voor een zaal met mensen sta, is het net alsof ik weer in de refter van het klooster ben waar de nonnekes geduldig naar mijn verhaaltje luisteren en dan luid applaudisseren. Ik kreeg het applaus ook in het theater, maar toen mijn dochter werd geboren – en ik in haar wijze ogen keek – zag ik dat het flauwekul was wat ik deed. Moest ik zo tot mijn zestigste doorgaan? Het werd een scharnierpunt, ik ben een andere kant opgegaan en nu ben ik iedere dag bezig met wat ik het liefste doe.

Het begint natuurlijk bij jezelf, maar als je eenmaal een keuze hebt gemaakt, gaan er dingen samenvallen. Niks is toeval, alles heeft betekenis. Maar het is wel de betekenis die je er aan toekent. Neem dit gesprek. Voor mij was het een toets: waar ben ik mee bezig, klopt het nog, of is het allemaal los zand? Ik heb gekozen voor een werkelijk contact, voor de mogelijkheid mijn leven te verrijken of voor: leuk, interview voor Trouw, even een paar uurtjes kletsen en dan weer over tot de orde van de dag. Als je mensen serieus neemt en er vanuit gaat dat het goddelijke in heel het leven zit, dan is iedere mens die je ontmoet een stuk van God. Daar wil ik naar leven. Ik probeer iedere ontmoeting als een ontmoeting met God te zien.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden