Geen sprookjes, wel libellen aan het Elfenmeer

Een weide van waterleliebladen met hier en daar een witte bloem strekt zich uit tot de verre, met sporkehout en berken begroeide oever. Ligt het aan die waterlelies dat dit ven het Elfenmeer wordt genoemd? Feit is dat dichters de witte waterlelie nogal eens met watergeesten in verband brengen.

Het Elfenmeer is het beroemdste watertje in het nationale park De Meinweg ten oosten van Roermond aan de Duitse grens, waar zelfs de camping twee kilometer verderop naar genoemd is. Je moet er geweest zijn als je de Meinweg hebt bezocht. Maar in de vroege morgen, als nog maar weinig vakantiegangers op pad zijn, heerst er een serene rust. Het kwaken af en toe van een paar poelkikkers in het ven en de roep van een grote bonte specht in een van de alleenstaande dennen onderstreept de stilte.

De vele platgetreden plekken aan het meer doen verwachten dat er niet veel bijzonders meer te vinden is, maar dat valt mee. Waar niet gelopen wordt, omdat de grond te drassig is, groeit lichtgroen zompig veenmos, waarop de rozetjes zich uitspreiden van ronde zonnedauw, dat met zijn lepelblaadjes vol tentakels insecten vangt. Aan elk vuurrood tentakeltje fonkelt een heldere druppel kleefstof, die in een eiwit oplossende vloeistof verandert, zodra het plantje een vlieg, vlindertje of waterjuffer gelijmd heeft.

Waar de zonnedauw groeit, staat de zeldzame witte snavelbies, een plant waaraan weinig te zien valt, maar voor botanici een zeker teken dat er meer bijzonders leeft. Op de natte oever groeit wateraardbei met harde donkerrode vruchten, die je niet kunt eten, tussen sierlijk diep gespleten blad, van boven donkergroen, van onderen blauwgroen viltig behaard. Tussen de horsten van het pijpenstrootje, een bleekgroen gras met lange halmen, zeer geschikt om een verstopte pijp door te steken, kruipen de dunne stengels met driehoekige blaadjes van de kleine veenbes.

VERDROGING DREIGT

Mooi en soms zeldzaam, al die hoogveenplanten. Toch hebben we het idee dat deze plek vroeger rijker geweest moet zijn. Heide- en veenterreinen vergrassen door zure neerslag en alleen door regelmatig plaggen om de verdroogde en vervilte bovenlaag te verwijderen krijgen planten van de vochtige heide genoeg overlevingskansen. Minstens even erg is de wateronttrekking door de grootschalige winning van bruinkool in aangrenzend Duitsland. Om iets tegen de verdroging te doen zijn afvoerende slootjes in het gebied gedempt, maar of dat op de lange duur helpt, is zeer de vraag.

Gelukkig strekt het natuurgebied, waar de Meinweg deel van uitmaakt, zich uit tot ver over de grens, wat mede de oorzaak is van de in ons land ongekende rijkdom aan flora en fauna. Wie belang stelt in reptielen en amfibieën, vindt hier de meeste soorten bijeen. Maar liefst elf van de zestien in Nederland levende amfibieën komen in de Meinweg voor, waaronder de knoflookpad en de zeldzame alpen-, vinpoot- en kamsalamander.

Tussen de waterleliebladeren door zien we op de bodem van het meer velden van donkergroene kranswieren, die het net als de amfibieën van helder water moeten hebben. Er drijft een stuk brood bij een plek waar blijkbaar gepicknickt is. Een waterroofkever is ermee bezig. Hij lijkt ervan te eten. Zijn lijf heeft een opvallende eivorm. Zou het de zeldzame Cybister zijn, de breedgeelgerande waterroofkever? Een half uur lang kijken we toe, want hij toont alleen zijn beigegele buik. Eindelijk draait hij zich om en zien we de kenmerkende rugzijde: glanzend donkergroen met een brede doorlopende gele band van kop tot achtereind. Bij de gewone geelgerande waterroofkever is het halsschild aan alle vier zijden geel gerand.

Sommige keverkenners noemen de breedgeelgerande waterroofkever nog vraatzuchtiger dan de gewone geelrand, maar ik heb het vermoeden dat hij vooral dode dieren en misschien ook plantenresten eet.

Uitgelezen picknickplaatsen zijn een paar zomereiken, waarvan de neerwaarts gebogen takken de grond bijna raken. Er groeien aardappelbovisten, knollige beschubde zwammen, die soms bedrieglijk op aardappels lijken.

ADDER BEELDMERK

Achter een berkenbos zonder paden is een pijpenstrootjesveld op de andere oever. Er groeit gagel, een struikje met grijsgroen gezaagd blad dat naar nootmuskaat ruikt. Je blote benen zien snel zwart van de zwartblauwe helmknoppen van het gras. Achteraf gezien is het wel gevaarlijk zo tussen de pijpenstrootjeshorsten door te lopen, want hier zitten adders. Het nationale park is er zelfs zo beroemd om dat de zeldzame gifslang als beeldmerk is gekozen.

We kijken uit naar het bijna uitgestorven veenhooibeestje dat op natte heidevelden met vennetjes en veentjes in de Meinweg moet voorkomen, maar de laatste tien jaar niet meer is waargenomen. Natuurlijk zien we het niet. Wel honderden libellen. Daarvan komen in de Meinweg achtendertig soorten voor, waarmee het een van de libellenrijkste gebieden van ons land is. Zeldzaamheden als de venwitsnuitlibel, de hoogveenglanslibel en de maanwaterjuffer kom je niet zomaar tegen, want sommige zijn maar een enkele keer in het gebied aangetroffen. Het gewoonst blijken de pantserjuffers, metalig bronsgroen glanzende waterjuffertjes, de vrouwtjes met roodgroene, de mannetjes met blauwe ogen. Het is hun paartijd nu en veel stelletjes vliegen gekoppeld rond, waarbij het mannetje het vrouwtje met zijn achterlijftangen achter de kop vasthoudt. Andere paren zitten op gageltakjes en grashalmen en vormen een paringsrad: het vrouwtje houdt de punt van haar achterlijf tegen de achterlijfbasis van het mannetje gedrukt, waar een zaadreservoir zit voor de bevruchting van het vrouwtje. Tandems vliegen ook rond van de tengerder gebouwde koraaljuffer, met rood achterlijf en zwart borststuk. Van de vele soorten blauwe waterjuffers is de watersnuffel meer aan zijn gedrag dan aan zijn uiterlijk te herkennen, want hij heet zo omdat hij laag boven de waterspiegel heen en weer vliegt.

HEIDELIBELLEN

Veel robuuster zijn de grote libellen, die na elke vlucht met duidelijk ritselend geluid neerstrijken op steeds dezelfde plek, die als uitkijkpost dient. De mannetjes van de bloedrode heidelibel zijn onwaarschijnlijk dieprood gekleurd, maar de geelbruine vrouwtjes verschillen alleen door hun zwarte poten duidelijk van andere heidelibellenvrouwtjes, zoals die van de bruinrode heidelibel. Pikzwart is het mannetje van de zwarte heidelibel, die we gekoppeld aan een geelbruin vrouwtje op een russenstengel in de plas aantreffen.

Het is warm en het wordt druk aan het Elfenmeer. Een boompieper zingt boven in een vliegdennetje. Ergens in het bos net over de grens pieuwt langdurig een wespendief en roept mauwend een buizerd. Voor vogels moet je hier nu niet zijn. Daarvoor is 's zomers alleen de vroege morgen geschikt.

Het Elfenmeer in het nationale park De Meinweg, geplaveid met de ronde bladeren van waterlelies.

Natuur deze week

Sinds de vorige herfst rustten de pijlstaartvlinders in een glanzend bruine pop in de grond. In juli komen ze te voorschijn om te paren en eieren te leggen. Parende populierpijlstaarten zijn vaak overdag op muren of boomstammen aan te treffen. Ze vallen weinig op omdat ze door vorm en kleur lijken op een toef dor blad. - De okergele penseelkever met zwarte dwarsbanden op zijn dekschilden is harig en lijkt op een hommel. Hij bezoekt de nu volop bloeiende distels en schermbloemen. Echt zeldzaam is de penseelkever niet, maar je moet hem zoeken in bosrijke streken op de hoge gronden. In het westen is hij bijzonder, en toch zagen Caroline Molenaar en Bram Couperus het dier onlangs in hun tuin tussen Leiden en Warmond, op vingerhoedskruid. - De struikhei komt in prachtig paarse bloei. De nectarrijke bloemen worden druk bevlogen door honingbijen; heidehoning is beroemd. De heide is ook in trek bij tal van andere insecten: zweefvliegen, wespen, kevers en vlinders, onder andere dagpauwoog, kleine vos, landkaartje en gehakkelde aurelia. - Behalve de genoemde dagvlinders vliegen nu ook dikkopjes, bruine zandoogjes, boomblauwtjes, witjes en citroenvlinders. - Geel met zwart geringde zebrarupsen van de sintjakobsvlinder vreten het duinkruiskruid kaal. Ze eten niet alleen het blad, ook de gele bloemhoofdjes. In hun lichaam slaan ze de giftige stoffen van het kruiskruid op, waardoor ze oneetbaar worden voor rupseneters. - De gierzwaluwen hebben hun jongen grootgebracht. Ze verzamelen zich nu in grote troepen boven bepaalde stadswijken. Binnen een week zullen ze vertrokken zijn naar Afrika. - Veel zangvogels zingen nog druk, vooral in de vroege morgen, in de avond en als het regent. Zwartkop, tjiftjaf, fitis, vink, zanglijster en merel zingen 's zomers vooral 's ochtends. De veldleeuwerik laat zich ook overdag nog horen, evenals winterkoning, rietgors, geelgors, kleine karekiet en rietzanger.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden