Geen principes

Aan ¿De drie generaties¿ werkte Charley Toorop jarenlang. (FOTO MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN)

Een tentoonstelling over het leven en het werk van Charley Toorop kegelt meerdere vooronderstellingen over de schilderes omver.

Twee metershoge prints van zelfportretten van Charley Toorop vormen de entree tot de tentoonstelling over deze kunstenares in het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen. Met de voor haar zo karakteristieke doorborende blik begroet Toorop de bezoekers. Het ene zelfportret dateert uit 1928, ze was toen 37 jaar. Op het andere uit 1946 is ze zichtbaar ouder, maar de blik is onveranderd dwingend en ongenaakbaar.

Dominant, eigengereid, rechtlijnig en onconventioneel. Zo stond Charley Toorop al bij leven bekend en zo wordt ze in alle verhalen opgevoerd. Tentoonstellingsmaker Marja Bosma: „Ze doet in bepaalde opzichten wel een beetje denken aan iemand als Rita Verdonk. Maar Charley was wel een stuk complexer, en ook intelligenter, schat ik in.”

Twee jaar lang groef Bosma zich in in het leven en werk van Charley Toorop (1891-1955), één van de krachtigste personen in de Nederlandse schilderkunst van de twintigste eeuw. Om vervolgens, nogal verrassend bij zo’n sterke persoonlijkheid, haar te typeren met het motto ’vooral geen principes’. „Je verwacht juist bij haar een hele principiële opstelling, maar ze wilde zich niet spiegelen aan allerlei kunsttheoretische opvattingen maar zelf het allerhoogste zien te bereiken.” Zo omschreef Toorop het ook zelf in 1930 in een brief aan de kunstenaar Paul Citroen, die bezig was met een boek over hedendaagse Nederlandse schilderkunst en haar om een statement vroeg over haar opvattingen over de schilderkunst. Kort en krachtig reageerde ze: „Vooral geen principes – werken – en onze eigen opvattingen verzuiveren.”

En zo zijn er wel meer vooronderstellingen over Charley Toorop die omver gekegeld worden op deze tentoonstelling. Bijvoorbeeld dat haar werk toch vooral uit ’koppen en ogen’ of wel (zelf)portretten bestaat. In Boijmans hangen ook minder bekende schilderijen waaronder stillevens en zee- en havengezichten. Ook over haar persoonlijke leven doen allerlei verhalen de ronde, vooral over haar beroemde minnaars.

Bosma vertelt in het boek dat bij de tentoonstelling verscheen, een genuanceerder verhaal, waarbij je soms mededogen voelt met deze kunstenares, die letterlijk moest vluchten voor haar drankzuchtige en paranoïde man en eigenlijk haar hele leven een strijd voerde tussen ’vrijen en werken’. Maar op andere momenten krijg je de neiging haar eens flink door elkaar te rammelen, bijvoorbeeld als Bosma beschrijft hoe weinig ze zich bekommerde om haar drie kinderen en hoe egoïstisch ze kon zijn. Wat een verwend nest, denk je, als je leest hoe haar vader, de kunstenaar Jan Toorop, zijn enige kind op alle mogelijke manieren hielp: met geld, met huisvesting en connecties. Maar ondertussen liep ze wel te koketteren met haar onafhankelijkheid en ging ze tekeer tegen ’steun’ aan kunstenaars. Anderzijds roept ze ook weer bewondering op omdat ze altijd haar eigen weg koos en het zich daarbij nooit gemakkelijk maakte. Altijd streefde ze naar het allerhoogste.

Bosma: „Al tijdens haar leven was een bepaald beeld over haar ontstaan en na haar dood kregen de anekdotes over haar levenswijze en minnaars een haast mythisch karakter. Dat beeld van een eigengereide en dwingende persoonlijkheid, een onnavolgbare en ondoorgrondelijke godin, wilde ik links laten liggen.” Door zich te concentreren op haar schilderkunst heeft ze gekeken hoe Toorop zich ’door de tijd bewoog’.

De tentoonstelling laat – met uitzondering van de eerste zaal met de toppers uit haar oeuvre – ook heel mooi in chronologische volgorde zien hoe ze zich als kunstenaar ontwikkelde. Een opleiding volgde ze niet, ingegeven door haar vader die niets had met academisch onderwijs, omdat dat maar zou leiden tot gelikte en brave kunst. Van de heersende stijlen en stromingen pikte ze mee wat ze kon gebruiken in haar schilderijen, waarin ze altijd vasthield aan de realiteit, maar daarin wel ’bezieling’ probeerde te leggen.

Met een vader die gezien werd als één van de belangrijkste kunstenaars van zijn tijd, had ze gemakkelijk toegang tot de kunstwereld. Gerrit Rietveld, J. J. P. Oud, Bart van der Leck, John Rüdecker, Carel Willink, Piet Mondriaan, Paul Citroen, Joris Ivens, Pyke Koch, Adriaan Roland Holst en Hendrik Marsman behoorden tot haar netwerk.

Na haar huwelijk met de filosoof Henk Fernhout, die ze na vijf jaar verliet en met wie ze drie kinderen kreeg, had ze relaties met de dichters Marsman en Roland Holst, de schilder Pyke Koch, de musicus Mesens en de anarchist Arthur Müller-Lehning, oprichter van het blad i10. Maar de minnaars moesten altijd weer wijken voor haar werk. Dat realiseerde ze zich zelf ook, getuige de brief die ze schreef aan Marsman met wie ze in de zomer van 1924 een affaire had. „Het is altijd weer dat: strijd tusschen vrijen en werken. Samen gaat haast niet – bij mij tenminste; strijd tusschen vrouw zijn en scheppende werken.”

Maar de keuze voor het werken had wel resultaat: tussen 1917 en 1927 maakte haar kunst een grote ontwikkeling door. Ze werkte in Amsterdam, Schoorl, Parijs en Rotterdam. Als ze geld te kort kwam, sprong haar vader bij. Hij liet zelfs een huis voor haar bouwen in Bergen, waar ze onder invloed stond van de Bergense kunstschool, wat duidelijk af te lezen is aan haar schilderijen uit die tijd: zware contouren en donkere, gloeiende aardetinten.

Ook het half jaar dat ze in Parijs doorbracht – met haar twee zoons en een huishoudster, haar dochter van vier liet ze achter bij haar ouders – heeft een belangrijk stempel op haar werk gedrukt, met name haar portretten. Daarin probeerde ze dezelfde mysterieuze kracht en ondoorgrondelijkheid te leggen als ze in het Musée Guimet had gezien in de Fayoumportretten uit de periode dat Egypte deel uitmaakte van het Romeinse rijk. De magische kracht die uitgaat van deze naturalistische dodenportretten met hun donkere, star starende ogen, bracht bij haar een schok teweeg. Voortaan schilderde ze haar portretten voornamelijk frontaal en probeerde ze altijd iets mysterieus te leggen in de gezichten. Het intieme zelfportret met haar zoon Edgar (1921) is daar een eerste proeve van.

In Parijs tekende ze ook veel op straat en in kroegen. Toen ze in een galerie het werk van Picasso zag, viel haar op hoe donker haar eigen doeken waren. Ze nam zich voor om als ze thuis was, weer hard te gaan studeren en van onder aan weer te beginnen: ’heel eenvoudig bloemen, handen en menschengezichten bestudeeren en goed leeren schilderen en teekenen’.

Die wilskracht en vitaliteit om zich telkens weer te verbeteren zijn tekenend voor Toorop. Uiteraard pikte ze van andere kunstenaars het een en ander op, maar ze was altijd bezig om haar eigen taal uit te vinden. Die werd in de loop van de jaren twintig zakelijker en confronterender, in de crisisjaren op het militante af.

In de oorlog moest ze haar huis uit en verbleef ze onder meer bij boeren in Noord-Holland. Op de expositie hangen twee schilderijen die refereren aan de tragiek en absurditeit van de oorlog: van een circusclown die bij het bombardement op Rotterdam alles was kwijtgeraakt en van een arbeidersvrouw met ruïnes op de achtergrond. Ze behoren tot haar krachtigste schilderijen. En dat geldt ook voor de stillevens die ze op het einde van haar leven maakte, voor haar allerlaatste zelfportret en het schilderij ’De drie generaties’, waaraan ze jaren had gewerkt. In haar laatste werken ballen zich de resultaten samen van een leven waarin ze altijd maar aan het oefenen was. Want alleen zo kon ze haar schilderwerk op een hoger plan brengen.

Op de zelfportretten wordt Charley Toorop steeds ouder, maar onveranderlijk is de kracht die ze uitstraalt. Toch is het niet terecht om haar vooral te beoordelen op haar ’koppen en ogen’, ook al beklijven die het meest. Deze tentoonstelling leert dat haar hele oeuvre één brok vitaliteit en kracht is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden