Geen oog voor het volle leven

De filosoof belicht wekelijks een detail uit het denken van Immanuel Kant.

In mijn boekenkast staat een klein boekje zonder jaartal. De auteur daarvan is vooral bekend geworden door zijn detectives rond Father Brown, een klein, onooglijk, dik mannetje en katholiek priester. Elk misdrijf lost hij op.

In een van die verhalen verklaart Brown hoe hij het doet: ,,Ik zelf ben de dief, ik zelf ben de moordenaar.'' Zijn geheim is het zich kunnen verplaatsen in mensen met geheel andere motieven, doelstellingen en denkbeelden. De auteur is G.K. Chesterton. In dat boekje in mijn boekenkast, 'Orthodoxie', beschrijft hij een bepaald type psychisch gestoorde.

Ik citeer: ,,Als je redeneert met een krankzinnige, is het uiterst waarschijnlijk, dat je aan het kortste eind trekt; want in veel opzichten werkt zijn verstand sneller, daar hij niet opgehouden wordt door de dingen die onafscheidelijk zijn van goed oordelen. Hij wordt niet gehinderd door zin voor humor of door naastenliefde, of door de onuitgesproken zekerheden, die berusten op ervaring. Hij is strenger logisch, daar hij zekere affecties, die een normaal mens eigen zijn, verloren heeft. De krankzinnige is niet de mens die zijn verstand kwijt is. De krankzinnige is de mens die alles kwijt is, behalve zijn verstand.''

Chesterton probeert dan aan te geven wat er mis is. Dat blijkt lastig te zijn. ,,Misschien komen we er het dichtst bij om het onder woorden te brengen, wanneer we zeggen: dat zijn geest zich beweegt binnen een volkomen maar enge cirkel. Een kleine cirkel is precies zo oneindig als een grote; maar al is hij precies even oneindig, hij is niet zo groot.''

De beschrijving van Chesterton past wonderwel bij wat Kant onder domheid verstaat. Zo iemand heeft de 'sensus communis' vervangen door de 'sensus privatus'. Volgens Kant beschikken we over een aantal, heel verschillende, geestelijke vermogens. Twee daarvan zijn bijzonder belangrijk: verstand en oordeelsvermogen. Zonder verstand is er geen kennis mogelijk. Het genereert wetmatigheden, theorieën en concepten. Het is de basis voor de wetenschap.

Daarnaast is er nog iets volstrekt anders nodig. Dat is het vermogen om te bepalen waar en wanneer je die theorieën en concepten kunt gebruiken. Bij welke problemen passen ze en waar niet? Dit vermogen heet het oordeelsvermogen. Het is een talent dat niet aangeleerd, maar wel geoefend kan worden.

Kant zegt het ongeveer zo: ,,Een arts, een rechter, een politicus of een ingenieur kan nog zo veel medische, juridische, politieke of natuurwetenschappelijke theorieën in zijn hoofd hebben, zozeer zelfs dat zo iemand daarin professor kan worden, maar als het ontbreekt aan oordeelsvermogen doe je er wijs aan uit de buurt te blijven.'' Deze mensen zijn dom.

Domheid, zo formuleert hij, is niet een gebrek aan verstand, domheid is een gebrek aan oordeelsvermogen. En je komt ze vooral tegen wanneer mensen hun theorieën voor de werkelijkheid houden. En we komen die mensen tegen.

Economen die de hele sociale werkelijkheid alleen door hun economische bril kunnen zien. Maar ook lezers van Kant die zijn theorieën over kennen en moreel handelen rechtstreeks op de werkelijkheid loslaten. Dat is domheid, geen oog hebben voor het verschil tussen theorieën en het volle leven.

Vanuit het volle leven voegt Kant aan het eind van zijn leven nog een inzicht toe. Domheid is niet alleen gebrek aan oordeelsvermogen, maar ook gebrek aan 'Witz', aan geestigheid, aan esprit. Hij had Chesterton zeer zeker kunnen waarderen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden