'Geen museum voor moderne kunst durft mij te laten zien'

Zonder het abstracte werk van kunstenaars als Piet Mondriaan was Henk Helmantel niet de schilder die hij is. Het Groninger Museum is 'om' en heeft werk van Helmantel aangekocht. Maar waar blijft het Stedelijk Museum?

Zo'n vier jaar geleden werd het hem zwaar te moede. "Ik moet maar naar Rusland emigreren", zei hij zelfs. "Want Russische kunst is altijd een stuk interessanter geweest voor het Groninger Museum." 'Een Helmantel' wilden ze daar niet. De Groningse kunstschilder Henk Helmantel woont niet in een afgelegen dorp bij Sint-Petersburg of Moskou, hij is nog onder ons. En het museum heeft in november alsnog een werk van hem aangekocht. Het is een schilderij uit 2012 waarop een deel van het interieur van de laatmiddeleeuwse Nicolaikerk in Appingedam staat afgebeeld. Helmantel, die tot de noordelijke realisten wordt gerekend, ziet de aankoop als een erkenning.

Zijn grote schare Groningse bewonderaars kon het niet verkroppen. Waarom mocht hun populaire schilder niet vertegenwoordigd zijn in wat zij beschouwen als 'hun' museum? In 2007 leidde het zelfs tot vragen van een Statenlid van de ChristenUnie aan Gedeputeerde Staten.

We spreken Helmantel over die erkenning en zijn positie in de moderne kunst bij zijn uitgeverij in het Groningse Tolbert, zo'n 40 kilometer van zijn atelier en huis in Westeremden. De Trouw-fotograaf kwam deze donkere decemberochtend bij hem thuis al vroeg langs, "te vroeg eigenlijk", zegt Helmantel (69) met een luide lach. "In mijn atelier werd het om kwart voor tien weer donker, terwijl het eigenlijk net licht was." Zijn vrouw Babs moest zelfs met een lamp bijschijnen om de opname mogelijk te maken. Helmantel is naar de uitgeverij gekomen om de laatste proeven te zien van een nieuw boek over zijn werk en de omvangrijke kunstverzameling van de Helmantels, dat op 7 februari in Duitsland wordt gepresenteerd.

Het Groninger Museum koos een recent werk van u, uit 2012. Waarom?

"Toen het Groninger Museum toch geïnteresseerd bleek, dacht ik: nou moet ik ook met iets komen waar ik helemaal achter sta. Niet van: daar komt Helmantel aan met een leuk stilleventje. Collega-kunstenaars zeiden ook tegen mij dat dat schilderij van de Nicolaikerk iets is wat ertoe doet en appelleert aan deze tijd. Directeur Andreas Blühm vond het werk ook gelijk goed, hij begreep die taal. Blühm heeft zijn ogen goed de kost gegeven om misschien in de toekomst nog eens wat van mij aan te kopen."

Blühm zei tegen de NOS zelfs dat de invloed van moderne kunst heel duidelijk aanwezig is bij u. En dat een ruimte verandert als er een werk van u hangt.

"Dat laatste hoor ik vandaag voor het eerst. Dat is mooi."

Had u eigenlijk ruzie met Blühms voorganger Kees van Twist?

"Nee, ikzelf niet. Hij was eens bij ons, vier jaar geleden. We hadden een open gesprek, maar hij is een publiciteitsman hè, een organisator. Hij had wel waardering voor mijn werk. 'Je kunt goed schilderen', zei hij, 'maar je voegt niks toe. En dat moeten we niet in ons museum hebben.' De conservator van het museum die ook mee was, Han Steenbruggen, was het helemaal met hem eens. Die is nu trouwens de baas van Museum Belvédère in Heerenveen. Steenbruggen zei later een keer dat hij mijn kleine, intieme schilderijtjes wel naast Jan Mankes zag hangen. Dat had ik hem eerder niet horen zeggen. Ook feliciteerde hij mij met de aankoop door het Groninger Museum. Ik maak het wel vaker mee hoor, een kunstcriticus van de Volkskrant schreef zo'n dertig jaar geleden zeer kritisch over mij. Maar toen die ineens kunsthandelaar werd, belde hij op: 'Je moet bij mij exposeren.' Ik lever geld op, hè? Het is er niet van gekomen, ik had er niet zoveel zin in."

Als kunstkenners zeggen dat u knap ambachtelijk werk maakt, maar niks toevoegt, wat zegt u dan?

"In zekere zin hebben ze gelijk, maar of dat een criterium moet zijn om iets niet te tonen is een andere vraag. Na de gotiek kwam de Renaissance, en die haalde op haar beurt de Oudheid weer naar boven. Die voegde dus in zekere zin ook niets toe. En zo heb je meer stijlen, gehad, het neoclassicisme, het eclecticisme, wordt er iets toegevoegd? Nee, het is een reactie op vroeger en daar wordt een soort nieuw concept voor bedacht. Echt iets toevoegen doet het niet. Maar toch gebeurt er wat, want je neemt je persoonlijkheid mee. Ook bij collega's: Piet Mondriaan heeft veel invloed op mij gehad. Hij begon heel figuratief, maar eindigde in abstract. En wat doe ik: ik ga in de terugversnelling. Ik neem zijn compositieverworvenheden mee in mijn werk. Ik maak gebruik van dat denken en verwerk dat in mijn realisme. Dat herkennen dus veel mensen, die abstracte waarde in mijn klassiek ogend werk. 'Onder elke Helmantel schuilt een Breitner', heeft mijn leermeester Diederik Kraaijpoel eens gezegd. Twee jaar geleden was een Amerikaanse kunstcriticus op bezoek van het blad The Connoisseur, over figuratieve kunst. Hij bekeek alles van mij. Hij keek heel goed, en weet je wat hij zei? 'Ik krijg hier een Rothko-gevoel bij.' Hij werd mijn schilderijen ingezogen."

Een groot compliment. Maar is het zo dat uw Appingedamse kerkinterieur er zonder Mondriaan niet zo had uitgezien?

"Dat is moeilijk te zeggen. Stel dat Mondriaan niet had geleefd. Had ik dan anders geschilderd? We staan allemaal op de schouders van ons voorgeslacht. Er is een Mondriaan gekomen, een Van Gogh, een Jawlensky, enzovoort."

Maar dit werk van u was een paar eeuwen geleden dus niet zo geschilderd.

"Waarschijnlijk niet. Dat is het nadrukkelijk denken in composities. Zoals dat zich in de twintigste eeuw heeft ontwikkeld, deed zich dat eerder niet op die manier voor. Wel bij Johannes Vermeer trouwens, die dacht ook in composities. Daarom is hij zo populair, denk ik. Zijn composities en zijn kleurstelling, en de atmosfeer die hij schept. Mensen worden er nog steeds door geboeid. Iemand als Gerard ter Borch, die misschien wel beter kan schilderen dan Vermeer, dacht daar minder bewust over na. Dat is de kracht van Vermeer. Die wereld appelleert aan het moderne. Mondriaan is gedurende zijn leven modern geworden. Die verworvenheid van dat denken in composities zit ook in mijn werk. Horizontalen, verticalen, kleurvlakken, oversnijdingen tussen die vlakken. Ik kom graag in het Rijksmuseum, vooral in de eregalerij waar twee mooie stillevens hangen van Pieter Claeszoon en Willem Claesz Heda. Qua compositie had ik het beter gedaan. Ik kan niet beter schilderen, maar ben wel beter in compositie. Dat is niet zozeer mijn verdienste, maar dat is anders denken over hoe je een vlak vult."

En daarvoor moet je post-Mondriaan zijn.

"Misschien wel ja. Misschien wel."

Hebt u directeur Wim Pijbes weleens gesproken?"

"Ik heb hem een paar keer ontmoet. In de Rotterdamse Kunsthal, waar ik meedeed aan een expositie, en op een realismebeurs. En vorig jaar nog in het Groninger Museum. Het zijn van die schouderklopjesontmoetingen. Ik heb hem gecomplimenteerd met hoe voortvarend hij die renovatie aanpakte. De eregalerij is prachtig geworden, maar voor de rest heb ik wel iets aan te merken. In de grote voorhal met glas-in-loodraam waar vroeger de kaartjes werden verkocht en een winkel was, gebeurt nu niks. De kwaliteit van die wandschilderijen vind ik ook matig. En de inrichting in de zalen, met een mix van voorwerpen en schilderijen uit dezelfde tijd, is ook niet zo geslaagd. Een meesterwerk moet op zichzelf staan en in rust beschouwd kunnen worden. En er staat ook te weinig. Waar is die Italiaanse renaissance met voorwerpen en de gotiek uit Nederland, voorwerpen, glas en meubels, die staan grotendeels in het depot. Ik zie te weinig."

Luistert hij naar uw kritiek?

"Zou best kunnen. Ik heb geen titel voor mijn naam staan, hè? Ik weet dat Henk van Os het met mij eens is. Die is kunsthistoricus."

Pijbes is net als u een Groninger. Maakt dat het contact niet makkelijker?

"Ik weet niet of hij wel trots is op zijn Groningse wortels. Hij komt uit Veendam, het centrum van de veenkoloniën, daar moest alles nog ontgonnen worden in de zeventiende eeuw. Ik ben blij dat ík geboren ben in Westeremden, op het Hogeland, daar is al zichtbare cultuur vanaf de Middeleeuwen, daar gebeurt veel. Met Pijbes zou ik een goed gesprek kunnen hebben. Hij is wel ter tale. En ik heb bewondering voor hem. Misschien is hij soms te veel de manager, de publiciteitsman, maar in zijn functie is dat ook belangrijk. Maar met iemand als Ernst van de Wetering, van het Rembrandt-researchproject kan ik intens over het vak praten. Hij kan ook goed schilderen. Hij verstaat de taal van de verf."

Kunt u zich voorstellen dat u als hedendaags schilder ooit in het Stedelijk Museum in Amsterdam hangt?

"Mijn werk hoort meer in het Stedelijk dan in het Rijks. Zo'n overzichtstentoonstelling als van Marlene Dumas zou mooi zijn. Dat alle aspecten van Helmantel aan bod komen. Eigenlijk heb ik het al een paar keer meegemaakt, hè? Het Drents Museum in Assen was prima, het Rembrandthuis was kleinschalig, maar er kwamen 40.000 mensen op af, het Noord-Brabants Museum was goed. Ik had een fantastische expositie in Praag, en vanaf februari in Worpswede, in Duitsland, en vergeet niet: ik hing in 1997 in Taiwan. Maar er is in Nederland geen museum voor moderne kunst dat mijn werk wil laten zien. Tenminste, tot dusver."

Is dat het conservatisme van het modernisme?

"Ik verdenk de modernisten ervan dat ze minstens zo dogmatisch zijn als de behoudenden. Dat valt me vaak op. Ook in theologisch opzicht, maar dat is een andere kwestie."

Heeft u nooit iets anders willen maken dan kerkinterieurs en stillevens?

"Het valt me op dat ik in mijn leven vooruit kan binnen deze contemplatieve thema's. Een zekere, minimale ontwikkeling was er wel, in aanpak, kleurstelling, hoe ik de verf opbreng. Ik heb er een levenstaak in gevonden. Ik sluit niet uit dat ik nog een project onderneem, ik denk aan een heel groot schilderij dat buiten mijn gebaande paden ligt. Daar zit ik op te broeden. Er zijn twee richtingen binnen mijn werk: de klassieke Helmantel en de wat meer eigentijdse Helmantel. Dat eigentijdse zou ik iets meer moeten uitbouwen. Het kan nu nog, mijn ogen doen het, mijn hersens doen het, en de motoriek is nog in orde."

'Henk Helmantel, een leven lang schilderen en verzamelen', 300 blz, € 45, uitgeverij Art Revisited (half februari verkrijgbaar)

Gretig aftrek

Henk Helmantel (Westeremden, 1945) is van de Noord-Nederlandse stroming hedendaagse realistische kunstschilders zonder twijfel de populairste. Hij heeft vanaf het begin relatief hoge prijzen gevraagd voor zijn schilderijen en ze werden betaald. Bij het bedrijfsleven en particulieren vindt hij gretig aftrek. Maar de belangrijkste moderne kunstmusea negeren hem. Kunstcriticus Gijsbert van der Wal schreef in 2012 in zijn boek 'Wijd open ogen': 'een frisse blik op of enthousiasme voor de broden, vruchten en eieren is er nimmer aan af te zien'. Volgens kunsthistoricus Diederik Kraaijpoel (1928-2012) sluit de 'gevestigde orde van de kunstelite' ten onrechte de Helmantel-stroming uit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden