Geen land is olympisch zo eenzijdig als Nederland

De Nederlandse olympische hoop rust nadrukkelijk op Sven Kramer. Een winnaar buiten het schaatsen zou pas écht een verrassing zijn.

De Olympische Winterspelen en het Nederlandse olympisch bierhuis zijn geopend, de jacht op het honderdste Nederlandse goud kan beginnen. De vraag is of in het miezerige weer van Vancouver het alleenrecht van schaatsen kan worden doorbroken.

Want dat zal vermoedelijk moeten gebeuren om de medailleteller aan de gouden kant met vier van 96 naar 100 te laten springen, zoals economen van de Rijksuniversiteit Groningen voorspellen. Slechts twee keer won Nederland op de Olympische Winterspelen vier of meer schaatstitels, in 1972 en 1998.

In 1972 schreef Ard Schenk met drie titels olympische historie en won Stien Baas-Kaiser haar enige goud. Twaalf jaar geleden waren Ids Postma, Gianni Romme (2) en Marianne Timmer (2) verantwoordelijk voor de rijkste oogst.

Van de 25 gouden medailles die Nederland bij Winterspelen won, viel er slechts één buiten het hardrijden. In 1964 won Sjoukje Dijkstra goud bij het kunstrijden, onderdeel van het olympische hoofdprogramma. Het was tevens de gouden primeur voor Nederland. Het eerste hardrijgoud volgde in 1968: Carry Geijssen, 1000 meter.

Dijkstra, ze won in 1960 zilver, is samen met collega Dianne de Leeuw (tweede in 1976) de uitzondering die de regel bevestigt: Nederlanders zijn hardrijders. Er is geen ander succesvol land dat op Winterspelen zó eenzijdig is. Vanaf 1928 werden 78 medailles gewonnen; 75 daarvan vielen toe aan schaatsers. Slechts de Zuid-Koreanen kunnen qua specialisatie wedijveren met Nederland: 29 van hun 31 medailles werden gewonnen in shorttrack.

In 1998 ontstond bij NOC-NSF het idee om in een bredere wintersportploeg te investeren. Van de 34 in Vancouver geaccrediteerde sporters, is nog altijd meer dan de helft schaatser. Maar dankzij bobsleeën, snowboarden en shorttrack is de grootste ploeg ooit afgevaardigd.

In het hoofdprogramma speelt Nederland geen rol. De kunstrijsuccessen uit de jaren zestig en zeventig kregen geen vervolg, en dat van de ijshockeyploeg (1980) was eenmalig. Het alpineskiën ligt voor de laaglanders nog buiten bereik, al bewijst Nicolien Sauerbreij met haar snowboard dat er in de sneeuw wel degelijk mogelijkheden liggen.

Het zou handig zijn als zij en de tweemansbob van Edwin van Calker enige hand- en spandiensten verlenen in de medaillejacht. Op grond van prestaties dit seizoen koesteren zij voorzichtige hoop. Een machtsgreep zou spectaculair zijn.

De schaatsploeg leunt op Sven Kramer; bij wedkantoren valt op de vijf en tien kilometer op zijn naam niets te verdienen. Dat hij Nederlands’ achttiende winterkampioen wordt met een kwartet triomfen is echter onwaarschijnlijk.

De kans dat de schaatsers in navolging van Turijn drie verschillende kampioenen (Timmer, Wüst en De Jong) leveren, is bovendien niet groot. Uitgesproken favorieten zijn er buiten Kramer niet.

Maar het zal niet voor het eerst zijn dat een verrassing uit de hoge oranje hoed springt. Die sporter is dan wel veroordeeld tot een carnavaleske huldiging in de nationale biertent.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden