Opinie

Geen komedie of gebaartjes. Tom Lanoye bewerkt ’Mephisto’ van Klaus Mann voor Het Toneelhuis

Plaats van handeling: ’Het toneel is een schouwburg in de hoofdstad’. Daar bevindt zich het middelpunt van Kurt Köpler, ’ambitieus acteur met linkse sympathieën’. Toneelspelen is voor Kurt niet eens leven, het reikt nog verder: toneelspelen is voor hem ademhalen.

Ademhalen om in leven te blijven, ongeacht welke verschrikkingen zich in zijn omgeving aftekenen. Met meteen de oervraag voor elk - al dan niet toneelspelend - mens: zie je eigenlijk wel dát er zich verschrikkingen aandienen, of wil je die niet zien?

Het is de vraag die Klaus Mann als een wurgende lasso om zijn personage Hendrik Höfgen uit zijn roman ’Mephisto’ drapeert. De linkse toneelspeler Höfgen laat zich in met nazi-propaganda, en beseft niet / wil niet inzien dat hij zichzelf, zijn vak, zijn toneelgezelschap en zijn zo geliefd toneelpubliek verraadt.

Op verzoek van het Antwerpse Toneelhuis schreef Tom Lanoye het toneelstuk ’Mefisto for ever’, vrij naar de roman van Klaus Mann. Hoewel de Belgische verkiezingen, laat staan de woorden Vlaams Belang niet bij naam worden genoemd, gaat Lanoye’s ’Mefisto’ over het België van nu. Ook al is een toespraak van Herman Göring van een andere orde dan een van Filip de Winter. En allicht treedt zijn ’Mefisto’ ook buiten Belgische oevers, want ook in het toneelstuk blijft de vraag van alle tijden: hoe, en vooral wanneer kom je in verzet tegen onrecht, tegen terreur?

Tegen de Vlaamse krant ’De Morgen’ zei Lanoye: ,,Wat is nog de inzet, de waarde, de pretentie van ons kunstenaarschap? Loopt de kunst voorop in de maatschappij of zijn we slechts het kanariepietje dat in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog doodvalt zodra het gifgas eraan komt?”

Er schuilen tamelijk wat toneelstukken in het toneelstuk ’Mefisto for ever’. Dat ligt voor de hand, omdat het nou eenmaal gaat over een toneelgezelschap dat een toneelvoorstelling repeteert. Maar Lanoye gebruikt fragmenten uit het werk van Tsjechow of Shakespeare behalve als functionele sfeerbepaling ook om de onderlinge posities van de toneelspelende toneelspelers op scherp te zetten.

Aan het begin van het stuk repeteren de toneelspelers ’Hamlet’. Hoofdrolvertolker Kurt Köpler is tevens de regisseur en instrueert zijn troupe met gedrevenheid: ,,Ta-tám, ta-tám, ta-tám: ’dat wás ik ál vanzélf van zíns.’ Dát is poëzie, dát is praten op de planken. Ons bloemrijkste instrument is onze mond, onze partituur is onze moedertaal, onze metronoom is onze spraaktechniek.”

Acteurs die gaan morren over het taalgebruik van Shakespeare (’Zo klapt toch niemand nog, vandaag de dag’, ’Ge kunt dat toch in uw eigen woorden zeggen? Of in het dialect?’) krijgen van de regisseur de wind van voren: ,,Ik denk niet dat jouw woordenschat rijk genoeg is om Shakespeare naar de kroon te steken.”

De werkelijke regisseur Guy Cassiers laat zijn toneelspelers liggend op glastafels in een kaal repetitielokaal repeteren, hun gezichten op de achtergrond kloek vergroot geprojecteerd. De spelers praten door zendmicrofoontjes, waardoor niemand zijn stem hoeft te verheffen.

De strubbelingen van het repeterende toneelgezelschap worden zo ronduit intiem; door die versterkte en toch terughoudend klinkende stemmen wordt de toeschouwer letterlijk die repetities in getrokken. Cassiers geeft met ’Mefisto for ever’ na zijn afscheid bij het Rotterdamse RO Theater zijn visitiekaartje van artistiek leider bij Het Toneelhuis af.

Halverwege het toneelstuk zijn de projectiebeelden tot de volledige achterwand opgeblazen. Het hoofd van hoofdpersonage Kurt Köpler (Dirk Roofthooft) past amper nog in de schouwburg zelf, zo belangrijk denkt de theaterleider zelf te zijn geworden. Roofthooft’s oortjes zijn uitgekiend belicht, waardoor die in de projectie duivels scherpe driehoekjes krijgen, terwijl het toch nog geen karikaturale duivelsoren zijn.

Listig laat Lanoye zijn Kurt Köpler nu de beginwoorden van Shakespeare’s ’Richard III’ spreken. Listig, omdat hij met die bewerkte woorden suggereert dat Köpler met zijn gedraaikont de grens van collaboratie al is overschreden. Zoals Richard III zelf heel goed weet wat voor misdadigs hij van plan is, en niet voor niets als een ronkende Göring al in hoofdletters gaat praten.

,,Thans wordt de Winter van ons malcontentement, Een glorieuze Zomer door die zonnezoon, Die prilste prins voor elk van ons - het Volk, Van deze Gouden Gouw: ons Vaderland.”

De toneelspeler Köpler denkt wel dat hij tevens ook theaterdirecteur is, maar krijgt van de in bruin pak gestoken ’minister van propaganda’ (Josse De Pauw) even haarscherp als apodictisch uitgelegd welk repertoire hij dient te spelen. Hoezo ’Richard III’? En hoezo eigenlijk ’Shakespeare’?

Köpler stribbelt even tegen: ,,Als je geen Tsjechov of Molière mag spelen, geen andere Fransen of Russen, geen joden, geen Engelsen en ook geen Amerikanen meer, dan blijft er niet veel keuze.”

Maar de minister van propaganda volhardt: ,,Keuze genoeg. Von Kleist, Goethe, Alfred Hegenscheidt... Wat opvalt, mijnheer Köpler, is uw hang naar het morbide. De donkere kant van het leven. Dat is niet waar ons volk naar snakt op dit moment.”

Köpler probeert er nog stukken als ’Thyl Uylenspiegel’, ’De Abele Spelen’ en ’Lanseloet’, allemaal van ’Auteur onbekend’ tussen te wringen, maar ook daar wil de minister van propaganda niet van horen.

,,Een matinee voor het hele gezin. Is dat beneden uw waardigheid, mijnheer Köpler? Een voorstelling maken die prettig is, én nuttig? Onze ouderparen zijn onze echte helden. Kijk naar de internationale demografie. De volken van minderwaardig bloed kweken als kakkerlakken. Het gevaarlijkste wapen van de Untermensch is de baarmoeder van zijn bijslaap. Ze fokken ons eruit. Het is onze plicht om, daartegenin, alle mogelijke steun te geven aan onze gezonde gezinnen. Onze ware wissel op de toekomst.”

Na de oorlog willen mede-acteurs nooit meer met de ’gebrandmerkte’ Kurt Köpler spelen. Actrice Angela wil van hem weten hoe erg Köpler het vindt ’wat er gebeurd is’. ,,Vertel dat eens, Kurt. Druk dat nu eens uit. Geen komedie of gebaartjes.”

Köpler staat dan volslagen alleen op het toneel. Eigenlijk is hij er zelf ook al niet meer: alleen zijn hoofd is fel belicht. En zijn slotwoorden lossen op in de leegte voor het slotapplaus: ,,Ik bedoel.... Ik voel..... (stilte, kijkt de zaal in) Ik..... (stilte).”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden