Geen ja-woord meer op het stadhuis

Waarom bemoeit de staat zich zo nadrukkelijk met een privé-ritueel als het huwelijk, vraagt socioloog en theoloog Gied ten Berge zich af? Hij bepleit de afschaffing van het burgerlijk huwelijk. Wie wil trouwen, hoeft geen gang naar het gemeentehuis te maken. "Dat zou heel wat onvrede schelen."

Na tien jaar 'homohuwelijk' in Nederland flakkerde de discussie erover weer op vanwege de 'weigerambtenaar' die dit kabinet opnieuw gedoogt. Terwijl homoseksuelen nog steeds vechten voor de symbolische gelijkstelling van samenlevingsvormen, zie je onder gelovigen de distantie tegenover het burgerlijk huwelijk juist toenemen. Zo deden Harry Prins en Cristina Ortueta Cuéllar in Trouw (29 oktober) verslag van hun inspanning om hun huwelijk in een stadhuis zonder toeters en bellen te mogen laten registreren.

De huwelijksvoltrekking door de staat blijft zo onder gelovigen én ongelovigen nog steeds een gevoelige kwestie. Waarom lossen we haar niet pragmatisch op?

De staat houdt zich sinds de Franse revolutie actief bezig met het huwelijk. Niet het 'homohuwelijk', maar het recht op echtscheiding was in september 1792 één van de allereerste revolutionaire decreten. De staat nam de geboorte-, sterf- en trouwregisters van de katholieke kerk af en zette bovendien hardhandig een proces in gang van doelbewuste ontkerstening. Deze déchristianisation ging met veel terreur gepaard. In mei 1793 werden alle kerken gesloten. De katholieke Heilige Mis werd verboden en vervangen door een burgerlijk, republikeins zondagsritueel: de Culte de la Raison.

Tijdens de regering van Napoleon normaliseerden de relaties tussen kerk en staat enigszins, maar het huwelijk bleef primair het 'eigendom' van de staat. Hij werd niet alleen administrateur, maar bleef tot in deze tijd ook ceremoniemeester en voltrekker van huwelijksriten, ofschoon het wettelijke huwelijk in de kern slechts een registratie van de juridische regels en plichten inhoudt.

Ook vandaag vind je nergens in het Nederlands Burgerlijk Wetboek aanwijzingen over het ceremoniële gedeelte van het huwelijk: niet dat er een toespraak gehouden moet worden, óók niet dat er trouwbeloftes moeten worden gedaan, of dat de echtelieden ringen moeten wisselen. Maar de staat verbiedt wel dat de kerk zulke riten verricht als het paar niet éérst bij haar is langs geweest. Ondertussen is hij zulke riten zelf uit gaan voeren! Bij het extra feestelijke, eerste burgerlijke huwelijk tussen homoseksuele paren werden op het stadhuis van Amsterdam in tegenwoordigheid van de burgemeester, zelfs bruidstaarten aangesneden! Waarom speelt de staat zo in op een behoefte aan persoonlijk ceremonieel?

Volgens mij wil de staat zo tegenwicht bieden aan wie bezwaar maakt tegen de rol die de staat zich in huwelijkszaken aanmeet. Om zijn positie kracht bij te zetten, geeft de staat extra 'wijding' aan een verbintenis die hij vervolgens 'huwelijk' noemt. Zo werd in Nederland het 'homohuwelijk' een liberaal en seculier symbool, een kroonjuweel van het Tweede Paarse Kabinet van PvdA, D66 en VVD. De staat eigent zich huwelijksceremonieën toe. Maar doet hij dat wel neutraal genoeg? Heeft hij de scheiding met religie en levensbeschouwing voldoende in het oog gehouden? Het homohuwelijk laat zien dat juist die ceremoniële functies een eigen leven zijn gaan leiden, waarvan het te bezien valt of die bij de staat überhaupt wel op hun plaats zijn.

De nieuwe norm zag er vroeger heel anders uit. Ik roep in herinnering hoe groot de afkeer was tegen het huwelijk die tijdens de jaren zestig en zeventig bij de vrijzinnige elite opgeld deed. Het leek er toen even op dat weldra een groot deel van Nederland alleen nog maar een snel 'boterbriefje' wenste.

Er is nog een andere manier om de willekeurigheid van het burgerlijke huwelijksritueel te laten zien: door de rollen te vergelijken die ambtenaren bij andere levensmomenten juist niet spelen. Zo bestaan er géén riten op het stadhuis als de vader zijn pasgeboren kind komt aangeven. Ik ken, behalve de Jugendweihe in de voormalige DDR, niets wat in de context van burgerschap lijkt op doop, besnijdenis, eerste communie of belijdenis. Doop- en geboortefeestjes zijn volkomen privé. Er verschijnt na ons overlijden ook géén ambtenaar aan de groeve, behalve als niemand bereid is het goede werk van onze begrafenis op zich te nemen. In privézaken volstaat een loket, net als bij het afhalen van identiteitspapieren. Dit kabinet heeft de 'weigerambtenaar' opnieuw geaccepteerd en zo tot een curieus onderhandelingsobject gemaakt voor andere zaken waarmee deze regering voortdurend aan een meerderheid geholpen moet worden.

Het is hoog tijd om de fundamentele vraag te stellen, of het in een zogenaamd liberale samenleving met zo veel verschillen en geschillen nog nodig is, hierover te bakkeleien? De liberale filosoof Paul Cliteur stelt nadrukkelijk 'dat religie helemaal niet zichtbaar mag zijn in het publieke domein'. Hij pleit in Nederland zelfs voor de Franse variant van de scheiding van kerk en staat, de laïcité, en verwerpt daarom hartgrondig het multiculturele, pluriforme model van een staat die niet alleen alle religies toelaat, maar die ook probeert alle religies zichtbaar te laten zijn in het publieke domein.

Maar wat moet ik ervan denken als de staat ceremoniële en rituele eigenaardigheden van religies binnen zijn domein trekt, oplegt en exploiteert? Als voor liberalen de afwijzing van alle zichtbare religie in het publieke domein echt zo'n halszaak is, zouden ze van hun kant alle ceremoniële en rituele handelingen die ons privéleven raken en die onmiskenbaar een religieuze oorsprong hebben, ook buiten de sfeer van de staat moeten laten. Het lijkt mij geen kerntaak van de staat om te voorzien in de behoefte aan het ritueel van trouwlustigen.

Voor wie de gang naar het stadhuis een feestelijke traditie geworden is, blijkt het vandaag zelfs normaal dat de ambtenaar ook naar andere, door het paar zelfgekozen locaties komt om ze daar te trouwen, zoals kapellen, kasteeltjes en wat dies meer zij.

Ik ben ervan overtuigd dat de religieuze en de seculiere markt heel goed zelf in staat zijn om te voldoen aan de veelkleurige vraag aan zingeving en feestelijk vertoon. Dat is bij geboorte en begrafenis niet anders dan bij een huwelijk.

Het Burgerlijk Wetboek omschrijft sinds 2001 het huwelijk als een verbintenis tussen twee natuurlijke personen 'van verschillend en gelijk geslacht', waarvan reeksen juridische rechten en verplichtingen zijn afgeleid. De definitie klinkt levensbeschouwelijk neutraal en dat zullen velen misschien ook zo aanvoelen, maar juist omdat de staat hier het begrip 'huwelijk' gebruikt, dat in alle wereldreligies transcendente of kosmische en aan de voortplanting gerelateerde betekenissen kent, lijkt het mij beter als de staat zich helemaal niet meer zou bedienen van het begrip 'huwelijk'. Dat zou heel wat onvrede schelen.

De staat heeft het begrip 'huwelijk' in 2001 vervangen door een eigen, aangepaste inhoud, bestemd voor niet meer dan twee volwassen personen waarvan ¿ voeg ik eraan toe ¿ wordt aangenomen dat ze een duurzame intieme seksuele relatie met elkaar hebben, hoe dan ook.

Dat betekent een versmalling én een verbreding van het begrip huwelijk. Weliswaar komen meer partnercombinaties voor 'een huwelijk' in aanmerking, maar er is ook een vervreemding ontstaan tussen mensen voor wie een huwelijk gerelateerd is aan voorplanting en mensen die een puur op de seksuele relatie gebaseerde opvatting hanteren. Terwijl het probleem een nog veel ruimere definitie en daarom een ander gebruik van begrippen verdient. Want waarom zouden twee broers die hun leven lang voor elkaar gezorgd hebben, maar niet me elkaar naar bed gaan, niet met elkaar mogen 'trouwen'?

De staat kan een radicaal einde maken aan deze verwarring, door de morele claim op het huwelijk, die er sinds de Franse revolutie ingeslopen is, op te geven. Ze moet alleen regels stellen die de samenleving zelf in staat stellen eigen civiele oplossingen te vinden voor verschillende particuliere zaken zoals levensverbintenissen.

Dat betekent niet dat de morele rol van de staat is uitgespeeld. De behoefte om de verbintenissen tussen mensen te reguleren en juridisch af te stempelen is van alle tijden en daarin moet de staat blijven voorzien. Staat en civiele samenleving, óók de religies hebben daar belang bij.

De staat moet alleen goed beseffen dat wanneer de waarden van mensen botsen, hij zich telkens begeeft in open-ended conflicten, zoals de Amerikaanse politieke filosoof Waltzer ze noemt.

Onze samenleving wordt steeds heterogener, hoe groot het verlangen van sommige liberalen en populisten naar meer eendimensionaliteit ook is. Juist dan dient de staat voorzichtig te werk te gaan, wil hij die samenleving blijven binden. Soms zijn verschillen onoverbrugbaar, ook niet met een wetswijziging, dat bleek wel met de openstelling van het huwelijk.

Bij meerderheidsbesluit een nieuwe algemeen geldende Waarheid afdwingen is dan niet de weg. De staat kan beter wat weerstand bieden aan de tendens van het ogenblik. Die leidt namelijk tot wat de protestantse kerkhistoricus Harinck 'een democratie op sterk water' noemt. En de weigerambtenaar gaat op en af...

De staat kan maar het beste afstand nemen van het huwelijk als concept en 'merknaam'. In een samenleving van minderheden, religies en levensbeschouwingen, zou de staat zich primair op zijn kerntaak kunnen richten: het zo neutraal mogelijk en zorgvuldig regelen van alle voorkomende en maatschappelijk wenselijk geachte, duurzame levensverbintenissen.

Dit betekent overigens dat homoseksuele paren zelf de volste vrijheid behouden, om hun relatie 'huwelijk' te blijven noemen. Maar hierover kan de staat beter het zwijgen doen, want huwen doe je privé en partnerregistraties haal je op bij het loket Burgerzaken op het gemeentehuis. Leuker moet het niet zijn.

Ik pleit voor een pragmatische benadering op basis van een veelzijdig respect. Dat is géén pleidooi voor een 'koude staat', die geen enkele betrokkenheid toont bij de liefde tussen volwassenen en bij gebeurtenissen van leven en dood. Want het moet toch een misverstand geweest zijn, toen D66-leider Alexander Pechtold een paar jaar geleden zei dat de staat over liefde tussen twee mensen geen mening zou hoeven te hebben. Die is altijd meegegeven. Het mag geen enkele staat (maar ook geen enkele religie) onverschillig zijn, dat mensen in al hun levensverbintenissen juridisch bescherming krijgen, of die verbintenissen nu van heteroseksuele, homoseksuele of celibataire aard zijn en of daar nu wel of geen zorg voor kinderen bij te pas komt.

Zelf groeide ik door bijzondere familieomstandigheden op in het toevallige huishouden van twee zussen en een homoseksuele broer van mijn vader. Daarmee wil ik zeggen dat beschermingwaardigheid van relaties betrekking heeft op de toevalligheid, tijdelijkheid en dus kwetsbaarheid van ieders persoonlijk leven en dat die beschermwaardigheid een overstijgende waarde inhoudt. Het gaat namelijk om basale rechten van ieder mens, ongeacht zijn of haar geaardheid en levensbeschouwing, rechten van weduwen en weduwnaars, van wezen en andere nabestaanden, maar ook die van kinderen uit niet-functionerende gezinnen, of uit die van gescheiden mensen, rechten van gescheiden mensen zelf of van mensen zonder levensverbintenis.

Religies en levensbeschouwingen zullen aan de verbintenissen altijd hun eigen hiërarchie van waarden mogen blijven toekennen. Die hiërarchie hoeft de staat niet te ontkennen en ook niet te bevestigen. Van belang is dat de religies de noodzaak van de eigen regelende bevoegdheid van de staat blijven erkennen.

De staat moet er, nogmaals, voor zorgen dat de diverse samenlevingsvormen zo goed mogelijk tot hun recht komen en beschermd zijn. De vraag is uiteraard of dat ook geldt voor die doodenkele moslim die openlijk een tweede vrouw onderhoudt.

Gied ten Berge is socioloog en theoloog. Hij werkte lang voor het Interkerkelijk Vredesberaad en Pax Christi. Dit essay berust op een vergelijkend onderzoek naar de bronnen en belevingen van het huwelijk.

Burgerlijk en homohuwelijk
Westerse staten kennen het burgerlijk huwelijk - maar Israël niet. De website van het Cidi meldt dat het huwelijk daar een 'etniciteitsprobleem' is. Joodse Israëliërs kunnen alleen in het buitenland met een niet-Joodse partner trouwen. Israël hanteert nog de Ottomaanse wetgeving waarin elke etnische groepering zelfstandig zijn privézaken regelde.

Het homohuwelijk is een heet hangijzer voor nogal wat religieuze groeperingen; niet alleen veel rabbijnen zijn ertegen, ook de dalai lama keurt het af, omdat homoseksualiteit 'een vorm van wangedrag' is. De rooms-katholieke kerk acht het in strijd met de ethische natuurwet, die seksualiteit niet los kan zien van de voorplanting. De kwalificatie 'huwelijk' voor een verbintenis tussen homo's is dan ook onbespreekbaar.

Historisch gezien is dat laatste merkwaardig. De Vroege Kerk kende de adelphopoia, levensovereenkomsten tussen twee mannen ('broeders'), waarvan zelfs kerkelijke liturgieën bewaard zijn gebleven. Rond 1400 konden in Frankrijk twee mannen bij de notaris een

sluiten, dat van hen een juridische eenheid maakte. In beide gevallen is niet vast te stellen of de relaties altijd puur spiritueel waren.

Slechts enkele landen stellen het huwelijk open voor homo's: Nederland (vanaf 2001), België (2003), Spanje (2005), Canada (2005), Zuid-Afrika (2006), Noorwegen (2009) en twee staten van de Verenigde Staten (in Californië is het homohuwelijk weer weggestemd).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden