Review

Geen Haagse zetbaas op de troon in Buitenzorg

Van Limburg Stirum, gouverneur-generaal in Nederlands- Indië, was geliefder bij de nationalisten dan bij zijn politieke bazen in Den Haag.

De laatste, wat weemoedige alinea van de biografie van John graaf van Limburg Stirum (1873-1948) vat het bijna 500 pagina’s tellende relaas samen: „Indië behoorde tot het verleden. In de diplomatie maakte stand plaats voor verdienste. Zijn levensstijl was uitzonderlijk geworden. Zijn tijd was voorbij. En hij wist het.”

Het leven en de tijd van deze ’tegendraads landvoogd en diplomaat’ in 26 woorden. Mooi! De wereld van gisteren. Maar er is meer. Het is zaak voorzichtig te zijn met geschiedschrijving die pretendeert ons iets te leren, maar Bob de Graaff en Elsbeth Locher-Scholten trekken in hun verhaal wel voorzichtig een paar lijnen door naar de tijd waarin Nederland met Indië geconfronteerd werd – naar ’het drama van de gemiste kansen’, zoals Jacques de Kadt de afwikkeling van de Indonesische revolutie tussen ’45 en ’49 karakteriseerde. De parallellen zijn duidelijk.

Van Stirum was het grootste deel van zijn actieve leven diplomaat op soms de wonderlijkste plaatsen. Dat zal de lezers van het boek niet ontgaan, maar dat alles zou toch zo’n indrukwekkend boek niet rechtvaardigen als die diplomatieke loopbaan van 1916 tot 1921 niet was onderbroken op ’de troon in Buitenzorg’, als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië dus. Bij zijn onverwachte benoeming in 1915 was hij gezant in Stockholm en de politieke outsider, die hij steeds is gebleven. Het was een benoeming op krediet, die hij dankte aan de vrijzinnig-democratische minister Pleyte in het kabinet-Cort van der Linden. De samenwerking na zijn aantreden in 1916 met Pleyte liep (de trage verbindingen in aanmerking genomen) goed. Maar toen in september 1918 het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck met Idenburg op koloniën aantrad, werden de verhoudingen een stuk stroever, want de geest van opkomende machtsfactor Colijn hing toen al boven de wateren.

De spanningen werden er niet beter op toen Idenburg in 1920 om gezondheidsredenen moest aftreden en Colijns vertrouweling De Graaff minister werd. Pleyte en Van Stirum – en in zekere zin ook Idenburg als gouverneur-generaal – hadden als politiek uitgangspunt genomen dat Nederland zijn aanwezigheid in Indië alleen kon legitimeren door de bevolking te ontwikkelen – een ’ethische politiek’, zoals dat in het toenmalig spraakgebruik heette. Tegelijk ontstonden zowel in Nederland als in Indië kringen, die zich ’realistisch’ noemden en het woord ’ethisch’ slechts meesmuilend gebruikten. En in Utrecht werd een tweede universitaire opleiding voor bestuursambtenaren (naast de Leidse opleiding) voorbereid.

Van dat alles, de spanningen die dat met zich bracht en hoe Van Stirum voorzichtig manoeuvrerend een eigen koers probeerde te houden, geven De Graaf en Locher uitvoerig verslag. Ook komen we te weten dat de schatrijke Van Stirum op eigen kosten het paleis en meubilair in Buitenzorg liet aanpassen, dat hij niet gemakkelijk was in de omgang en hooghartig kon zijn, maar ook heel gastvrij als dat uitkwam, hoe hij en zijn vrouw Nini hun reislust in de buitengewesten uitleefden, dat Van Stirum een trommel niet kon onderscheiden van een nachtegaal en Nini op het paleis een zondagschool leidde.

Allemaal mooi om te horen, maar voor de ontwikkelingen op langere termijn is het belangwekkend te weten dat Van Stirums populariteit bij de gematigde nationalisten zo was gestegen dat het blad van Sarekat Islam (Islamitische Vereniging) in mei 1920 een actie begon voor verlenging van zijn ambtstermijn. Uniek in de koloniale geschiedenis. De verhouding tussen de gouverneur-generaal en de minister had inmiddels het karakter gekregen van knisperend schuurpapier en bij het afscheid van Batavia kreeg Van Stirum niet het gebruikelijke grootkruis in de orde van de Nederlandse Leeuw, maar moest hij genoegen nemen met het commandeurschap. Toch is hij steeds op deze jaren blijven terugzien als his finest hour.

De hoofdstukken over het korte intermezzo van Van Stirum c.s. in de koloniale geschiedenis rechtvaardigen zo’n dik boek, maar het is onverstandig de andere hoofdstukken over zijn ervaringen als diplomaat (onder meer kritisch toeschouwer in Berlijn bij de opkomst van Hitler) over te slaan. Ze vormen met elkaar een doorsnede van de diplomatieke geschiedenis van de eerste veertig jaar van de vorige eeuw, al worden wel heel wat feiten in het perspectief van het aanstaande of afgesloten verblijf in Indië gezien. Maar het is boeiend opgeschreven en vrijzinnig genoeg om schrijvers als Couperus, Van Eeden, Van Oudshoorn of Henry James aan te halen als zij geschikt zijn een situatie te illustreren.

Knap is de wijze waarop de hoofdpersoon kritisch wordt geschetst in zijn soms tegenstrijdige reacties en houdingen. Dat is vooral zo knap omdat de schrijvers het moesten doen zonder een particulier archief van de hoofdpersoon. Van Stirum was een ijverig brieven- en dagboekschrijver, maar hij had in zijn testament zijn erflaters en vrienden gevraagd alle particuliere stukken in hun bezit te vernietigen – een verzoek waaraan de meesten (helaas) hebben voldaan. Het schrikbeeld van elke serieuze biograaf.

De Graaff en Locher hebben in het laatste hoofdstuk ’Beheerst en bewogen’ geprobeerd een verklaring te vinden voor Van Stirums besluit. Het is een subjectief verslag van een speurtocht door het ongekende, de irrationele krochten van deze man. Het resultaat is een afgewogen en zelfstandig essay.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden