Review

Geen god om van te houden

' Verbijsterend moeilijk' noemt vertaler Schomakers de ' Metafysica' van de Griekse denker Aristoteles. Maar Aristoteles was geen denker die nodeloos moeilijk schreef, in die zin is hij helder als glas. Wie of wat heeft onze werkelijkheid ' veroorzaakt'? En moeten we dat ' eerste beginsel' - zeg maar: god - binnen of buiten onze werkelijkheid zoeken? Allebei!, zegt de 'Metafysica'.

Wie het allergrootste geluk wil ervaren moet filosoof worden, leert Aristoteles in zijn ' Ethica'. Na vergelijking met andere leefwijzen zet hij het beschouwelijke leven, de bios theorètikos, met voorsprong op de eerste plaats. Het geluk van dat leven bestaat in het verwerven en bezitten van kennis die geen enkel praktisch nut heeft en alleen omwille van zichzelf wordt gezocht.

Aristoteles noemt die kennis sof ia, ' wijsheid', het ware inzicht in de eerste beginselen van al het bestaande. Het zou ongerijmd zijn, schrijft hij, om politieke wetenschap of praktisch bruikbare kennis als de voortreffelijkste te beschouwen, want de mens is niet het beste wat de kosmos te bieden heeft. Het ware geluk vinden we pas als we het niveau van het menselijk leven overstijgen en ons op een hoger plan begeven, het plan van de eeuwigheid.

Aan die hoogste vorm van kennis heeft Aristoteles een apart boek gewijd, de ' Metafysica', dat nu voor de allereerste keer integraal in het Nederlands wordt vertaald. De eerste helft is onlangs verschenen, uitstekend verzorgd, met de Griekse tekst ernaast, een heldere inleiding en samenvatting bij elk hoofdstuk, en tal van verklarende eindnoten. Die laatste zullen we overigens pas volgend jaar kunnen lezen, want dan zal naar verwachting de uitgave compleet zijn.

De titel ' Metafysica' is na Aristoteles' dood aan zijn boek gegeven, en heeft zich vervolgens verzelfstandigd tot de aanduiding van een wijsgerige discipline. Aristoteles spreekt zelf nog van ' eerste filosofie'. Eeuwenlang werd de metafysica als de kern van de filosofie beschouwd, en werd aan haar belang en bestaansrecht niet of nauwelijks getwijfeld.

Nog in de 19de eeuw noemde Arthur Schopenhauer de mens een animal metaphysicum: we zijn behept met een ' metafysische behoefte', die ons doet vragen ' wat er achter de natuur steekt en wat haar mogelijk maakt'. Voor ons mensen is het bestaan van de wereld niet iets vanzelfsprekends. We verwonderen ons erover, en die verwondering is de moeder van de metafysica. Schopenhauer citeert Aristoteles, die al in het eerste hoofdstuk van zijn ' Metafysica' had opgemerkt dat het de verwondering is die mensen aanzet tot filosoferen.

In dat hoofdstuk laat Aristoteles ook zien dat die filosofie niet van alle tijden is. Het streven ' naar weten', dat alle mensen in aanleg bezitten, heeft zich pas in de loop van de geschiedenis ontwikkeld tot een behoefte aan wijsheid. Voor de mensheid aan de hoogste, zuiver theoretische vragen toekwam, moest zij eerst een enorme hoeveelheid kennis vergaren op technisch en praktisch gebied. De metafysica ontstond in een hoogontwikkelde, stedelijke beschaving, waarin sommigen genoeg vrije tijd hadden om zich aan zulke ' nutteloze' problemen te wijden. Aristoteles noemt de Egyptische priesterklasse als oudste voorbeeld. Vrije tijd was er ook volop in het Athene van de vierde eeuw v. Chr., waar de filosofie een ongekende bloei doormaakte. Aristoteles verbleef daar in totaal zo'n dertig jaar, eerst als leerling aan Plato's Academie, later als hoofd van zijn eigen school, het Lyceum. Evenals veel van zijn collega's bezat hij de nodige slaven die in zijn levensonderhoud voorzagen.

In een algemene, afzonderlijk verschenen inleiding tot de ' Metafysica' noemt Schomakers de metafysica ' een experimenteel, ingewikkeld, onnavolgbaar, en verbijsterend moeilijk werk' - niet meteen een kwalificatie die lezers zal aanmoedigen. Onleesbaar is het werk in elk geval niet, want Aristoteles was niet zo'n filosoof die met opzet duister schrijft, en de voorbeeldige vertaling leest heel soepel. Bovendien zijn hele stukken niet bijster moeilijk, zoals de delen waarin het gaat over beoefening van metafysica in het algemeen. Aristoteles was ook de eerste systematische theoreticus van het vak, en alleen al daarom is zijn ' Metafysica' een belangrijk en baanbrekend werk.

De moeilijkheid van het boek houdt vooral verband met de interpretatie van zijn eigen metafysica. Volgens veel moderne geleerden is de ' Metafysica' door Aristoteles nooit bedoeld als een samenhangend geheel, maar bestaat zij uit een aantal door anderen bijeengevoegde beschouwingen, uit verschillende perioden van zijn leven. In de vroegste zou hij nog onder invloed hebben gestaan van Plato en een ' transcendente' metafysica hebben aangehangen, waarin de eerste beginselen of oorzaken van de werkelijkheid buiten de werkelijkheid zelf worden gezocht (zoals Plato deed met zijn theorie van de eeuwige Vormen of Ideeën). Daarna zou hij zijn eigen, ' immanente' metafysica hebben ontwikkeld, volgens welke de eerste beginselen in de ons bekende Allebeiwerkelijkheid besloten liggen. Dat past bij het beeld van Aristoteles als een nuchter en wetenschappelijk denker, die de concrete, individuele zijnden (dingen en levende wezens) als de kern van de werkelijkheid beschouwt.

In zijn inleiding polemiseert Schomakers steeds weer tegen deze opvatting, en verdedigt hij het alternatief dat al door geleerden in de Oudheid was aangehangen: als boek vormt de ' Metafysica' wel degelijk een eenheid, wat betekent dat zijn metafysica zowel immanent als transcendent van aard is. Het probleem is dan hoe beide tendensen kunnen worden verenigd. Schomakers ontwikkelt een vernuftige interpretatie, met als uitgangspunt dat Aristoteles' eigenlijke thema de identiteit van de zijnden is. Deze identiteit wordt bepaald door de ' vorm', die bij Aristoteles zowel een individueel als een algemeen karakter heeft (Socrates is dit concrete individu, maar ook een ' mens' in algemene zin, een lid van de menselijke soort). Die laatste hoedanigheid zou dan ' een scheur in de horizon van de werkelijkheid' betekenen, omdat zij berust op een transcendent beginsel, namelijk ' de god', waarin alle individuele identiteiten tot een eenheid zijn versmolten.

De (in zijn eigen woorden) ' soms eigenzinnige' interpretatie van Schomakers is niet altijd makkelijk te volgen, en kan pas goed worden beoordeeld als de hele uitgave is verschenen, met noten en al. Misschien is het raadzaam om eerst maar eens, nog onbevangen, aan de ' Metafysica' zelf te beginnen. Schomakers heeft wat mij betreft in ieder geval gelijk dat de transcendente elementen niet zomaar kunnen worden weggepoetst. Eerste filosofie is bij Aristoteles ook theologie, en anders dan de traditionele Olympische goden is zijn god eeuwig en niet van deze wereld.

Als Aristoteles' god, het eerste beginsel van de wereld, inderdaad ' zonder ophouden over de identiteit van de zijnden waakt', zoals Schomakers meent, betekent dat zeker niet dat hij zich ook maar enigszins om het bestaan en welzijn van de individuele zijnden bekommert, laat staan om hun welzijn. Deze god is een volstrekt onpersoonlijke instantie, die zich volstrekt niet interesseert voor of bemoeit met het wel en wee van de mensen. Het is geen god om van te houden of te aanbidden. Hij is volstrekt in zichzelf gekeerd: zijn enige activiteit is denken, denken over zichzelf als volmaakt denkend wezen. Daardoor geniet hij voortdurend het hoogste geluk dat Aristoteles zich voor kan stellen, een geluk dat filosofen slechts af en toe kunnen smaken, omdat de beslommeringen van het mensenleven het nu eenmaal onmogelijk maken altijd alleen maar aan de eerste beginselen te denken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden