Geen 'gehij-g en gezij-k' in het papieren pantheon van Nederland

J. Charité en A. J. C. M. Gabriëls (eindred.): Biografisch Woordenboek van Nederland, deel IV. Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Den Haag; geb., 602 blz. - ¿ 78 (na 31 december ¿ 92).

Misschien schrikt het label 'wetenschappelijk' dat het BWN siert, menigeen af. Ten onrechte dan. De accuratesse waartoe dit etiket de 155 medewerkers aan deel IV heeft verplicht, blijkt vaak te verenigen met een portretkunst die ook genietbaar is voor liefhebbers van beschaafde humor en ironie. Zo concludeert de historicus I. Schöffer, het 'ongeregelde liefdeleven' van Ko van Dijk overziende, dat dit 'bij het ouder worden op een andere manier even pijnlijk' werd als de naweeën van de heupoperatie waaraan de toneelspeler zich in 1969 moest onderwerpen. Een andere historicus, A. Th. van Deursen, tekent in zijn biografie van J. J. Poelhekke met treffend esprit het klimaat aan 's lands grootste katholieke universiteit in de jaren zestig: 'Wie zich (als staflid) wilde handhaven, moest iets geleerd hebben van Marx of van Machiavelli'. Van Johan Been, auteur van ettelijke op zee spelende jongensboeken, is nu voorgoed vastgelegd dat zijn watervrees hem zelfs belette in een roeiboot scheep te gaan; en van de kleine voetballer Puck van Heel, dat hij minder kopduels zou hebben gewonnen, als hij zich niet zo straffeloos op de schouders van tegenstanders had kunnen afzetten.

Deze voorbeelden illustreren tevens dat de entree tot het BWN niet is voorbehouden aan stoffige geleerden en politici. Deel IV loopt van Chr. F. van Abkoude, die 'Pietje Bell' in zijn vaderland schreef maar alle vervolgdelen in de Verenigde Staten, tot Th. H .J. Zwartkruis, de betreurde voorganger van bisschop Bomers. Je komt er de politici Berghuis, Burger, Klompé, Den Uyl en Wttewaall van Stoetwegen in tegen, de filosoof Dooyeweerd en de bankier Holtrop, maar ook Simon Carmiggelt, Max Euwe, Boy Edgar, Jacques Gans, Johnny Jordaan, Abe Lenstra, Pieter Menten, Cornelis Verolme en de geestelijke vader van Kapitein Rob, Pieter Kuhn genaamd.

Te beweren dat de overheid kosten noch moeite spaart voor het nationale monument dat BWN heet, zou overdreven zijn. De dagelijkse leiding en de coördinatie van het project berusten bij één full-timer, dr. A. J. C. M. Gabriëls, terzijde gestaan door één assistente in deeltijd. Gabriëls is zowel eindredacteur als secretaris van de redactiecommissie, die voorgezeten wordt door de Leidse hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis I. Schöffer.

Het BWN is opgezet als vervolg op het tiendelige 'Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek' (1911-1937). Dit beschrijft Nederlanders van uiteenlopende betekenis die vóór 1910 zijn overleden. De eerste, gebrekkige bouwstenen voor het BWN - vertelt Gabriëls in zijn bureau in de Koninklijke Bibliotheek - dateren van kort na de oorlog, maar pas in de jaren zeventig, toen Schöffer zich ervoor ging inzetten, kwam het 'papieren pantheon' echt van de grond. De eerste drie delen - samen 1326 levensschetsen omvattend - verschenen in 1979, 1985 en 1989.

Geschikt voor opname zijn, volgens deel I, personen die 'een rol van enige betekenis voor Nederland hebben gespeeld'. Hoe elastisch dit criterium is, bewijst in deel IV bijvoorbeeld het artikel over de taalkundige W. J. H. Caron, wiens wetenschappelijke verdiensten volgens zijn biograaf nauwelijks de perken te buiten gingen van zijn 'meestal niet voor iedereen boeiende' onderwijs aan de VU. Na een aanvankelijk ruimere afbakening is de periode waarin de geportretteerden hun talenten moeten hebben ontplooid, begrensd tot de 20e en de tweede helft van de 19e eeuw. Deze maatstaf wordt evenmin pietluttig gehanteerd. Tot deel IV is ook de in 1850 overleden secretaris van Willem I, E. W. Hofmann, toegelaten.

Zoals dit voorbeeld al doet vermoeden, bestrijkt elke - alfabetisch geordende - aflevering van het BWN in principe het hele tijdvak waarop de redactie zich richt; een cumulatieve index achterin houdt de boel toch overzichtelijk. In het jongste deel figureren bijvoorbeeld minister K. A. de Beaufort (1921), Marinus van der Lubbe (1934), SGP-voorman G. H. Kersten (1948), de drummer Wessel Ilcken (1957), W. G. van de Hulst (1963), H. A. M. van Randwijk en J. Waterink (beiden 1966), evenals de wielrenner J. M. Cordang, onopgemerkt gestorven in 1942 en bijna twintig jaar later, toen een naamgenoot was overleden, per abuis alsnog in de kranten herdacht.

De gevarieerde bevolking van het BWN vertoont nog opmerkelijke lacunes. Tot dusverre niet beschreven zijn (het is maar een subjectieve bloemlezing): Alfrink, A. H. Gerhard, Suzanne Groeneweg (het eerste vrouwelijke Tweede-Kamerlid), Frans Halsema, Joh. de Heer, Greet Hofman, Hendrik Kraemer, G. van der Leeuw, K. H. Miskotte, Max Tailleur, G. M.J. Veldkamp en K. Voskuil. Hieraan is niet zozeer willekeur debet - legt Gabriëls uit - als wel de beperkte actieradius van een redactie die niet over dwangmiddelen beschikt, aangewezen is op de medewerking van deskundige én schrijfvaardige vrijwilligers en daar slechts 'een bescheiden eregeld' tegenover kan stellen.

De vruchtbaarste toeleverancier van deel IV is de Friese leraar W. Slagter (met 12 lemmata), op de voet gevolgd door o. a. redactievoorzitter Schöffer (11), die in pakkend proza een gemengd gezelschap neerzet, dat varieert van Menten tot Van Randwijk en van Fabricius tot Marja.

Niet iedereen die als ogenschijnlijk bruikbare kracht zich aanmeldt, of wordt aangezocht, blijkt bij nader inzien te kunnen voldoen aan de eis, 'een goed geschreven (. . .) en persoonlijk getinte mini-biografie' te produceren. Soms klaart Gabriëls het karwei dan zelf maar. Veel tijd wordt hem daar niet voor gelaten, zoals iedereen zich kan voorstellen, die weet heeft van de doorgaans onevenwichtige mengeling van lusten en lasten waartegen de eindredacteur van een standaardwerk zich bestand moet tonen. Voor alle biografieën verzamelt Gabriëls de genealogische gegevens, hij voert overleg met externe beoordelaars en (aspirant-)medewerkers, bekijkt - evenals Schöffer - alle bijdragen, verifieert boektitels en citaten en stuit daarbij soms op 'onvoorstelbare sloddervosserij'.

Hij werkt bovendien stilistische oneffenheden weg, met strenge hand. 'Ge-hij-g en ge-zij-k' (redactioneel jargon voor een veelvuldig gebruik van de voornaamwoorden zij en hij) wordt niet geaccepteerd. Onder de ongewensten vreemdelingen in zijn Nederlands vallen ook zich realiseren en resulteren in, al mag het bijvoeglijk gebruik van herhaaldelijk ('Kuhns herhaaldelijke voorstellen') weer wèl.

Het BWN is een woordenboek voor Nederland, maar belicht niet alleen Nederlanders. Zo beschrijft deel IV de Belgen Jean Desmet en Raoul Hynckes, hier te lande respectievelijk bioscoopexploitant en schilder. Overwogen wordt, in volgende delen ook niet-Europeanen als Hatta en Pengel op te nemen, die naam hebben gemaakt in wat eens overzeese gebiedsdelen waren. En Duitsers die hier een halve eeuw geleden hebben huisgehouden? “Die kwestie speelt nog binnen de redactiecomissie”, zegt de eindredacteur. “Ik heb weleens gepolst of men daarover wil schrijven, maar men was er niet erg genegen toe.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden