Geen dier zo ondierlijk als de spons

Naar aanleiding van de vondst van een 350 miljoen jaar oude fossiele bekerspons in een stoep in Utrecht die in mijn boek over stadsfossielen werd vermeld en waar ook Koos Dijksterhuis maandag over schreef, ontdekte botanicus en filosoof Norbert Peeters een tweede exemplaar, en wel in de stoep van het studentencentrum Plexus aan de Keizerstraat 25 in Leiden. Daarmee staat de teller voorlopig op twee exemplaren van de zeldzame Asteractinella, zoals deze bekerspons officieel heet. Het dier had de vorm van een vaas met dikke poreuze wanden en verticale ribbels op de buitenkant. Deze vorm is enigszins te vergelijken met de beroemde designvaas van Alvar Aalto, of met een tafelkleed dat van een rond tafeltje naar beneden hangt (en dan uiteraard omgekeerd), zodat je op doorsnede een bizar gekronkelde ronde vorm ziet. Maar nog vreemder dan de vorm en de zeldzaamheid van deze fossielen is wel het feit dat vrijwel identieke bekersponzen nog altijd leven. Ze heten weliswaar anders, maar de overeenkomst is onmiskenbaar. Je moet ervoor naar het Caribisch gebied, waar de dieren het uitstekend schijnen te doen en zelfs in aantal toenemen. Ten koste van het koraal, dat wel.

Geen dieren zijn zo ondierlijk als sponzen. Ze worden onder de dieren gerangschikt, maar staan aan de stamboom van het totale dierenrijk helemaal onderaan. Als je langs de stam afdaalt, kom je eerst bij de schimmels terecht - wat geen dieren zijn maar ook geen planten - dan bij de planten en daarna bij de eencelligen. Je zou er zelfs een aardige discussie over kunnen opzetten of sponzen in veel gevallen niet een kolonie eencelligen zijn, allemaal losse cellen die met zijn allen in een zelfgebouwde structuur van kiezel, kalk of een hard eiwit leven. Er zijn geen organen. Sponzen bezitten geen zenuwstelsel, geen bloedvaten, geen darmkanaal, geen spieren en ook verder niets dat wij normaliter aan dieren toedichten. De eerste de beste zeeanemoon zit vele malen gecompliceerder in elkaar. De bouw van een spons is in principe een steigerwerk dat een centrale holte omsluit; het lijkt dikwijls op een vaas of een beker. De spons is opgebouwd uit microscopisch kleine stangetjes, sterretjes, naaldjes, draden, sliertjes of buisjes. In dit steigerwerk zitten de sponscellen, die zorgdragen voor de basale functies van eten en voortplanten. Daartoe wordt een permanente waterstroom in stand gehouden, waarbij het water door openingetjes in het steigerwerk naar binnen stroomt, en via het gat aan de bovenkant van de vaas weer naar buiten. Een soort schoorsteenwerking.

De vaas of beker kan piepklein zijn of kolossaal groot. Hij kan ook helemaal platgeslagen zijn tot een platte sponsplak die op het substraat groeit, of tamelijk vormeloos zoals de bekende badspons uit de Egeïsche Zee. Er zijn bekersponzen van meer dan een meter hoogte bekend, zoals de grote Xenospongia muta uit de Cariben. Bij deze soort is de dikke beker aan de buitenkant vaak geribbeld, waardoor hij in zekere zin veel lijkt op de (kleinere) fossiele Asteractinella die op doorsnede met zijn grote lobbige ribbels zo'n opvallende verschijning is.

Jelle Reumer is paleontoloog

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden