Geen 'bevel van Allah' in Koran

De auteur is voorlichter voor de Gereformeerde kerken betreffende de ontmoeting met moslims in Nederland.

DR. JAN SLOMP

Er leven in Saoedi-Arabie ettelijke honderdduizenden buitenlanders met een ander geloof dan de islam, voor het grootste deel christelijke 'gastarbeiders' uit de Filippijnen, die op geen enkele manier mogen laten merken dat ze dat andere geloof belijden. Niemand kan natuurlijk beletten dat ze binnenshuis bijbellezen en bidden, of misschien wel eens mis lezen of het avondmaal vieren. Maar in het openbaar mag daarvan niets te merken zijn. En er mogen zeker geen christelijke kerken worden gebouwd.

Vanwaar deze compromisloze houding? Het antwoord van de Saoedische autoriteiten luidt steevast dat het verbod van kerken teruggaat op 'een bevel van Allah'. De Saoedische minister voor informatie Ali Ben Hassan as Shair liet zich in augustus nog eens nadrukkelijk in die zin uit in het Franse dagblad Le

Figaro.

Dit antwoord is op de keper beschouwd niet correct. Als het om een bevel of verbod van Allah zou gaan, zou het in de Koran te vinden moeten zijn. Dat laatste is niet het geval. Mij is ook geen Koranvers bekend waaruit een dergelijk verbod kan worden afgeleid. Een van de teksten die soms in dit verband wordt genoemd (Soera 9,6-8) gaat over polythesten, niet over christenen. Wel zijn enkele uitspraken van de profeet Mohammed overgeleverd met de strekking dat er op het Arabisch schiereiland geen plaats is voor twee (elkaar beconcurrerende) religies.

Tradities

Om precies te weten wat de redenen voor het Saoedische verbod op kerkbouw zijn, zullen we de daar levende tradities moeten onderzoeken en de commentaren waarop geleerden in het Saoedische koninkrijk zich beroepen. Het is daarbij goed om te weten dat SaoediArabie de strengste van de vier soennitische wetsscholen volgt nl. de Hanbalitische. Binnen die school van Ahmad ibn Hanbal (780-855) volgt men weer de strenge richting van de Wahhabieten. Die richting laat weinig ruimte voor nieuwe interpretaties van oude voorschriften.

Voor ik de vraag bespreek of de zaak inderdaad zo muurvast zit als genoemde minister ons wil doen geloven, is het goed te stellen dat Saoedi-Arabie in dit opzicht een uniek geval vertegenwoordigt. Het betreft niet zo maar een van de ongeveer 50 landen met een moslim meerderheid, maar het hartland van de islam bij uitstek, het geboorteland en arbeidsterrein van de profeet Mohammed. Voor de moslims dus net zo bijzonder als Israel voor de joden.

In op een na alle andere moslimlanden bestaan er wel kerken, die als het om islamitische staten gaat bescherming genieten volgens Koranische voorschriften, die vastgelegd zijn in contracten en uitgewerkt in de islamitische wet. Dat is in ieder geval de theorie; ik laat nu even buiten beschouwing of men zich altijd aan die regels houdt.

Slechts een ander moslimland, Afghanistan, staat geen kerken en geen zendelingen toe. Wel werken er christelijke hulporganisaties. In hun pogingen het land religieus homogeen te houden verschilden de Afghani's niet van Franco's Spanje dat alleen de katholieke kerk erkende (waartegen de katholieke kerk toen ook nauwelijks heeft geprotesteerd).

Maar Saoedi-Arabie is, zoals gezegd, het hartland van de islam. Het zal daarom ook niemand verwonderen dat telkens wanneer met fondsen uit Saoedi-Arabie in een westerse stad een fraaie, opvallende moskee klaar komt, juist aan dit land de vraag voorgelegd wordt om nog eens grondig na te gaan of het niet mogelijk is alle traditieteksten en uitspraken van moslim-wetgeleerden diepgaand te bestuderen om te zien of een andere, meer vrijheid voor christenen mogelijk makende uitleg toegestaan is.

Het is ook begrijpelijk dat zolang moslim-geleerden zelf nog niet met dit kritisch bronnenonderzoek bezig zijn, christelijke geleerden zelf al aan de slag gaan. Een van hen is dr. Andre Ferre, de vroegere directeur van het Pauselijk instituut voor Arabische en Islamitische studien te Rome. Hij is al jaren de hoofdredacteur van Etudes Arabes, een blad dat Arabische teksten met Franse of Engelse vertaling uitgeeft.

Dr. Ferre heeft in 1990 een uitvoerige studie over de vraag of de profeet Mohammed inderdaad joden en christenen uitgesloten heeft uit Arabie, gepubliceerd in het jaarboek voor islamstudie Islamochristiana. Ik ontleen voor het vervolg van deze bijdrage enkele gegevens aan deze uitvoerige studie.

Volgens een oude traditie die door de beroemde gezaghebbende Bukhari wordt meegedeeld, zou de profeet op zijn sterfbed, in feite vlak voor zijn dood, nog drie belangrijke opdrachten hebben gegeven, waarvan de eerste twee luidden: 'Verdrijf de polythesten uit het Arabisch schiereiland' en 'Geef aan de gezantschappen geschenken zoals ik (Mohammed) heb gedaan'. De derde opdracht weet Bukhari niet meer mee te delen.

Aangezien Bukhari de meest kritische overleveraar is, hij zou van elke twee in zijn tijd in omloop zijnde tradities er slechts een voor authentiek hebben gehouden, is het heel waarschijnlijk dat de vorm waarin deze traditie via Bukhari is overgeleverd de meest betrouwbare is. Met andere woorden: het gaat helemaal niet om joden of christenen maar om polythesten.

Dr. Ferre heeft nog negen varianten gevonden van deze traditie. Ik noem er een paar:

(1) 'Ik (de profeet) zal de joden en de christenen uit het schiereiland Arabie verdrijven.' Het is heel onwaarschijnlijk dat Mohammed dat vlak voor zijn dood nog heeft gezegd, omdat hij met de christenen van Najran datzelfde jaar nog een contract had afgesloten dat hun godsdienstvrijheid garandeerde. Ook aan de joden van Haibar zegde hij kort daarvoor bescherming toe. Beide toezeggingen werden door kalief Abu Bakr gehandhaafd.

(2). Enkele malen wordt de traditie overgeleverd als zou de profeet gezegd hebben, dat er geen twee religies op het land van de Arabieren mogen blijven; of: 'Er is geen plaats voor twee qiblas (gebedsrichtingen) in het zelfde land.' Wie vormen de tweede religie? Als het om joden en christenen zou gaan, zou er dan niet hebben moeten staan: drie religies?

Nu is bekend dat kalief Oemar de christenen van Najran en de joden uit Khaibar inderdaad verbannen heeft. Wilde hij zijn handelwijze rechtvaardigen door zich te beroepen op de laatste wil van de profeet? Het is namelijk wel opvallend dat enkele varianten van de genoemde tradities teruggaan op kalief Oemar zelf en zegslieden uit zijn omgeving.

Maar andere historische bronnen noemen als redenen voor de verbanning van de christenen uit Najran, dat ze zich niet zouden hebben gehouden aan de bepalingen van het contract dat de profeet met hen had gemaakt. Ze zouden woekerrente hebben genomen, zich te snel vermenigvuldigen en militair te machtig zijn geworden. Deze bijkomende redenen moeten wel de doorslag hebben gegeven, omdat ook van Oemar gezegd wordt dat hij als regel de verdragen die de profeet met joden en christenen had gesloten, respecteerde. Wellicht zag Oemar hen als een mogelijke bedreiging 'thuis', terwijl zijn legers naar oost, west en noord uitzwermden.

Grenzen

Dr. Ferre wijst er ook op dat de verschillende auteurs het niet eens zijn over de grenzen van het gebied waarop het verbod betrekking heeft. Ging het alleen om de heilige steden Mekka en Medina? Hoorde Jemen er bij? Men zou denken van niet, omdat tot het ontstaan van de staat Israel joden in Jemen hebben gewoond.

Het is ook mogelijk dat de term 'polythesten' geleidelijk ook christenen ging insluiten omdat die volgens de populaire opvatting 'in drie goden' geloofden.

Dr. Ferre besluit zijn studie met een citaat uit een publikatie van Ibn Qayyim al-Gawzaiyya, de leerling van Ibn Taimiyya (gest. 1328), die steeds geciteerd wordt als de geestelijke vader van de hedendaagse fundamentalisten. Beiden behoren tot de Hanbalitische wetsschool, die in Saoedie-Arabie gevolgd wordt.

Volgens de discipelen van Imam Ahmad ibn Hanbal, aldus deze zegsman, worden christenen niet uitgesloten van Tayma, Fayd en Najran (de eens christelijke stad), hoewel die steden behoren tot het schiereiland. Ze mogen het heilig territorium echter alleen binnen treden met machtiging van een moslim, maar niet Mekka zelf. Voor Medina zijn de regels minder streng, want de profeet heeft indertijd zelf een delegatie christenen daar ontvangen en toegestaan in zijn moskee te bidden. Tot zover Ibn Qayyim.

Het intellectuele debat dat in de regel aan het politieke vooraf gaat, moet uiteraard door moslims worden gevoerd. Met het bovenstaande heb ik proberen aan te tonen dat er voor zo'n debat voldoende discussiemateriaal aanwezig is. Met name christenen zijn geinteresseerd in de afloop. Een goede afloop zal tot eer strekken van de verdraagzaamheid van de islam en de door deze religie beleden en voorgeschreven vrijheid van godsdienst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden