Geen belegger hoeft te twijfelen over kwestie-Israël

Het internationaal recht en de VN zijn duidelijk genoeg

Het papier is geduldig. Zo gaan veel grote Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en banken om met de mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden. De beleggers onderschrijven allerlei richtlijnen en principes op het gebied van mensenrechten. Maar bij de kwestie-Israël komen die niet uit de bureaulade. De reden: dit is politiek en beleggers gaan niet over politiek.

Dat zien ze verkeerd, stelt de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling in een onderzoek onder grote beleggers. Ze hoeven helemaal geen politiek te bedrijven om toch een afweging te kunnen maken.

Om te beginnen is daar het internationaal recht. De nederzettingen van Joodse kolonisten in de bezette gebieden, de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever zijn volgens een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof uit 2004 illegaal. Die zienswijze wordt gedeeld door de Europese Unie en daarmee ook door Nederland.

Dat betekent concreet dat Nederland zaken doen met bedrijven in de bezette gebieden 'ontmoedigt'. Ofwel: Nederland raadt het af en doet geen enkele moeite om ondernemers daar te helpen. Een verbod is het niet, ondernemers en beleggers zijn zelf verantwoordelijk. De politieke gevoeligheid van alleen dit beleid al, bleek gisteren weer eens in de Tweede Kamer. Minister Timmermans van buitenlandse zaken werd door de ChristenUnie hard aan de tand gevoeld over het besluit van waterbedrijf Vitens in december om zich uit een project in de bezette gebieden terug te trekken. Hadden ambtenaren daar bij Vitens op aangedrongen, vroeg Joël Voordewind. De geïrriteerde bewindsman antwoordde dat hij nu "voor de vijftigste keer" meldde dat dat niet zo was.

Bedrijven en beleggers hebben die ambtenaren ook helemaal niet nodig om hierover een besluit te kunnen nemen. De Oeso, de club van rijke landen, heeft al sinds 1976 richtlijnen voor internationaal ondernemen. In 2011 zijn die aangescherpt. Dat betekent dat bedrijven mensenrechten, zoals vormgegeven in het internationale recht, moeten respecteren. Waterbedrijf Vitens heeft daar de conclusie uit getrokken dat het niet langer samen wilde werken met het Israëlische bedrijf Mekorot. De watertechnologie zou ook de, illegale, nederzettingen ten goede komen.

De Oeso-richtlijnen zijn niet vrijblijvend. Nederland en vele andere landen hebben ze ondertekend. Er is een orgaan, het Nationaal Contactpunt, waar bedrijven aangeklaagd kunnen worden als ze zich niet aan de richtlijnen houden.

Nederland probeert bovendien voorop te lopen met de uitwerking van de regels. Eind december presenteerde minister Ploumen van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking trots het 'Nationaal actieplan mensenrechten en bedrijfsleven', met de ondertitel 'knowing and showing'. Volgens Ploumen is Nederland het tweede land in de wereld, na Groot-Brittannië, met zo'n aanpak.

Maar er is nog meer. De Verenigde Naties hebben in 2004 de Global Compact opgesteld, tien regels voor verantwoord ondernemen. Die zijn ondertekend door 10.000 bedrijven uit 130 landen. Ook daarin wordt verwezen naar internationaal aanvaarde uitspraken over de mensenrechten. En dan zijn er de Principles for Responsible Investment, een samenwerking tussen de VN en wereldwijde beleggers, gelanceerd in 2006. Die moeten bijdragen aan een verantwoorde, financiële sector.

Er is dus steeds meer houvast voor duurzaam internationaal ondernemen. Voor Vitens, maar ook voor ingenieursbureau Royal Haskoning DHV en pensioenbelegger PGGM leverden al die richtlijnen genoeg basis om zich terug te trekken uit de bezette gebieden. Ook buiten Nederland is de discussie opgelaaid, Noorse, Zweedse en Deense beleggers hebben kapitaal weggehaald.

Maar voor veel grote Nederlandse beleggers is het nog theorie. Uit een enquête van de VBDO blijkt dat, als het gaat om investeringen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, die richtlijnen niet gebruikt worden. En als ze toch een bedrijf op de zwarte lijst zetten, mijden ze doorgaans de publiciteit.

Belangen grote Nederlandse beleggers
Zeker dertien grote Nederlandse beleggers hebben geld geïnvesteerd in het Franse vervoersbedrijf Veolia. De Israëlische tak daarvan is sinds 2011 betrokken bij de tramlijn die het westen van Jeruzalem verbindt met de nederzettingen rond het bezette Oost-Jeruzalem. Palestijns land is in gebruik genomen voor de tramlijn. Twee beleggers hebben Veolia op de uitsluitingslijst staan, steken er dus geen geld meer in.

Minstens dertien Nederlandse beleggers hebben een belang in het Duitse Heidelberg Cement. Dat heeft sinds 2007 via een dochterbedrijf een vestiging in de Israëlische nederzettingen, om cement en asfalt te produceren. Op kritiek reageert het bedrijf met de verklaring dat het zich houdt aan Israëlische wetgeving.

Zeker twaalf grote Nederlandse beleggers hebben kapitaal zitten in het Brits-Deense veiligheidsbedrijf G4S. De Israëlische tak daarvan voorziet in elektronische uitrusting voor controles bij de doorgangen naar Gaza. Het bedrijf beveiligt Israëlische ondernemers in de bezette gebieden, gevangenissen waar Palestijnse politieke gevangen worden opgesloten en levert apparatuur aan de politie in de nederzettingen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden