Geen belastingplicht maar belastingvrijdom voor Willem I

Een langen tijd zijn er privilegiën voor den adelstand, voor de geestelijkheid in grote achting geweest, zoodat de aanzienlijkste en vermogendste ingezetenen niets opbrachten in diezelfde belastingen, waaronder het gros der natie en de nijvere werkman verpletterd werden." Gijsbert Karel van Hogendorp liet er in een toelichting op de mede door hem ontworpen grondwet van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden geen twijfel over bestaan: dat onrecht zou nu tot het verleden behoren.

De staat met een Oranje als soeverein betekende na decennia van Bataafse Republiek en Frans bewind een terugkeer naar de oude orde, maar het revolutionaire streven naar gelijkheid was niet helemaal weggevaagd. De grondwet beloofde zeggenschap aan het volk over de fiscale druk. Belasting zou er slechts komen "met instemming van hen die verplicht is haar op te brengen".

De beoogde koning Willem I stemde in met de belastingplicht voor hem en zijn familie. Het had het begin van een heel andere wetshistorie kunnen zijn. Het kabinet-De Jong (1967-1971) had niet alsnog wat fiscale verplichtingen voor de Oranjes hoeven scheppen. Koningin Juliana had geen compensatie bedongen voor zichzelf, haar dochter, haar kleinzoon en hun naasten. 'RTL Nieuws' had naar andere onthullingen moeten zoeken.

Maar in plaats van een belastingplicht kwam er in 1815 belastingvrijdom voor koning Willem I. Dat had hij vooral te danken aan de lobby van de Oranjegezinde Apollonius baron Lampsins. Die zat net als Van Hogendorp in de grondwetscommissie. De Amsterdamse regent wees erop dat ook de stadhouders waren vrijgesteld van belastingen.

In de definitieve grondwet genoten de Oranjes uiteindelijk vergelijkbare privileges. Over hun inkomsten hoefden ze geen enkele belasting te betalen. Aan verponding, een soort grond- en onroerendezaakbelasting, ontkwamen ze niet, al werden ze alleen aangeslagen voor bezittingen die ze zelf niet gebruikten of bewoonden.

Over de hoogte van het koninklijke inkomen schreef Van Hogendorp in de schets voor de grondwet: "De Koning trekt jaarlijks uit de gereedste penningen van 's Lands kas een miljoen guldens, om den luister van de kroon op te houden." Uiteindelijk werd dat 1,5 miljoen gulden. Toen duidelijk werd dat ook de Zuidelijke Nederlanden onder het bewind van Willem I zouden komen te vallen, volgde een verdere verhoging tot 2,4 miljoen gulden. Van Hogendorp vond dat een wel erg hoge vergoeding. "Ik kan niet nalaten op te merken hoe ruim de Prins en zijn Huis door de Natie bedeeld zijn."

Koning Willem I waande zich ondertussen pater familias van het grote gezin Nederland. Bij die taakopvatting hoorde de zeggenschap over de nationale huishoudportemonnee. Het parlement kwam er wat betreft begrotingen en belastingen nauwelijks aan te pas. Staat en privé liepen vaak naadloos in elkaar over.

Na een kwarteeuw regeren had hij de overheidsfinanciën zo in het honderd laten lopen dat de Staten-Generaal - met moeite - meer inspraak wist te bevechten. De koning beschouwde het als een nederlaag bovenop de in 1839 definitief geworden Belgische afscheiding en de brede weerstand tegen zijn voorgenomen tweede huwelijk met een katholieke hofdame. Willem I deed afstand van de troon.

In het tumultueuze jaar 1848 gaf zijn zoon Willem II, bang voor een revolutie, nog meer ruimte aan het parlement. Bij de discussie over Thorbeckes nieuwe grondwet kwam ook de belastingvrijdom ter sprake. Veel veranderde er echter niet. Wel werd de vrijstelling beperkt tot de koning en zijn beoogde opvolger, de prins van Oranje, de latere koning Willem III. En het koninklijke inkomen werd verlaagd van 1,5 miljoen (de hoogte na de Belgische afscheiding) naar 1 miljoen gulden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden