Gedreven maker van grootse tentoonstellingen

Afgelopen weekeinde overleed plotseling op 72-jarige leeftijd Wim Beeren. Hij was van 1985 tot 1993 directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Daarvoor gaf hij zeven jaar leiding aan Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Als directeur wist Beeren met een inhoudelijk goed gefundeerd programma een groot publiek te trekken. In het Stedelijk Museum waren exposities als 'De Grote Utopie' over de Russische avant-garde uit het begin van de twintigste eeuw en grote overzichten van Kasimir Malevich, Oscar Schlemmer, Frank Stella en Anselm Kiefer zijn belangrijkste wapenfeiten. In Rotterdam scoorde hij met 'Meesterwerken uit de Hermitage' en 'Het goud van de Thraciërs'.

De overstap van Wim Beeren naar het Stedelijk Museum in Amsterdam verliep in 1985 niet vlekkeloos. Beeren werd pas benoemd als opvolger van Edy de Wilde na een heftige tweestrijd met Rudi Fuchs (de huidige directeur van het Stedelijk), die de kunstwereld in twee kampen verdeelde. Het gevolg daarvan was dat Beeren met elke tentoonstelling opnieuw moest bewijzen geen tussenpaus te zijn. Kritiek bleef ook toen niet achterwege.

Ook zijn tegenstanders konden echter niet om belangrijke initiatieven heen, zoals het naar Nederland halen van 'De Grote Utopie', een majestueus overzicht georganiseerd door musea in Rusland, New York en Frankfurt. Beeren kon de expositie snel overnemen door zijn goede contacten in de voormalige Sovjet-Unie. Onder meer het werken aan de Malevich-tentoonstelling had daaraan bijgedragen. Zeven jaar geleden zei hij in het Utrechts Nieuwsblad ter gelegenheid van zijn afscheid van het Stedelijk over de expositie: ,,Ik denk dat 'De Grote Utopie' ervoor zal zorgen, dat de kunstgeschiedenis voor een deel herschreven zal moeten worden. Tot nu toe hebben die Russen er nogal buiten gestaan.''

Wim Beeren werd in 1928 geboren in het Belgische Saint-Josse-ten-Noode en studeerde kunstgeschiedenis en archeologie in Nijmegen. Hij had tijdens zijn directeurschappen veel aandacht voor de grote namen en stromingen uit de kunsthistorie, maar volgde ook de jonge kunst op de voet. In Boijmans bracht hij al vroeg kunstenaars als Jean-Michel Basquiat en Sigmar Polke onder de aandacht. In het Stedelijk toonde hij uitgebreid het werk van jonge talenten als Keith Haring en Jeff Koons. Daarnaast verkende hij de actuele kunst in geografische gebieden als New York ('Horn of Plenty'), Zuid-Amerika ('U-ABC'), de Sovjet-Unie voor en na de val van de muur ('USSR en daarbuiten'), Europa ('Uit het Oude Europa' en 'Wanderlieder') en Nederland ('Een Grote Activiteit').

Het directoraat van Beeren in het Stedelijk Museum werd gekenmerkt door een overvloed aan tentoonstellingen. Grote en kleine retrospectieven, omvangrijke thematentoonstellingen en ambitieuze projecten. Zo'n ambitieus project was de expositie 'Energieen', uit 1990. Daarin figureerden niet alleen beeldend kunstenaars, maar ook een theatermaker, een vormgever, een architect en een modeontwerper. 'Energieën' toonde aan dat Beeren een brede blik op het culturele veld had. Als tentoonstellingsmaker zocht Beeren vaker een brede context op. Hij bedde het werk van kunstenaars graag in in een groter geheel en signaleerde feilloos stroming, tendens of groep, al of niet geografisch gebonden.

Voordat hij directeur werd van het Stedelijk en Boijmans organiseerde hij reeds inmiddels roemrijk geworden exposities als 'Nieuwe realisten' in het Haags Gemeentemuseum (waar hij toen conservator was en de Pop Art in Nederland introduceerde), 'Op Losse Schroeven' in het Stedelijk Museum in Amsterdam (waar hij tussen 1965 en 1975 al als conservator werkte) en 'Sonsbeek buiten de perken', (een spectaculaire editie van de beeldhouwexpositie in 1971, waarbij door heel Nederland heen land-art-projecten waren te zien).

Beeren was niet alleen een organisator van spectaculaire exposities, maar ook van spectaculaire aankopen. Boijmans Van Beuningen verrijkte hij met een grote installatie van Joseph Beuys (toen al erg moeilijk om aan te komen) en werken van Claes Oldenburg, Andy Warhol, Bruce Nauman en Walter de Maria. Daarmee legde hij een stevig fundament onder de verzameling moderne kunst van het Boijmans.

In het Stedelijk viel vooral de aankoop (1989) op van 'Ushering in Banality', een sculptuur van Jeff Koons. Het werk stond al snel bekend als 'de Big van Beeren' en toont een uit hout gesneden varken dat door de kunstenaar in trainingspak en twee engelen wordt voortgeduwd. Naar aanleiding van deze aankoop ontstond een controverse, omdat het werk in een oplage van drie stuks was uitgebracht, niet door de kunstenaar zelf was gesneden en toch 250000 gulden moest kosten. Inmiddels is het beeldhouwwerk een beroemd icoon van de kunst van de late jaren tachtig.

Ongetwijfeld een dieptepunt in Beerens carrière was de vernieling van het abstracte doek 'Who's afraid of Red, Yellow and Blue III' van Barnett Newman. Zeven sneden had een vandaal erin gekerfd, waarvan drie over bijna de volle lengte van het enorme felrode vlak dat het schilderij domineert. Er volgde een bijna onmogelijke restauratieklus, die aan Daniel Goldreyer in New York werd gegund, mede op aanraden van Newmans weduwe. De restauratie liep uit op een drama, mede doordat Goldreyer het rode vlak met een verfroller met rode acrylverf had overschilderd. Ook Beeren uitte, na eerdere lof, zijn bedenkingen, wat hem prompt op een proces van Goldreyer kwam te staan. Contractueel was vastgelegd dat de directeur zich niet zo over de restauratie mocht uitlaten. De dreiging van een proces heeft Beeren jarenlang belemmerd naar New York te reizen.

Die reizen bleven na zijn afscheid als directeur van het Stedelijk noodzakelijk. Hij werd een veelgevraagd adviseur (zo kocht hij onder meer in voor de Peter Stuyvesant Collectie, één van de oudste en vermaardste bedrijfscollecties in Nederland), organiseerde nog meer tentoonstellingen en nam zitting in jury's. Beeren kwam als directeur vaak over als een stugge, introverte man. Hij was geen groot spreker voor grote groepen. Bij persoonlijk contact bleek hij echter veel toegankelijker, en hij beschikte over een flinke dosis droge humor. Zo gaarne wilde hij zijn passie voor kunst met het publiek delen, dat hij niet terugdeinsde voor een grootse opzet van exposities. Hoewel hij een studeerkamergeleerde leek (voordat hij directeur van Boijmans Van Beuningen werd, was hij een tijdlang rector in Groningen), maakte hij eerst van Boijmans en daarna Stedelijk Museum laagdrempelige musea voor het grote publiek. En dat is een van zijn belangrijkste verdiensten geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden