Gedichtendag / Schrijven blijft altijd een mysterieus proces

De drie mooiste gedichten van 2005 gaan over globalisering, autisme, jonge meisjes en bieten. De winnende dichters Piet Gerbrandy en Erik Jan Harmens maken het hun lezers niet gemakkelijk. Het draait om klank en ritme, zegt de één. Het is het spel van de geit en de wortel, zegt de ander. Welnee, meent Koenraad Goudeseune, de derde winaar: Een woord is een woord, en begrijpelijk dichten is een kunst.

’Een dichter is de slechtste lezer van zijn eigen werk”, zegt Piet Gerbrandy (1958). Zodra het gepubliceerd is, is de lezer de baas, die mag het zichzelf eigen maken. Maar een leestip geeft hij als schepper nog wel mee: lees het hardop en laat je meevoeren door ritme en klank. Dat helpt bij het begrijpen.

Zo schrijft Gerbrandy ook vaak, heel intuïtief, vanuit klank en ritme, zonder te weten waarover het zal gaan. Al is zijn werk meestal wel terug te leiden tot een grondthema: „Namelijk de vraag hoe je je door het leven heenslaat.” Aan het schrijven gaat een incubatietijd vooraf, waarin hij woorden voelt opwellen. „Als ik eenmaal ga zitten staat het er in een kwartier. Een mysterieus proces.”

Maar bij dit gedicht wist Gerbrandy al wel dat het een politieke lading zou krijgen. „Het is geïnspireerd op beelden van rellen tegen de globalisering in Seattle en Genua. Ik wilde een gedicht schrijven over de verkeerde kanten van de schaalvergroting, zaken als vrouwenhandel, militaire industrieën, financiële belangen.”

En ook de teloorgang van de echte tango, die ’verlepten’ aan het ’mollen’ zijn, volgens de tweede strofe. „Die Argentijnse dans kan je nu in kneuterige clubjes in Nederlandse dorpjes leren. Fijn voor de mensen uit de Achterhoek. Maar zo gaat er iets van de lading verloren.”

Ook andere beelden in het gedicht hebben een duidelijke herkomst. „De bouwput komt voort uit een bouwput in Amsterdam die in mijn hoofd zat, misschien komen daar ook die tulpen vandaan. Mijn ideeën over de globalisering zijn niet nieuw voor mezelf. Dat het over captains of industry of de verwoesting van het milieu gaat, is voor mij dus geen verrassing. Maar de dichters die in de vierde strofe opduiken had ik niet kunnen voorspellen.”

De ’gelauwerde dichters’ die hun verzen voordragen hebben voor Gerbrandy persoonlijk een functie: hij is medeplichtig. „Het is gemakkelijk om vanaf de zijlijn kritiek te leveren op het grootkapitaal, maar door een bankrekening te openen krijg je zelf ook vuile handen.”

De dichters in het gedicht spreken in tongen. „Ze zijn bezeten, en lezen sermoenen, oftewel vermanende preken. Dat is een vorm van zelfspot. Er bestaat een verouderd beeld van de dichter die als psalmzinger of profeet zijn waarheden over de wereld uitstort. Ik relativeer ook mijn eigen gepreek in dit gedicht, ik denk immers ook als een orakel te moeten verkondigen wat er allemaal mis is.”

Als het preken erin zit, krijg je het er niet meer uit, meent Gerbrandy, die gereformeerd is opgevoed en ooit dominee wilde worden. „Ik draag altijd een calvinistisch schuldgevoel met me mee. En dat is helemaal niet zo verkeerd, volgens mij.”

Aan het eind biedt Gerbrandy de lezer nauwelijks enige verlichting. „Misschien verwacht je dat het wat rustiger wordt als de dichters eenmaal aan het woord komen. Maar dat blijkt niet te kloppen. De laatste twee regels zijn de gruwel ten top.”

Een gedicht is af zodra de dichter ermee stopt. Dat is in dit geval drie jaar geleden. „Als ik het nu herlees zou ik bepaalde dingen alweer anders zeggen. Ik zou in de laatste strofe niet ’de roosarmige zeug’ schrijven, maar ’roosarmig de zeug’, en in de slotregel het lidwoord ’het’ schrappen. Kleine dingen inderdaad.” Maar corrigeren doet hij nooit.

De onderbuikdichter en de verstandelijke dichter strijden in het werk van Gerbrandy om voorrang. „Hier voel je die onderbuik, het zijn toch de wat ranzige beelden die het gedicht voortstuwen. Maar het gedicht heeft wel een strakke structuur gekregen. Je ziet consequent strofen van drie regels, waarvan de meeste eindigen met het woord ’Hier’. Dat is een retorisch middel om structuur op te leggen aan de chaos.” Dat woord Hier betekent overigens niet dat er één specifieke plaats beschreven wordt, zoals Rotterdam of Singapore. „In dit gedicht bedoelde ik heel letterlijk: hier, op deze plaats op de bladzijde waar het gedicht staat.

Omdat het dichten iets ’ongrijpbaars’ is, valt niet te zeggen waarom Gerbrandy zoveel beelden in zijn gedicht stopt. Hij rijgt woorden aaneen tot wat cryptische regels, waarin je ogen flink de weg moeten zoeken, en ook wel eens verdwalen. Niet voor niets omschrijft Gerbrandy poëzielezers in het gedicht als ’grenzen slechtende nemers’. Een lezer moet bereid zijn om grenzen te slechten.

„Zelf dacht ik aan werknemers die landsgrenzen overschrijden. Maar het kan natuurlijk ook gaan over afnemers van poëzie. En poëzieproductie is ook een economisch proces.” Zo werkt Gerbrandy als recensent.

Zou hij ook een loflied op de globalisering kunnen schrijven? „Dat lijkt me moeilijk. Natuurlijk maak ik ook gebruik van dingen die van de andere kant van de wereld komen, literatuur of muziek. Vijftig jaar geleden had je dat alles niet. Toch gaat er een hoop kapot.”

Bezopen wijst big in satijnen corset

je een bed onder twinkelend hangvat

vol tulpen met uitzicht in bouwput. Hier

mollen verlepten de tango hier groeien

winkels van zucht waar klieren verpatsend

vaarsogigen bokken uitzuigen. Hier

bloeien op inktvissen slurpende kaden

naphandige havenbaronnen paleizen van glas

tegemoet waar in knechten belegd is. Hier

lezen gelauwerde dichters in hennepen

toga’s hun pinkstergetongde sermoenen

tot grenzen slechtende nemers. Hier

het hardhouten bed waar men gelige

zaakmakkers wurgt met bedwelmend contract

dat men bommen ontwerpt voor de negers. Hier

de roosarmige zeug in strak bombazijn

zweet zij bleekgezicht koop je mijn

kut en het leer van mijn zwerende zolen.

Piet Gerbrandy Uit ’Drievuldig feilloos vals’, uitgeverij Meulenhoff

Slotgebed

wat ik eigenlijk wilde zeggen is ik wil niet dat deze dagdromer gekooid

en geboeid wordt afgevoerd en sukadelappen moet vreten hij heeft

liever nuggets maar hij kan dat niet zeggen als-ie sukadelappen op zijn

bord zal hij zijn lippen op elkaar drukken en wegkijken en leg je dan

alsnog nuggets dan weigert hij ze niet uit halsstarrigheid

hij bout zijn broek vol maar als je dan vraagt of-ie gebout

zegt-ie niet gebout niet gebout en hou dan je wijsvinger in

als het regent zegt hij regent

en als de auto rijdt zegt-ie gaat maar rijden

heb ’m lief als hij dat blijft volhouden tot je band zegt klap

dan zegt-ie gaat maar stoppen en dat zolang en zolang

tot je weer gas

wat-ie dan zegt is ingemaakt in pekel

nu iedereen dood merk ik dat ik met de dag meer autist

en hij wat weg krijgt van een mediator

zo legt hij een extra punt appelkruimeltaart op mijn bord

zo knijpt hij een bij in tweeën

die daar ben ik van overtuigd het op mijn nektattoo voorzien had

zo slaat hij me in het gezicht omdat daar ben ik van overtuigd

een kutopmerking in de weg van mijn hart naar mijn huig

besloten ligt

wat ik eigenlijk wilde zeggen is kit je lippen dicht

Erik Jan Harmens

Fragment van het gedicht ’Slotgebed’ uit ’ Underperformer’, uitg. Nijgh & Van Ditmar

Ieper

Meisjes hebben geen borsten,

laat staan grote.

Maar soms toch wel

die welving plots.

Altijd moet ik van de fiets

als ik zo’n meisje zie.

’Welkom,’ wil ik zeggen

of ’Draag er zorg voor.’

En laatst dacht ik aan een jongeman

die met slaap in de ogen naar de oorlog trekt.

Ieper, anno 1914.

De Groote Oorlog is nog jong,

is pas begonnen.

Zoals de bieten op het veld

ooit grote joekels van bieten zullen worden.

Als hij dan nog leeft.

Koenraad Goudeseune

Uit ’Zen uit eigen werk’, uitgeverij Atlas

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden