Gedichten zijn de avondcolumns

Veel lezers kennen Rob Schouten als columnist en recensent. Maar hij is ook al tientallen jaren dichter. Onlangs verscheen de bloemlezing 'Vuil goed'. Schouten: 'Ik was heel ongelukkig. Dat is altijd een goede voedingsbodem.'

Rob Schouten is even terug uit Drenthe, waar hij veertien dagen writer in residence is in Amen, een klein dorp, niet ver van Assen. Iedere avond eet hij bij een andere inwoner. "Ik heb in tijden niet zoveel Hollandse pot gegeten."

Door zijn columns en kritieken is hij voor Trouw-lezers geen onbekende, maar inmiddels schrijft hij ook alweer vijfendertig jaar poëzie. Ter gelegenheid daarvan verscheen onlangs de bloemlezing 'Vuil goed'. Schouten maakte zelf de keuze uit de tien dichtbundels die er van hem sinds 1978 verschenen.

Ook de kiem van zijn dichterschap werd in het noorden gelegd. In Groningen, waar hij van zijn tiende tot zijn zeventiende woonde.

"Ik was heel ongelukkig, dat is altijd een goede voedingsbodem. Het zevendedags adventisten-milieu waar ik uit kom - mijn vader was predikant - vond ik benauwend en kleingeestig. Ik hoopte op school aan thuis te ontsnappen, zocht een andere geest, cultuur. Maar er was geen ruimte voor de expansie die in mij woelde.

"Thuis werd de Bijbel gelezen, en streekromans door mijn vader. Ik las ze ook allemaal. Maar met 'Het glinsterend pantser' van Vestdijk rook ik, vijftien was ik, voor het eerst aan de literatuur. Dat niet het verhaal centraal stond, maar de manier van vertellen.

"En ik ging Roland Holst lezen. Prachtig. Hij voldeed aan mijn clichébeeld van poëzie, verheven taal, verre rijken. Mijn eerste gedicht schreef ik rond mijn zestiende, echte puberteitsgedichten.

"Ik zocht een weg uit dat zevendedags adventisme, een weg naar een andere wereld. In Groningen kocht ik bij De Slegte 'Helden van de geest', inleidingen op filosofen als Spinoza, dat heeft mij gevormd."

De bundel 'Vuil goed' opent met een briefje van Theo Sontrop, destijds uitgever bij De Arbeiderspers, en redacteur van het literaire tijdschrift 'Maatstaf', naar aanleiding van enkele gedichten die Schouten het tijdschrift had toegestuurd.

De uitgever schrijft hem: "De nieuwe zending geeft me toch wel enig vertrouwen in uw kreatieve kwaliteiten (het zou me niet verbazen als u dit vertrouwen zelf al had ) en het lijkt me dan ook zinvol u nogmaals te vragen nóg meer werk te sturen."

Had je inderdaad meteen vertrouwen in je eigen kunnen?
"Ik vond het redelijk vanzelfsprekend dat er aandacht aan werd geschonken. Pas later merkte ik dat het helemaal niet zo gebruikelijk was om via de post binnen te komen. Bij andere uitgevers en tijdschriften ben ik met standaardbriefjes afgewimpeld.

'Maatstaf' was in de jaren zeventig het blad van schrijvers als Gerrit Komrij en Ethel Portnoy, de romantisch decadenten. Schouten: "Dáár had ik op gewacht, dáár voelde ik me thuis. Sontrop stuurde me enorm: "U kent natuurlijk dit werk, van die en die dichter." Nooit van gehoord, maar ik ging als een haas de gedichten van Jules Laforgue lezen. En vertalen. De Nerval, Baudelaire, dat beïnvloedde mij. Ik hield van een ouderwets soort surrealisme, Lautréamont, verbijsterend goed!

"Vanuit het niets kwam ik in de literatuur. Liet me meeslepen, schreef sonnetten, beetje studentikoos, ironisch, beetje negentiende eeuw, provoceren, bric à brac. Welke kant ik op wilde, geen idee, maar ik schreef enorm veel. Er ligt nog een roman uit die tijd, in de geest van de poëzie, beetje Joyce-achtig - misschien iets voor het Letterkundig Museum."

In zijn vroege gedichten botsen de oude, bijbelse wereld en de moderne, in provocerende regels: 'Mooie kloosterlinge/ met niet alleen de hersenroze voeten/ maar ook de handen en het hoofd/ en de toffe borsten in de kloostertuin'.

Schouten: "Ja, in die eerste gedichten zette ik me enorm af. Zette de religie graag in haar hemd."

Lazen je ouders je poëzie?
"Jawel, mijn moeder zeker, die vindt het min of meer interessant. Mijn vader kon net de brave gedichten van De Genestet waarderen. Die hield van psalmen en gezangen, dat zit ook in mij. Ik houd erg van taal, al merk je dat talige misschien niet zo aan mijn poëzie."

In het gedicht 'Huisstijl' karakteriseer je je poëzie:
'Niet waar ik woon en met wat aan de muur

maar toch toegankelijk: wat brommerig

hoor ik en met de actuele grijzen

der jaren negentig, er mag ook best

het nodige gesodemieter in.

(...)

Het mag natuurlijk nooit commercieel worden

of modieus of niet te lezen.'

Hij gniffelt. "Op een gegeven moment weet je wat je kunt en hoe je overkomt. In het begin schreeuwde ik heel erg. Nu twijfel ik meer, ik mompel in mijn gedichten, ben een beetje brommerig, zo half verstaanbaar. 'Huisstijl' is een soort bekentenisgedicht. Ik ben een poet's poet, mijn gedichten zijn niet voor iedereen.

"Een dichter als Kees Ouwens heeft een enorme urgentie, samengebalde woede, kracht. Dat heb ik niet. Ik relativeer. Ik werk ook nooit lang aan een gedicht, daar ben ik te ongeduldig voor. Het moet in twee uur in de steigers staan. Schrijven hangt samen met prikkels van het moment."

Terwijl we praten in zijn woonkamer staat de televisie aan. Journaalbeelden en reclames schuiven geluidloos voorbij.

"Dat ding staat de hele dag aan, ik kijk ook naar de Teletubbies, of de smurfen, naar alles, zonder dat ik het consumeer. Beeld en tekst komen voorbij, net als dingen op straat. Zo ontstaan mijn gedichten ook: ik loop ergens langs, lees een woord verkeerd, en denk: "Dat moet ik onthouden". Het is hapsnap. Het verband zit er achteraf in, dat ben ik.

"Ik heb één roman geschreven ('Lusthof'', jm) en één verhalenbundel ('Gestolen goed', jm), maar dat is zo'n ander bedrijf. Dat vereist continuïteit, ik ben van het hele korte. Snel en slordig, of in ieder geval snel.

"Ik geloof niet dat lang nadenken of lang met iets bezig zijn veel oplevert. Het grootste resultaat zit hem in het begin. Je moet jezelf als het ware overvallen."

Columns en gedichten zijn allebei kort. Is er verschil in het schrijven?
"De column schrijf ik altijd 's ochtends, direct nadat ik ben opgestaan. Gedichten schrijf ik 's avonds. Het gedicht is mijn 'avondcolumn'. Bij een column houdt ik nog wel rekening met de lezer of de gebeurtenis. Het zijn meer preekjes, terwijl ik in mijn gedichten eerder vloek. Dat is een agressievere, asocialere kant, ik voel me daar vrijer. Poëzie ligt het dichtst bij me. Daarvan kan ik ook min of meer gelukkig worden. Omdat ik een gedachte, impuls of overweging heb vormgegeven, die ik omhels als hij op papier staat. Ik probeer iets van mijn temperament te tonen, van mijn gedachtewereld. Je kunt mij - voor een deel - leren kennen uit mijn poëzie."

Rob Schouten komt meermaals in de bundel voor. Hij viert bijvoorbeeld zijn middelbare verjaardag, en wordt voorgesteld als profeet.

"Dat is natuurlijk een vermengd persoon, maar die vermenging ben ik óók. Dat gedicht over die profeet gaat over mompelende daklozen. Ik had zo'n zwerver kunnen zijn. Dat lijntje tussen een geslaagd en een zwervend bestaan is heel dun. Ik heb een soort empathie voor alles wat een beetje mislukt is, voor scharrelaars. Bij die moordpartij in Alphen aan den Rijn denk ik aan die jongen. Hoe erg kun je ontsporen? Zou ik dat kunnen?"

Schouten schreef het gedicht 'Frans van Mierisstraat in ruste', waarin hij een dergelijke gedachte toelaat in taal. Het is schokkend actueel: 'Een verwarde man fietst langs. Ik wil rust zeg ik rust, (...) Ik heb zin ze allemaal af te schieten'.

"Ik ben helemaal niet agressief, maar agressie is een optie in ieders leven. Ik zie het als een oudtestamentisch relict. In de Bijbel gebeuren verschrikkelijke dingen, die nergens psychologisch geduid worden. Onze hele beschaving heeft iets onredelijks. En juist als ik hier fiets, in deze nette buurt, denk ik daaraan. Nee, dat zijn geen fraaie gedachten.

"Ook de poëzie van John Berryman, waar ik erg van houd, is geschreven zonder de demper van de beschaving erop. Bij hem gaat over teleurstellingen, afgewezen worden, hij is slordig, alcoholisch, gepijnigd. Hij heeft een mooie vorm, met onconventioneel taalgebruik, veel slang. Mij doet het wat."

'Huiselijk verkeer' (1992) en 'Bij bewustzijn' (1996) bleken hem bij herlezing het dierbaarst.

"Die bundels schreef ik toen mijn dochters zo rond de zes en acht jaar oud waren. Ik was bang dat kinderen de dood in de pot zouden zijn voor mijn werk, integendeel. Of mijn dochters mijn poëzie lezen? Ik herken weleens regels van mezelf in Sinterklaasgedichten."

Dan stellig: "Ze zouden me eigenlijk wél moeten lezen."

"'Groeve van Silvius' vind ik een van mijn mooiste gedichten." Hij leest het voor: "Het lijken wel gebeurtenissen maar het blijft natuurlijk altijd problematisch, je weet soms zelf niet eens of het persoonlijke wel juist is waargenomen.

Geen schepsel is van meet af aan aanwezig

bij de voltallige veranderingen,

laat staan het onvermijdelijke gevolg

in het zo goed als nooit voltooide.

Daarom misschien moet je je mond maar houden,

er niet op ingaan, alles alles laten

in je naïeve, rammelende schedel,

tot de geschiedenis roerloos gaat liggen,geen kwaad meer kan en vrede nederdaalt

over de achterlijke hemisferen."

Schouten: "Het heeft iets van een psalm, het is ook berustend: we komen niet achter het geheim van het bestaan. Het laat zien dat je, ook al ben je geen christen, toch gevoelig kunt zijn voor het mysterie. Dit is waar het mij om gaat, een kosmisch besef dat je er bent en dat je aanwezigheid eindig is. En zo ben ik via de literatuur toch weer bij dezelfde materie gekomen als waarvoor ik op de loop ging.

"Misschien is 'Groeve van Silvius' geen 'mooi gedicht', het is saai en grijs. Het is niet pleasing, er zitten geen woordspelletjes in. Dat overkomt me niet vaak, dat ik zonder leuk tussenwerpseltje of knipoogje kan. In mijn poëzie zou ik graag wat grijzer worden, minder ironisch. Ik moet uitkijken dat ik niet te veel mijn kunstje vertoon, wil mezelf blijven uitvinden. Kaler, essentiëler. dat heeft vast met ouderdom te maken, als ik jarig ben hang ik ook geen ballonnen meer op."

En een nieuwe bundel?
"O, die komt eraan, 'Zware pijnstillers'. Maar mijn grootste ambitie is het om een 'allesboek' te schrijven. Een roman, een groot, uitwolkend, volkomen existentieel bouwsel.

"Daarvoor ben ik psychologisch nog te geremd, maar ik denk dat ik het wel in me heb. Mijn gedichten zijn een soort voorafschaduwingen van dat boek. Maar ik kan ook heel goed leven met alleen die gedichten, hoor."

Hij staat gehaast op. "Ik moet weg. Om zes uur word ik aan tafel verwacht bij de familie Brinkman."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden