Gedicht in retraite

Taal kan veel, zoals stilte brengen, maar dan moet je haar de tijd geven, tijd om te klinken en na te klinken

Jan Oegema (1963) is uitgever en schrijft over literatuur en levensbeschouwing.

De vesper, aan het einde van de middag, luidt het laatste gedeelte van de dag in. Dan schakelen we om, van buiten naar binnen. Tijd voor poëzie.

Het open klooster is een interreligieus initiatief, geïnspireerd door de Joods-christelijke en de boeddhistische tradities - en door moderne literatuur. In de vesper komen die samen. We lezen hedendaagse gedichten en zingen psalmen en soetra's.

Toch viel op zeker moment de beslissing de psalmen en soetra's te reserveren voor de andere getijden en de poëzie een eigen plek te gunnen. De vespers waren simpelweg te tekstig, ze leden aan verbale overdaad, en dat in een gezelschap dat zich in alle ernst dacht toe te leggen op stilte. Taal kan veel, zoals stilte brengen, maar dan moet je haar tijd durven geven, tijd om te klinken en na te klinken.

En je moet haar dichters durven geven, dat toch vooral. Dichters van na 1900. Als geen ander en als nooit tevoren zijn zij in staat stilte hoorbaar en voelbaar maken, inadembaar en lijfelijk. De Vasalissen, Luceberts, Rilkes, Borgessen, Ida Gerhardts, Antjie Krogs - zij doen iets wat niet eerder is gedaan, niet tenminste op zo grote schaal en met zo veel kunde.

Wat? Weglaten. Hedendaagse dichters zijn meesters in het weglaten, suggereren, niet-benoemen. Bij hen wordt stilte een genre-eigen verlangen. Natuurlijk waren er al de verfijnde erotische gedichtjes van Sappho, de ik-loze natuurgedichten uit het vroegmiddeleeuwse China, de haiku's van Basho en andere Japanners, maar in de geschiedenis van de poëzie zijn dat zeldzaamheden die zij nu met grote liefde omringen en tot voorbeeld nemen. Zonder overdrijven kun je stellen dat een deel van de moderne poëzie door haar houding haiku-minded is geworden: een van leegte en ontvankelijkheid, van aandacht en opmerkzaamheid.

Zo is, bij het wegvallen van het gebed, in de westerse wereld een nieuwe, meditatieve poëzie ontstaan die je met even veel recht religieus als irreligieus mag noemen: ze leert je open te staan voor het onbekende. Naast denken en combineren vraagt ze om wachten en luisteren, eerst bij de schrijver en vervolgens bij de lezer. Zij brengt brein en lichaam tot stilstand, sterker, ze houdt van die stilstand en ze suggereert bij monde van menig dichter dat ze er vooral daarom is - om een toestand van stilstand op te wekken en te cultiveren.

Bij monde van Vasalis, bijvoorbeeld. Haar gedicht 'Eb' is tijdens retraites even geliefd bij kerkelijken als bij onkerkelijken, bij boeddhisten als bij non-boeddhisten - het maakt dergelijke scheidslijnen voor even of voor altijd volledig illusoir. Het stamt uit een productieve periode waarin Vasalis gedichten schreef die naar haar smaak helemaal 'vers' waren, in één keer op papier gezet, product van een genade waar ze in latere periodes lang en bijna vergeefs op heeft moeten wachten.

'Eb'

Ik trek mij terug en wacht.

Dit is de tijd die niet verloren gaat:

Iedre minuut zet zich in toekomst om.

Ik ben een oceaan van wachten,

waterdun omhuld door 't ogenblik.

Zuigende eb van het gemoed,

dat de minuten telt en dat de vloed

diep in zijn duisternis bereidt.

Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?

Dit is een westerse haiku. Wel te lang voor een echte haiku, het is een vertellend gedicht met bovendien een ik erin (zij het een bijzonder neutraal ik). Maar het heeft de frisse ernst van een haiku; gepubliceerd in 1954 is het helemaal vers gebleven,

mede dankzij Vasalis' talent om weg te laten - in dit gedicht geen spoor van situatie, aanleiding, motief, decor. En dankzij haar talent voor verstillen en stil worden. Het gedicht leent zich voor een keur aan interpretaties - het laat zich betrekken op mediteren, doodgaan, bidden, een crisis doorleven, rouwen, concentratie opwekken voor een optreden - het is zeker ook toepasbaar op het schrijven van gedichten. Je kunt het met alle recht lezen als een metagedicht: het beschrijft wat er moet gebeuren om een gedicht als dit te kunnen schrijven.

Dat kan trouwens niet iedere dichter, er is geen reden de moderne poëzie heiliger te maken dan ze is - niet iedere dichter heeft dezelfde vertrouwdheid met stilte als Vasalis. Wat niet wegneemt dat de moderne poëzie vele stiltelingen kent, dichters die de westerse (retraite-)wereld hebben verrijkt met een esthetiek waarin je gerust drie letters mag weglaten. Die esthetiek is namelijk evengoed een ethiek, dat wil zeggen spiegel en richtsnoer voor persoonlijk handelen. Je kunt altijd bij Vasalis terugkeren om te weten of je haar gedicht aandurft, of je het waar wilt hebben, nu, op dit moment.

"Er is kunst die het leven oplaadt met betekenis," zegt de Amerikaanse dichter Christian Wiman, "er zijn uitspraken die alleen door te handelen authentiek worden." Vasalis' gedicht kan je helpen die authenticiteit te vinden.

Dat ze er vooral daarom is, schreef ik hierboven. Ze, dat is de meditatieve poëzie van nu, sinds de vorige eeuw een genre binnen een genre, het heeft daarom betrekking op het verlangen naar een toestand van verstilling, concentratie, opmerkzaamheid. Dichters en lezers hebben in de loop van de twintigste eeuw een nieuw soort heiligheid gecreëerd, alledaags en niet geloofsgebonden, wat trouwens ook meteen het belang van deze poëzie uitmaakt: ze is er voor iedereen. De theoloog en antifascist Dietrich Bonhoeffer schreef vlak voor de Tweede Wereldoorlog: "Ik vraag me af waarom een 'christelijk instinct' me vaker drijft naar mensen zonder godsdienst dan naar mensen met godsdienst, waarbij ik absoluut niet een bekeringsdrang bedoel, maar zou ik bijna willen zeggen, 'in broederschap'."

Ik denk dat ik het antwoord op die vraag weet. Het kan een religieus verlangen zijn om je niet in religieuze zin van je medemens te onderscheiden. Verlangen? Instinct is inderdaad een beter woord. De meditatieve poëzie is het medium van moderne broederschap. Ze is schatplichtig aan oude spirituele tradities, geen auteur of hij verdiept zich van tijd tot tijd in de Psalmen, de Mahabharatha, de liederen van Hadewijch of de absurde meester-leerlingdialoogjes uit het zenboeddhisme.

Toch zullen ze, zelfs wanneer ze overtuigd christen, boeddhist of atheïst zijn, niet snel de broederschapsgedachte van hun metier loslaten. Moderne poëzie is de plaats van veelstemmigheid en multi-interpretabiliteit, van onderzoek eerder dan getuigenis, en áls ze al wat te getuigen hebben (en welke dichter heeft dat niet), dan bij voorkeur in een sfeer van onderzoek - en in de bevrijdende wetenschap dat het volgende gedicht hen mogelijk weerspreekt. En in de wetenschap dat poëzie schrijven hoe dan ook iets archaïsch is, iets primitiefs, met trekken van een ritueel - een ritueel dat gewoonlijk begint met luisteren.

Luisteren, altijd weer. Naar de taal, naar een stem die van elders lijkt te komen, naar het andere ik, naar een dode geliefde. Het gedicht begint zelden met een gedachte, bezweren de dichters, het begint met een ritme, een melodie, zeven lettergrepen in een hoogst merkwaardige volgorde.

Dát is het heilige moment, het naar-binnen-luisteren (Rilke). Het gaat samen met staten van inkeer en passiviteit die meditatief aangelegde dichters zo goed hebben beschreven dat ze onder poëzielezers tot een breed herkende ervaring zijn geworden. Een ervaring die zinvol is in zichzelf, mogelijk combineerbaar met een religieuze of spirituele ervaring. Maar niet inwisselbaar, en waard om te bewaken, waard om te koesteren.

Religie en poëzie, verwar hun intrinsieke kwaliteiten niet maar laat die naast elkaar bestaan - in broederschap. Dat is een van de mogelijke lezingen van een prachtig gedicht van Hans Faverey, in de zomer van 2013 in de vesper gelezen in combinatie met Psalm 23. Faverey haalt daar het tweede deel van de beroemde regel 'De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets' uit aan. Faverey heeft daar ongetwijfeld sympathie voor, en toch scharniert zijn gedicht om een 'en toch', of, zoals hij het formuleert: 'niettemin'.

Hetzelfde stukje bos dat ik ken

ingelopen, laatst.

Een kruisbessenstruik

staat daar. Daar is ook

een jonge esdoorn: die ik met zich

had verstrengeld. Al het zichtbare

gaat open, vervolgt mijn weg.

Het ontbreekt mij aan niets;

en ik ben niet ongelukkig.

Niettemin: op wieken wil komen

de stilstand

der dingen in mij.

Opnieuw een haiku, er staat zo veel meer niet dan wel. Licht en ernstig tegelijk, kunstig en toch van grote eenvoud. Ik beeld me in een gedicht te lezen over iemand die gelukkig is, gelukkig met een herinnering die in een omzien weer tegenwoordige tijd wordt (ook grammaticaal). Een herinnering van een worden met de natuur, als de ik door het bos loopt, voltrekt zich iets waardoor dat bos verandert in zichzelf. Er gaat iets open, de bomen en struiken, 'Al het zichtbare gaat open' - onreligieuze taal voor een religieus gegeven.

Kinderen kennen het, pubers, volwassenen - aangeraakt of overvallen worden door wat de Romantici zo mooi betitelen als slechthinniges Kreaturgefühl, basaal creatuurgevoel, een aandoening gepaard gaande met spontane gevoelens van nietigheid en dankbaarheid. Je hoeft geen geloof te hebben om daar een god bij te denken, een superieure intelligentie die jou beziet zoals de ik in het gedicht de jonge esdoorn beziet. En blij te zijn met poëzie waarin die god een naam krijgt en met die naam een richtpunt.

In Faverey's gedicht is er blijdschap - en een niettemin. Lees je het gedicht als meditatieve poëzie van nu, dan wil het een psalm zijn naast de Psalmen. Met eerbied voor het verleden maar met een eigen idee van broederschap, beginnend met die beweging naar binnen die cultuur- en religieonafhankelijk is, wat kan uitmonden in gebed.

'op wieken wil komen / de stilstand / der dingen in mij': het gedicht suggereert dat het stilvallen de ik in aanraking brengt met een andersoortige werkelijkheid, niet die van bomen en struiken maar die van een transparantie daartussen. Een engelachtige werkelijkheid, suggereert het gedicht - bijzonder dat het engelachtige in het gedicht een plaats krijgt in die laatste strofe, die zich laat begrijpen als een defence of poetry.

Een 'defence' om blij mee te zijn, niet minder dan met Psalm 23. Religie roept in het beste geval op tot broederschap, maar doet dat onvermijdelijk in een taal die scheidslijnen aanbrengt - tussen binnen en buiten, incrowd en buitenwacht. Moderne poëzie doet dat niet, zij vraagt slechts om het algemeenste geloof dat er bestaat. Het geloof in aandachtsvol lezen, en in de stilte erna.

Gedichten dus die de plaats innemen van heilige teksten uit heilige tradities. Wat niet wil zeggen dat we die tradities kunnen vervangen, alsof ze hun tijd hebben gehad. Al was het maar omdat het allesbehalve eenvoudig is om een helder onderscheid te maken tussen het een en het ander, tussen religieuze traditie en moderne poëzie. Er zit heel wat moderne poëzie in de psalmen en soetra's, zoals er nog altijd veel onmoderns doorklinkt in de moderne poëzie - neem Lucebert, die zijn gedichten ergens omschrijft als 'een storm van driftig bidden'. De heilige teksten en gebruiken van weleer zijn dus allerminst voorbij, ze veranderen misschien, ze krijgen een andere betekenis, maar voorbij, passé, afgedaan: dat allerminst.

En toch is het een ontdekking dat poëzie van een hedendaagse dichter een retraite kan dragen. 's Ochtends regels uit een psalm, 's avonds uit een soetra, daartussen vooral moderne poëzie. Ondersteund met toelichtingen, filmbeelden, een kringgesprek, een contemplatieve dialoog. Het is vast niet mogelijk met alle dichters, maar er zijn er die in een bestek van zeven dagen een leven opnieuw kunnen opladen met betekenis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden